Fotobijlage:
Het Gekerstend Hunebed.

Tijdens de kerstening van Noord-Nederland maakten ook missionarissen als Willibrord, Bonifatius en Liudger dankbaar gebruik van de oude tradities en cultusplaatsen van de heidenen aan wie ze het ware geloof kwamen verkondigen. Heilige bomen (doorgaans eiken, gewijd aan Donar of Wodan) werden geveld, waarna van hun hout op dezelfde plek een kerk werd gebouwd. Na verloop van tijd werden deze houten kerken vervangen door stenen exemplaren, die in Drenthe soms rechtstreeks werden gefundeerd op, of deels opgetrokken uit veldkeien die wellicht afkomstig waren van prehistorische cultusplaatsen als hunebedden en steencirkels. De symbolen die ook nog in later eeuwen werden gebeiteld in grafstenen en zerken zijn eveneens (veel) ouder dan het christendom zelf.

De toren van de 12e-eeuwse Sint-Magnuskerk in het Drentse Anloo is gefundeerd op grote veldkeien. In de kerk bevindt zich een 13e-eeuws fresco van Maria, Sterre der Zee, die hier gekleed is in een rode mantel, al in de prehistorie de kleur van liefde, passie en de Moedergodin, waar het kerkelijk dogma voor de mantel van Maria blauw voorschrijft, de kleur van oneindigheid, goddelijkheid en trouw. Onder het in de 14e eeuw gebouwde koor van de kerk bevindt zich een grafkelder die eveneens van veldkeien is gebouwd, bij de opgraving daarvan onder leiding van de wereldberoemde archeoloog prof. A.E. van Giffen (1942) bleek dat ook het schip van de kerk op veldkeien staat (zie onder). Het feit dat de kerk zelf op een kunstmatige verhoging is gebouwd maakt het des te waarschijnlijker dat op deze plek ook een groot prehistorisch hunebed of ander megalitisch bouwwerk heeft gestaan, waar later een kerk bovenop werd gebouwd. Klik op de foto voor hogere resolutie.
In de Sint-Magnuskerk in Anloo bevindt zich een 13e-eeuws fresco van Maria met Christuskind. De Moeder Gods en Sterre der Zee is hier gestoken in een rode mantel, de kleur van liefde en passie, waar het kerkelijk dogma uitdrukkelijk blauw voorschrijft. De kleur van de mantel maakt dit fresco uniek in de rooms-katholieke kunstgeschiedenis. Bron: website van de Magnuskerk.
De fundering van de Sint-Magnuskerk in Anloo, blootgelegd tijden het opgraven van de grafkelder door prof. A.E. van Giffen in 1942. Klik op de foto voor hogere resolutie.
De eveneens uit veldkeien samengestelde trap naar de grafkelder in de Sint-Magnuskerk in Anloo. Klik op de foto voor hogere resolutie.

In de twaalfde eeuw verrees in het Drentse dorp Oringe (het huidige Odoorn), gelegen ten noordwesten van Emmen op het zuidelijk deel van de Hondsrug, een aan Sint Margaretha gewijde kerk waarvan het onderste deel was opgetrokken uit gekantrechte veldkeien en het bovenste deel uit bakstenen die hoogstwaarschijnlijk afkomstig waren uit de steenbakkerij bij het klooster van Aduard (Groningen), de zogenoemde kloostermoppen. Rondom Oringe zijn de restanten teruggevonden van hunebedden en andere prehistorische cultusplaatsen, en het is dus goed mogelijk dat de voor de kerkbouw gebruikte veldkeien van zulke plaatsen afkomstig zijn geweest. Die bouwwijze zou passen in een symboliek die in de Middeleeuwen vaker werd gebruikt: de heidense zwerfkeien zijn zichtbaar ondergeschikt gemaakt aan de door dienaren Gods vervaardigde kloostermoppen.

 

Het koor van de 12e-eeuwse Sint-Margarethakerk in Oringe (Odoorn), gebouwd van veldkeien die zijn afgedekt met kloostermoppen. Oorspronkelijk was de hele kerk op deze wijze gebouwd, maar in 1856 werden het schip en de toren vervangen door nieuwbouw; alleen het koor bleef in oorspronkelijke staat behouden. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Ook het onderste deel van de toren van de Nieuwe of Grote Kerk in Emmen, een restant van de aan Sint Pancratius gewijde kerk uit het einde van de 12e/begin 13e eeuw, is opgetrokken uit gekantrechte veldkeien (volgens de website van de kerk zijn dit ‘hunebedbrokken’) met daarboven kloostermoppen die alleen aan de noordzijde behouden zijn gebleven. In 1456 werd aan de oude toren een nieuwe kerk gebouwd die nu aan Maria werd gewijd. Deze kerk was in de 19e eeuw ernstig in verval geraakt, hij werd in 1856 gesloopt en vervangen door de huidige kruiskerk.

Noordmuur van de 13e-eeuwse toren van de oorspronkelijk aan Sint Pancratius gewijde Nieuwe of Grote Kerk in Emmen. De basis bestaat uit in stukken gehakte en gekantrechte hunebedstenen met daarboven kloostermoppen. Bron: Zwerfstenen en IJstijden, een weblog waarop ook een aantal voorbeelden staat van middeleeuwse Duitse (Oost-Friese) kerken die op deze wijze werden gebouwd.

In en rond de middeleeuwse kerken in Noord-Nederland liggen nog talloze 16e, 17e en 18e-eeuwse graven met dekstenen en zerken die voorzien zijn van symboliek die ook al in voorchristelijke tijden werden gebruikt. Zo vinden we de slang die in haar eigen staart bijt, de ouroboros van de Griekse klassieke wereld en het oude Egypte. De slang stond in veel culturen symbool voor de onderwereld en het dodenrijk, en als ouroboros heeft hij dezelfde betekenis als de feniks die uit zijn eigen as verrijst (overigens wordt de slang in de Bijbel vooral geassocieerd met de duivel en het kwaad). Op oude grafstenen zien we ook vaak een vlinder afgebeeld, van oudsher symbool voor kwetsbare schoonheid en transformatie naar een andere staat; in de christelijke iconografie werd de vlinder het symbool voor de vergankelijkheid van het leven en de overgang van het aardse tranendal naar de hemelse zaligheid. Ook zien we regelmatig treurwilgen, in de Germaanse traditie al een symbool voor de dood en de onderwereld, waar uitgestrekte wilgenbossen groeiden. Ook zien we vaak een gebroken staf, in voorchristelijke tradities ook een symbool van de levensboom, als teken dat het leven van de overledene nu gebroken is.

 

Ouroboros, de slang die in zijn eigen staart bijt, afgebeeld op een 19e-eeuwse grafsteen op het kerkhof bij de middeleeuwse kerk van Heemskes of Weskes (Heveskes) op het Groninger Hoogeland. Het dorp Heveskes bestond al voor de christelijke jaartelling, en was in de middeleeuwen de standplaats van het Johannieter klooster Oosterwierum, dat in 1568 tijdens de Tachtigjarige Oorlog door Staatse troepen in brand werd gestoken en verwoest. Het dorp zelf is in de jaren 1960 en 1970 gesloopt om plaats te maken voor nieuwe industrieterreinen rond de Eemshaven; alleen de kerk en het kerkhof bleven onder druk van de Stichting Oude Groninger Kerken gespaard. Tijdens archeologisch onderzoek bij de aanleg van deze industrieterreinen kwamen onder de fundamenten van het voormalige klooster de resten van het meest noordelijk gelegen hunebed van Nederland tevoorschijn dat ooit is teruggevonden. De stenen van dit hunebed zijn overgebracht naar het MuzeeAquarium in Delfzijl, waar het werd gereconstrueerd en deel uitmaakt van de vaste tentoonstelling. Klik of de foto voor hogere resolutie.

 

Onderste deel van dezelfde grafsteen als hierboven, met treurwilg, twee vlinders (links zonder vleugels, feitelijk nog een rups) en een gebroken staf met vogelkop. Klik op de foto voor hogere resolutie.
De middeleeuwse kerk van Heveskes met drie oude lindebomen (leilinden) tussen de industriële complexen rondom de Groninger Eemshaven. In Germaanse tradities gold de linde als boom van de liefde, maar ook van rechtvaardigheid. Linden stonden vaak op vergaderplaatsen waar recht werd gesproken (het Ðing), omdat onder de linde geen leugens kunnen worden gesproken. Ze symboliseerden het vrouwelijke aspect en werden vaak gewijd aan vruchtbaarheidsgodinnen als Freya. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Meer informatie vindt u in:
Deel II: Omwenteling, De Voedseltemmer en deel III: Godes Dienst, De Sjamaan.