I. Inleiding
De Waaromvinder

 

Een zekere hoeveelheid tegenspraak is van grote waarde voor de mens.
Vliegers klimmen tegen de wind in omhoog, niet met de wind mee.
Lewis Mumford, historicus, wetenschapsfilosoof, literair criticus en schrijver (1895-1990).

 

1.

 

We kunnen onze problemen niet oplossen
met hetzelfde denkwerk dat we gebruikten om ze te laten ontstaan.
Albert Einstein

 

De vulpen waarmee Albert Einstein zijn relativiteitstheorieën berekende. In 1921, het jaar waarin hij de Nobelprijs voor natuurkunde ontving, schonk Einstein de pen aan zijn speciale vriend en inspirator, de Oostenrijks-Nederlandse natuurkundige prof. Paul Ehrenfest, opvolger van Hendrik Lorentz aan de Rijksuniversiteit Leiden. Op het briefje schreef Ehrenfest: “Deze vulpen heeft Einstein jarenlang gebruikt en in ieder geval in de jaren van 1912 tot 1921 – zodat zijn ontwerpen en berekeningen over de algemene relativiteitstheorie en zwaartekracht in dit tijdsbestek met deze pen geschreven zijn.” Bron: Museum Boerhaave via Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Op een zomerse dag in de herfst van 2015 bezocht ik met een oude kameraad de tentoonstelling Einstein & Friends, in het Leidse Museum Boerhaave, het destijds nog aangenaam rommelige maar inmiddels duurzaam gerestaureerde en geheel vernieuwde museum dat zich tegenwoordig de schatkamer van de wetenschap noemt en ook een officieel Rijksmuseum is geworden. Einstein & Friends was de laatste expositie die voorafging aan de verbouwing, en wij gingen er vooral heen omdat we de groots aangekondigde publiekstrekker wilden zien: de vulpen waarmee Albert Einstein (1879-1955) een eeuw eerder de wiskundige vergelijkingen had opgeschreven die zijn ooit revolutionaire theorieën over zwaartekracht en de relativiteit van tijd en ruimte moesten onderbouwen. Aan het daadwerkelijk vinden van deze vulpen ging een buitengewoon interessante ontdekkingsreis vooraf. Op zoek naar de trap naar de zolderverdieping, waar de spullen van Einstein en zijn vrienden zouden zijn uitgestald, raakten we voortdurend de weg kwijt. Dat vonden we geen probleem. We dwaalden door volgestouwde maar verder verlaten zaaltjes en keken onze ogen uit naar Maagdenburger halve bollen, reusachtige kwikthermometers en barometers, glimmende telescopen, primitieve microscopen, mechanische planetaria, beschilderde globes van hemel en aarde, portretten van geleerden uit lang vervlogen tijden, elektriseermachines, pompen, motoren, chirurgisch gereedschap en ontleedmessen, menselijke lichaamsdelen op sterk water en nog talloze andere instrumenten en voorwerpen waarvan ons doel en functie te enen male boven de pet gingen – maar geen nood, hun intrinsieke schoonheid maakte alles goed. Na deze avontuurlijke zwerftocht langs de antieke wonderen der wetenschap vonden we tenslotte de trap naar zolder, en de expositie waarvoor we gekomen waren. Voor we bij de apotheose uitkwamen – de vulpen – passeerden we tientallen vitrines die bijna allemaal gevuld waren met vergeelde aantekeningen in moeilijk te ontcijferen handschriften, of met in druk verschenen publicaties die waren opengeslagen op de pagina’s waar Einstein of zijn vrienden lange, voor leken ondoorgrondelijke formules in de marges hadden gekrabbeld. Dit deel van de tentoonstelling leek voornamelijk gericht op kenners van de moderne wiskunde en natuurwetenschap, en dat waren wij nauwelijks. Maar gelukkig was er meer. De wanden van de zolderverdieping waren bedekt met talloze foto’s van Albert Einstein en zijn hooggeleerde Leidse vriendenclub. Veel van die foto’s gaven de indruk van een vrolijke, vrijgevochten groep zelfbewuste hemelbestormers, jong en oud gebroederlijk door elkaar, die zich in kennelijk ontspannen sfeer bezig hielden met het volledig opnieuw uitvinden van de natuurwetenschap.

Paul Ehrenfest en Albert Einstein met op schoot Paul jr. De foto is genomen in de huiskamer van Ehrenfest in Leiden, waar de boezemvrienden vaak duetten speelden (Einstein speelde viool). Als Einstein in Leiden was, logeerde hij steevast bij Ehrenfest. Foto: NEMO Kennislink. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Einstein hield van Leiden, hij noemde de stad ‘dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde’ waar hij kon ontsnappen aan het soms stuitende chauvinisme en nationalisme van de Duitse academische wereld in het begin van de 20e eeuw. In 1911 bezoekt hij de stad voor het eerst, op uitnodiging van Leidse studenten die hem hadden gevraagd een lezing te verzorgen aan de oudste universiteit van Nederland, in 1575 opgericht door de stadhouder van Holland, prins Willem ‘De Zwijger’ van Oranje. Einstein had de uitnodiging vooral aanvaard omdat hij dan de gelegenheid zou hebben de befaamde hoogleraar theoretische natuurkunde Hendrik Lorentz (1853-1928) te ontmoeten, die in 1902 met Pieter Zeeman (1865-1943) een Nobelprijs deelde voor hun onderzoek naar een effect van magnetische velden op licht, het Zeemaneffect. Ook wilde Einstein graag een bezoek brengen aan het cryologisch laboratorium van de zo mogelijk nog beroemdere hoogleraar toegepaste natuurkunde Heike Kamerlingh Onnes (1853-1926). In dit lab, dat destijds bekendstond als ‘de koudste plek op Aarde’, ontdekte Kamerlingh Onnes het principe van supergeleiding, slaagde hij er voor het eerst in om helium vloeibaar te maken (bij -269 °C); daarna wist hij nog de laagste temperatuur te bereiken die ooit op Aarde was gemeten: minder dan één graad boven het absolute nulpunt (-273,15 °C of 0 °K); in 1913 zal ook Kamerlingh Onnes een Nobelprijs ontvangen, voor zijn ‘onderzoek naar de eigenschappen van materie bij lage temperaturen’. Einstein beschouwt Lorentz en Kamerlingh Onnes als de briljantste natuurkundigen van hun tijd, en tijdens hun eerste ontmoeting in 1911 blijkt dat wederzijds te zijn. Er ontstaat al snel een collegiale vriendschap die tot intensieve uitwisseling en innige samenwerking leidt. Vanaf dat moment is Einstein met grote regelmaat in Leiden te vinden. Op verzoek van zijn oude boezemvriend Paul Ehrenfest (1880-1933), als hoogleraar theoretische natuurkunde inmiddels de opvolger van Lorentz, aanvaardt Einstein in 1920 een aanstelling als bijzonder hoogleraar namens het Leids Universiteits Fonds, en verzorgt hij enkele malen per jaar gastcolleges. Het was Paul Ehrenfest aan wie hij, na het winnen van de Nobelprijs in 1921, zijn vulpen schonk. Einstein wint die prijs overigens voor zijn onderzoek aan het foto-elektrisch effect, het principe waarop onze moderne sensoren en zonnepanelen zijn gebaseerd, en niet voor de relativiteitstheorieën waarmee hij pas later beroemd zou worden; in 1921 werden die binnen de toenmalige natuurwetenschappelijke consensus nog als té bizar beschouwd om zomaar te kunnen aanvaarden. Een laatste geleerde vriend van Einstein die we vaak prominent op de foto’s aan de zolderwanden van Museum Boerhaave zien staan, is de wiskundige en astronoom Willem de Sitter (1872-1934), destijds directeur van de Leidse sterrenwacht waar Einstein talloze uren doorbracht met discussies over een of andere kosmologische constante die helemaal niet constant kan zijn, of waar hij, in eenzaamheid en vanuit een speciale stoel, met de grote telescoop de kosmos bestudeerde. Pas later zal blijken dat deze Leidse vriendengroep de basis legde voor een groot deel van het steeds verder voortschrijdende natuurwetenschappelijk inzicht dat tegenwoordig de kern van onze moderne, technologisch georiënteerde beschaving vormt.

In de week voorafgaand aan ons bezoek aan Einsteins vulpen publiceert het eerbiedwaardige wetenschappelijk tijdschrift Nature een artikel dat wereldwijd de voorpagina’s haalt. Een onderzoeksgroep onder leiding van de Delftse hoogleraar Ronald Hanson (Instituut QuTech) had vastgesteld dat twee verstrengelde deeltjes, in dit geval elektronen die zich op een afstand van zo’n 1300 meter van elkaar bevinden, inderdaad het – volgens de klassieke natuurkunde onmogelijke – gedrag vertonen dat al de tijd van Einstein was berekend door onderzoekers in het toen nog splinternieuwe vakgebied van de kwantumfysica (of kwantummechanica), maar nog altijd niet door waarneming aangetoond (Hanson et al., 2015). Kwantumfysica is de tak van de natuurwetenschap die het gedrag van het allerkleinste onderzoekt en beschrijft: lichtdeeltjes (fotonen), elektronen, protonen en quarks (de bouwstenen van atomen), allerlei soorten bosonen en meer. In 1900 was het bestaan van dergelijke deeltjes voor het eerst aangekaart door de Duitse natuurkundige Max Planck (1858-1947), die ze ook de naam kwantum (meervoud: kwanta) geeft. Hanson borduurt niet alleen voort op het werk van bovengenoemde Leidse kameraden. Geleerden als het echtpaar Pierre (1859-1906) en Marie Curie (geboren Skłodowska, 1867-1934) en Louis duc de Broglie (1892-1987) in Frankrijk, Niels Bohr (1885-1962) in Denemarken, Werner Heisenberg (1901-1976) in Duitsland, Richard Feynman (1918-1988) in de Verenigde Staten en nog heel wat anderen in de (voornamelijk westerse) wereld hebben hun tanden al eerder stukgebeten op de (soms bizarre) wetten van de kwantumfysica. Het begon met de ontdekking dat atomen, lange tijd gedefinieerd als de kleinst mogelijke, homogene en ondeelbare eenheden van alle vormen van elementaire materie, desondanks ook zelf weer zijn opgebouwd uit nog veel kleinere elementaire eenheden, die zich bovendien compleet anders gedragen dan de atomen waarvan ze deel uitmaken en volledig andere eigenschappen hebben. Het kwantumniveau lijkt zich zelfs niets aan te trekken van de klassieke wetten van de Newtoniaanse mechanica. Kwanta kunnen gelijktijdig zowel materie met massa als golfbeweging zonder massa zijn. Ze zijn op hetzelfde moment op verschillende plaatsen aanwezig, en hun plaats en toestand worden alleen manifest als ze worden waargenomen (gemeten). Ze kunnen zodanig met elkaar verbonden (verstrengeld) worden dat ze zelfs op enorme onderlinge afstanden toch gelijktijdig (instantaan) op elkaar reageren. De ontdekking van kwantumgedrag opent nieuwe deuren naar een andere werkelijkheid achter de klassieke natuurkunde, een wereld die pas aan het licht kwam toen zij kon worden waargenomen, lees: gemeten. Nadat Max Planck in 1900 op basis van waarnemingen de eerste kwantumhypothese had geformuleerd, regende het fonkelnieuwe theorieën die niet alleen de fundamentele gedragingen van atomen moesten verklaren, maar ook de kosmische orde en het ontstaan van het universum. Die theorieën waren afgeleid uit sluitende berekeningen, feitelijke waarnemingen en zorgvuldige metingen, en werden getoetst aan de resultaten van experimenten in de harde werkelijkheid. Filosofische of religieuze redeneringen, Bijbelverhalen, mythen en legenden, onzichtbare (lees: onmeetbare) scheppers en andere entiteiten, ze leken allemaal irrelevant geworden en niet langer nodig om de loop der dingen te verklaren. Voor het eerst in de geschiedenis van mens en beschaving leek het erop dat het universum, met alles erop en eraan en erin, zonder hulp of ingrijpen van goden of God kon zijn ontstaan, en kan voortbestaan.

De werkkamer van Albert Einstein in Princeton (VS). Bij commentaar op de rommel repliceerde hij: “Als een rommelig bureau een teken is van een rommelige geest, waarvan is dan een leeg bureau een teken?”. Bron: Goed.is. Klik op de foto voor een opname in hogere resolutie, vanuit een iets andere hoek en op een ander moment, en zoek de verschillen.

Volgens de klassieke natuurkunde bestaat het waarneembare (meetbare) altijd, ook als het niet direct wordt waargenomen. Dat klinkt logisch: op het moment dat iemand Einsteins bureau op een gevoelige plaat vastlegt, bevriest hij een tastbare werkelijkheid die niet zomaar verdwijnt als de fotograaf naar huis gaat om in de donkere kamer de film te ontwikkelen en de foto af te drukken – de werkelijkheid van Einsteins jaren. Wij leken nemen voetstoots aan dat een op foto vastgelegde werkelijkheid alleen kan veranderen als er een ingreep wordt gedaan, bijvoorbeeld als de tastbare Einstein zijn kantoor binnenstapt en de pijp, papieren, de inktpot of iets anders verplaatst. In de klassieke natuurkunde heeft alle tastbare materie massa, of zij nu als los molecuul op Aarde voorkomt, of een enorm zwart gat in het centrum van een melkwegstelsel is, materie wordt beschreven als een uitingsvorm van dezelfde – letterlijk universele – basisvorm, die we ‘energie’ noemen, andere uitingsvormen zijn ‘warmte’ en ‘beweging’. Alle energie, op Aarde en in de kosmos, is onderworpen aan harde, schone natuurwetten, die altijd gelden, niet gebroken kunnen worden, en waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn. De wet van het Behoud van Energie gebiedt bijvoorbeeld dat energie wel gebruikt of omgezet kan worden, maar niet zomaar verloren kan gaan. Ze kan wel van het ene materiële voorwerp op het andere worden overgedragen, het gevolg is beweging, en materie kan ermee in andere materie worden omgezet; daarbij kan ook energie vrijkomen. De gevolgen van al die energie-overdrachten en materiële transformaties nemen wij waar als de loop der dingen. Einstein wist het fundament van dit model, massa is een vorm van energie, samen te vatten in de wiskundige formule die hem onsterfelijk zou maken: E=mc2. E staat in die vergelijking voor energie-inhoud, m voor massa – grammen – en c is de lichtsnelheid in vacuüm, een constante van 299.792.458 meter per seconde.

Een andere wet uit de klassieke natuurkunde zou gebieden dat de snelheid van het licht die wordt bereikt in absolute leegte zonder weerstand, tevens de maximumsnelheid van alle dingen is – sneller kan niets. Max Planck had vastgesteld dat zowel energie als massa, ruimte en tijd – de joules, grammen, meters en seconden van E=mc2 – allemaal uit kwanta bestaan; deze Planck-eenheden hebben een constante waarde en zijn ondeelbaar. Kwanta met overal en altijd dezelfde waarde leken daarmee de universele bouwstenen van alles wat er in de kosmos gebeurt en valt waar te nemen. In de loop van de 20e eeuw werd alle nieuwe inzichten met elkaar in samenhang gebracht, in vergelijkingen gevat en getoetst aan nieuwe waarnemingen, in aardse laboratoria of met telescopen en vanuit ruimtevaartuigen in de kosmische werkelijkheid. Tal van ooit mysterieuze natuurverschijnselen, ooit toegeschreven aan de ondoorgrondelijk almachtige grillen van God of de goden, konden nu eindelijk op rationele wijze verder worden ontrafeld en verklaard. De kruisbestuiving van klassieke natuurkunde met kwantumfysica leidde tot de ontwikkeling van steeds geavanceerdere (en complexere) instrumenten waarmee nieuwe, tot dan toe alleen in theorie beschreven fenomenen nu ook konden worden waargenomen (of juist gefalsificeerd); voorbeelden zijn de radiotelescoop, de elektronenmicroscoop en de deeltjesversneller. Oude theorieën verdwenen naar de prullenbak en werden vervangen door nieuwe hypothesen – die vervolgens weer door andere onderzoekers konden worden ontkracht. Een groot aantal van de hierboven genoemde geleerden is voor al dat werk onderscheiden met Nobelprijzen. Pierre Curie, de mede-ontdekker van het radioactief verval – kwantumfysica bij uitstek – moet de Nobelprijs voor Natuurkunde in 1903 delen met zijn partner (in huwelijk en onderzoek) Marie en met Henri Becquerel, die in 1896 het verschijnsel van radioactiviteit had ontdekt, Marie Curie is daarmee de eerste vrouw die in de prestigieuze prijs mag delen. Pierre loopt het winnen van een eigen prijs mis, als hij in 1906 in Parijs bij het oversteken struikelt en onder een rijdende koets terechtkomt. Hij is op slag dood en een Nobelprijs mag niet postuum worden toegekend, maar Marie zet het onderzoek naar radioactieve elementen voort en ontvangt vijf jaar later nog een Nobelprijs, ditmaal voor Scheikunde en helemaal alleen voor haar. Ze was daarmee ook de eerste mens die twee Nobelprijzen in twee verschillende disciplines kreeg uitgereikt, en is tot op heden ook de enige. De Amerikaanse chemicus, biochemicus en vredesactivist Linus Pauling kreeg er weliswaar ook twee, in 1954 voor de Scheikunde en in 1962 voor de Vrede, maar vrede is nog lang geen rationele wetenschappelijke discipline. Prof. Ronald Hanson (1976) is nu nog wat teveel een jonge hond om voor de hoogste wetenschappelijke eer (lees: erkenning) in aanmerking te komen, maar als hij doorgaat op de ingeslagen weg zal het er wellicht ooit van komen, als hij tenminste niet voortijdig in de voetsporen van Pierre Curie struikelt en onder een elektronisch beveiligde Delftse elektrische sneltram belandt – een voertuig dat zonder steeds verder voortschrijdende inzichten in kwantummechanica niet zou bestaan.

Toegepaste kwantumtechnologie in de kinderschoenen: dashboard van een Volkswagen uit 1959 met daarin een kwartsklok en een Blaupunkt transistorradio (gebouwd vanaf 1969). Bron: Classiccult. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Het voortrazend doorgronden van de mysteriën van de natuur, op snelheid gekomen in de tweede helft van de 19e eeuw, heeft vergaande consequenties voor de (onze) moderne tijd gehad. Niet alleen de wetenschap ging op de schop, maar ook alle samenlevingen in de hele wereld – en hun beschaving(en). In de wetenschap worden allerlei nog niet ontgonnen terreinen ontdekt en splinternieuwe vakgebieden schieten als paddenstoelen uit de grond: elektrotechniek, kernfysica, materiaalkunde, chemie, farmacie, medische en agrarische technologie, de ratio krijgt ruim baan en vrij spel om alles te kunnen begrijpen. Overal wordt de nieuwe kennis niet alleen ingezet voor het verbeteren van de wetenschap en haar (al dan niet menselijk, al dan niet levend) instrumentarium, maar gelijktijdig worden ook praktische toepassingen op de samenleving losgelaten. Zonder begrip van de kwantummechanische aard van elektronen die zich voortbewegen langs een raster van koper (en koolstof) atomen  (in de volksmond heet die voortbeweging ‘elektrische stroom’; de 11e-eeuwse tovenaar Catweazle noemde het ‘elektruukiteit’), had de wetenschap de mogelijkheden van zogenaamde halfgeleiders niet ontdekt: de geleerden hadden niet geweten waar ze moesten kijken en zoeken. Met halfgeleidertechniek werden  de diode en transistor ontwikkeld, die een loodzware, elektriciteit vretende kast vol kwetsbare, gloeiendhete glazen gloeibuizen veranderden in de kleine, handzame transistorradio die op een paar koolstofbatterijen (ook kwantumfysica) vele uren kon spelen: voor het eerst kon het apparaat waaruit de stemmen van de wereld klonken eenvoudig mee de wereld in. Ze werden draagbaar en steeds kleiner, waren schokbestendig en konden eenvoudig worden ingebouwd in het dashboard van de auto – aanvankelijk vaak een Volkswagen – destijds per definitie een Kever – omdat Duitse techneuten van de firma Blaupunkt hun eerste compacte (en gepatenteerde) autoradio met buitenantenne speciaal op dit autotype hadden gericht (over de markante geschiedenis van de Volkswagen Kever (en van Blaupunkt) zult u meer lezen in deel IV, Handelsgeest).

De halfgeleidertechnieken werden doorontwikkeld en steeds verder verfijnd, en maakte het de laatste decennia mogelijk om steeds meer geïntegreerde elektronische schakelingen op steeds kleinere en dunnere siliciumplaatjes (glas) te dampen: ze vormen de chips waarmee onze computers, mobiele telefoons en tal van andere ‘slimme’ apparaten tegenwoordig met bijna de lichtsnelheid berekeningen kunnen uitvoeren, waarvan de uitkomsten vervolgens met bijna dezelfde snelheid wereldwijd verspreid kunnen worden; ook het internet kan niet bestaan zonder voortschrijdend inzicht in de wetten die het gedrag van kwanta bepalen. Kennis van kwantumgedrag ligt aan de basis van lasertechniek, medische scans, radiologie, satellietnavigatie, nanotechnologie, dezelfde kennis leidde tot nucleaire energiecentrale en de ontwikkeling van kernwapens; over die laatstgenoemde mijlpaal van wetenschappelijke beschaving zult u meer lezen in De Opper in deel V: Oorlogskunst.

Wat het beeld van de (wetenschappelijke) verworvenheden van de moderniteit ook moge zijn, we kunnen vaststellen dat anno 2018 ruwweg een derde van het bruto nationaal inkomen in de zogenoemde ‘ontwikkelde industrielanden’ domweg niet zou worden verdiend als het bestaan van kwanta onbekend was gebleven. We moeten eveneens constateren dat zowel de wereldeconomie als de moderne beschaving er dan heel anders zouden hebben uitgezien. Hoe anders zullen we nooit meer aan den lijve kunnen ondervinden. Nieuwe ontdekkingen kunnen samenlevingen fundamenteel veranderen en op de kop zetten, en kunnen doorgaans niet meer worden teruggedraaid als ze eenmaal gemeengoed zijn geworden: dat geldt op steeds meer plaatsen niet alleen voor stofzuigers, koelkasten, wasmachines, automobielen, motorschepen en straalvliegtuigen, maar ook voor fossiele-brandstofcentrales, melkrobots, datacentra, ziekenhuizen enzovoort. Over de (eveneens) moeilijk terug te draaien gevolgen van deze vloedgolf der Triomf van de Techniek zult in volgende hoofdstukken van De Beschaver nog nader geïnformeerd worden.

Impressie van de wijze waarop de zwaartekracht van Aarde de ruimtetijd vervormt. Op de tekening is ook de in 2004 gelanceerde satelliet afgebeeld, die deze tot dan alleen nog theoretisch berekende vervorming in de werkelijkheid moest nameten. Einstein, de oorspronkelijke bedenker, zag zijn gelijk postuum bevestigd: ruimtetijd bestaat en wordt vervormd door zwaartekracht. Bron: NASA. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In de eerste decennia van de 20e eeuw leek een wetenschappelijke Theorie van Alles binnen handbereik te liggen: elegante, algemeen geldende verklaringen voor alle mysteries in het universum, gebaseerd op eeuwige, onwrikbare natuurwetten en keiharde constanten, zonder dat moest worden teruggevallen op de interventie van onmeetbare hogere machten. Deze ultieme wensdroom van veel natuurkundigen kreeg al in 1935 een flinke opdoffer toen een wetenschappelijk betoog van Einstein et al. de paradox van verstrengeling naar voren bracht. Na lang rekenen, waarbij ze tussendoor ook de theorie van de wormgaten onder de loep namen – een fenomeen dat tijdreizen in het universum (of zelfs tussen universa) mogelijk zou maken – komen Einstein (inmiddels hoogleraar aan Harvard University in de Verenigde Staten) en zijn collega’s Boris Podolsky (1896-1966) en Nathan Rosen (1909-1995) tot de conclusie dat verstrengeling onverenigbaar is met de inmiddels goeddeels geaccepteerde theorieën van zwaartekracht en relativiteit uit de klassieke natuurkunde. Toch vormt het concept van verstrengeling een cruciale hoeksteen in het gebouw van de kwantumfysica. Het stelt dat verstrengelde deeltjes altijd en overal elkaars tegenpool moeten zijn, zelfs als ze zich op enorme afstand van elkaar bevinden. Dat betekent dat als het ene deeltje zich in toestand A bevindt, bijvoorbeeld een specifieke (meetbare) spin vertoont, het andere deeltje altijd en op hetzelfde moment in toestand min A verkeert (dus in gelijke, maar tegengestelde spin). Dat concept kan alleen werken als de informatie over de toestand van het ene deeltje door het andere instantaan – dus met een reistijd van nul seconden – wordt waargenomen. De relativiteitstheorie gebiedt daarentegen dat niets zich sneller kan verplaatsen dan licht in vacuüm, zelfs informatie niet. Einstein en zijn collega’s komen er niet uit. Einstein noemt verstrengeling: “Spukhafte Fernwirkung”, spookachtige werking op afstand, en concludeert in de verhandeling van 1935 dat de kwantummechanische beschrijving van de kosmische werkelijkheid als ‘niet compleet’ moest worden beschouwd.

Destijds – en nog lang daarna – dicteerden de theorieën van relativiteit en gravitatie dat nergens in het universum iets kan bestaan dat zich sneller verplaatst dan lichtdeeltjes (kwanta) in lege ruimte (vacuüm), een snelheid die moet worden gemeten in meters per seconde (m/s). Instantaniteit kan daarmee alleen op hetzelfde punt in de ruimte plaatsvinden – het aantal meters moet nul zijn om de gewenste uitkomst – eveneens nul – te krijgen. Einstein heeft niet mogen (hoeven?) meemaken dat er in de natuurwetenschap anno 2018 geen twijfel meer over bestaat dat informatie-overdracht tussen verstrengelde deeltjes ook op (grote) afstand instantaan plaatsvindt – het principe is inmiddels meermaals empirisch (door waarneming) bewezen, voor het eerst door prof. Hanson en zijn Delftse jonge honden. Ruim tachtig jaar na de bedenkingen van Einstein et al. weten we nu zeker dat informatie in nul seconden over talloze, in principe oneindig veel meters kan worden overgedragen. Dat het zolang heeft geduurd is verklaarbaar: om als bewijs te overtuigen moet ook worden gezorgd dat het waarnemen (meten) van de tegengestelde spin van verstrengelde deeltjes eveneens instantaan is gebeurd – en dat is razend gecompliceerd. De verdienste van Hansons team is dan ook vooral dat door het ingenieuze ontwerp en de dito opstelling van hun meetapparatuur in de eerste plaats het probleem van de instantane meting wisten te overwinnen; hun artikel in Nature beschrijft dan ook vooral de waarnemingstechnieken die werden gebruikt en gaat nauwelijks over kwantumverstrengeling.

Al twee jaar na de publicatie van Hanson et al. volgt uit China een vergrotende trap. Een onderzoeksteam van de Universiteit voor Wetenschap en Technologie in Sjanghai weet, met een satelliet als meetinstrument, instantane informatie-uitwisseling tussen verstrengelde quarks op een afstand van 1200 kilometer aan te tonen (Ji-Gang et al. 2017). De Chinese onderzoekers zijn vermetel genoeg om in hun onderzoeksverslag een oeroud, maar in de natuurkunde altijd als ‘onmogelijk’ geduid begrip nieuw leven in te blazen: ze spreken van de teleportatie van informatie tussen de verstrengelde deeltjes. Teleportatie heeft wereldfaam verworven als het fenomeen dat kapitein James Kirk uit de sciencefictionserie Star Trek (1966-1969) in staat stelde om instantaan naar het sterrenschip USS Enterprise terug te keren; hij vroeg dan aan hoofdingenieur Montgomery Scott om hem weer omhoog te stralen: “Beam me up, Scotty“. Uiteraard beweert prof. Ji-Gang met de formulering ‘teleportatie van informatie’ niet dit principe eveneens op klassieke materie kan worden toegepast, laat staan op levende lijven als dat van kapitein Kirk. Wel voorspelt hij dat het onderzoek naar verstrengeling op korte termijn zal leiden tot praktische toepassingen, bijvoorbeeld in een onmogelijk meer te hacken kwantumcomputer, die ook nog eens sneller dan het licht zal zijn. Ook Hanson en het QuTech Instituut voor Nanowetenschap zijn inmiddels volop mee bezig met het implementeren van verstrengeling in praktische toepassingen. Eind 2017 publiceert het instituut over het gebruik van verstrengeling in grootschalige kwantumnetwerken. De komst van machines die instantaan informatie over oneindige afstand kunnen uitwisselen lijkt nog slechts een kwestie van tijd – die overigens nog altijd relatief is…

Te midden van het tumult rond verstrengeling rekent de Amsterdamse hoogleraar theoretische natuurkunde Erik Verlinde (1962) onverdroten verder aan een nieuwe interpretatie van materie, ruimtetijd en zwaartekracht. In feite ontwikkelt Verlinde een Hypothese van Alles, en in wetenschappelijke wandelgangen wordt al gefluisterd dat als hij die hypothese sluitend weet te krijgen en er een theorie van kan maken, hij daarmee zonder twijfel een Nobelprijs in de wacht zal slepen; sommige vakbroeders noemen hem zelfs ‘de nieuwe Einstein’, al moet hij daar zelf niets vabn hebben. Volgens Verlinde komen materie, ruimtetijd, zwaartekracht (en zelfs de leegte van een vacuüm) allemaal voort uit een en dezelfde verstrengelde structuur van krachtvelden, die oneindig en alomvattend zijn en waarin alle informatie ligt opgeslagen die nodig is om het universum alles te laten doen wat het doet; alles manifesteert zich uit deze informatie en meer is er niet nodig. Verlindes visie maakt niet alleen het universum oneindig (exit Oerknal, exit parallelle universa), maar schrapt ook de (nog altijd niet waargenomen) donkere materie (energie) uit de kosmische vergelijkingen die de klassieke natuurkunde nog altijd nodig heeft om de waargenomen bewegingen van verre sterrenstelsels en de uitdijing van het heelal adequaat te kunnen verklaren. En niet alleen in Amsterdam, maar wereldwijd wordt naarstig verder gezocht naar bruggen die geslagen kunnen worden tussen de tegenstrijdige werelden van de klassieke natuurkunde en de kwantumfysica; de snaartheorie is een voorbeeld van zo’n unificatietheorie (lees: Theorie van Alles), waaraan bijvoorbeeld de inmiddels wereldberoemde Nederlandse hoogleraar theoretische natuurkunde en directeur van het gerenommeerde Institute for Advanced Study in Princeton (VS) Robbert Dijkgraaf (1960) zijn carrière heeft gewijd. Zo schrijdt de wetenschap voort, stap voor stap langs onbekende kronkelwegen vol onvermoede uitzichten, doorkijkjes en kruisverbanden. Het zal trouwens nog wel even duren voordat een echte Theorie van Alles daadwerkelijk een leer kan worden, en zelfs dan is nog niets ook echt zeker. De hierboven al genoemde Amerikaanse kwantumfysicus Richard Feynman hield zijn studenten steevast voor: “Een wetenschapper is nooit zeker van zijn zaak. Dat weten we allemaal. We weten dat al onze verklaringen bij benadering zijn, met verschillende gradaties van zekerheid, als een verklaring wordt afgegeven is het niet de vraag of iets wel of niet waar is, maar veeleer hoe waarschijnlijk het is dat iets wel of niet waar is. Mensen zoeken naar zekerheid. Maar zekerheid bestaat niet.” Daar zullen we het mee moeten doen, nu en in de eeuwigheid.

Tekening uit Summa Logicae, een manuscript van de Engelse Franciscaner monnik William van Ockham, met opschrift: ‘Dit is broeder Ockham’ (Frater Occham iste). Bron: Wikimedia Commons.

Al in 1341 beschreef de Engelse franciscaner monnik William van Ockham (of Occam, 1288-1347) de wet van de spaarzaamheid (Latijn: lex parsimoniae), in zijn manuscript Summa Logicae, een overzicht van de toenmalige logica en taalfilosofie. Dit principe, tegenwoordig bekend als ‘Ockhams Scheermes‘, stelt dat wanneer een verschijnsel door meer dan één hypothese bevredigend verklaard kan worden, de hypothese met de minste aannames (vooronderstellingen) en entiteiten (toeters en bellen) doorgaans de juiste is. Wij zouden dat tegewoordig de elegantste oplossing noemen, of de eenvoudigste – om met Goethe te spreken: “In de beperking toont zich de meester”. Je kunt bijvoorbeeld de onzichtbare wisselwerking tussen tuinkabouters, deva’s en het rijk der planten opnemen in een hypothese die de verschijnselen van de groei en bloei in de natuur verklaart (en daarmee een heel eind komen), maar Ockhams Scheermes laat zo’n verklaring alleen toe zolang er geen hypothese zonder allerlei paranormale entiteiten voorhanden is. Vanaf het eind van de 18e tot ver in de 20e eeuw hanteren de zich met rasse schreden ontwikkelende natuurwetenschappen het scheermes waarmee Goden en geesten uit de klassieke opvattingen van hemel en aarde worden weggesneden. Het Bijbelse scheppingsverhaal wordt vervangen door een begin met een Oerknal, en volgens Erik Verlinde zelfs door een oneindig en eeuwig universum dat er altijd is geweest. Adam, Eva en alle andere mensen zijn sinds de ontdekking van de evolutie van soorten in de 19e eeuw niet meer als zodanig door God geschapen, maar stammen nu af van aapachtige wezens, die zelf uit weer andere schepselen zijn ontstaan. Niet alleen de klassieke natuurkunde ging de afgelopen tweehonderd jaar volledig op de schop, maar ook in de biologie (plant-, dier- en menskunde), de geneeskunde en de chemie is alles anders geworden. Almachtige opperwezens die alles bestieren lijken nu overal voorgoed van hun tronen gestoten, en vervangen door onafhankelijke natuurwetten die chemische reacties aansturen. Zodat nu, bijna halverwege de eerste helft van de 21e eeuw, de almachtige God die onze beschaving millennia lang heeft beheerst nu helemaal verdwenen lijkt – zelfs uit het Friese Jorwerd.

❂❂❂

2.

 

In de wetenschap der natuur moeten de beginselen
van waarheid bevestigd worden door waarneming.

Carolus Linnaeus

 

Carolus Linnaeus in Laplandse dracht. Schilderij door Martin Hoffman, 1737. De hier afgebeelde versie van het schilderij, dat veelvuldig werd gekopieerd, is in het bezit van het Naturalis Biodiversity Center, Leiden. Klik op de foto voor het schilderij van Museum Boerhaave in hogere resolutie, en klik hier voor een overzicht van andere kopieën.

Tijdens onze zoektocht naar Einsteins vulpen in Museum Boerhaave stuitten we op een opmerkelijk schilderij van de Zweedse arts, botanicus, zoöloog en geoloog Carolus Linnaeus (Carl von Linné; 1707-1778), net als Einstein een regelmatig bezoeker van de Lage Landen. Linnaeus was de bedenker van de eerste systematische indeling (taxonomie) van al het destijds bekende leven op Aarde: planten, dieren, mensen. Zijn levenswerk, bekend geworden als Systema Naturae (Stelsel der Natuur), vormt tot op de dag van vandaag de wetenschappelijke basis voor de manier waarop het Aardse leven in verschillende rijken, afdelingen, klassen, ordes, families, geslachten en soorten wordt onderverdeeld. Het schilderij verbeeldt Linnaeus ten voeten uit, met in de rechterhand een versgeplukt Linnaeusklokje (Linnaea borealis), zijn favoriete plantje. Dit groenblijvende lid van de kamperfoeliefamilie groeit en bloeit tot ver boven de poolcirkel, en vormt in zijn eentje een (monotypisch) geslacht dat Linnaeus in de taxonomie naar zichzelf heeft vernoemd; op bijna elke afbeelding waarop hij voorkomt is ook dit plantje wel ergens te zien. Op dit schilderij is de botanicus van top tot teen gestoken in de traditionele kleding van de Saami, nomadische rendiervolken in het Scandinavische Hoge Noorden dat vroeger Lapland (Lapponia) werd genoemd en tegenwoordig Sápmi heet. Aan Linnaeus riem hangen, naast enkele wetenschappelijke instrumenten, een jachtmes en twee buidels met symbolen die we ook tegenkomen in Scandinavische rotstekeningen uit de prehistorie; de riem zelf is daar eveneens mee versierd. Maar het schilderij trok toch vooral mijn aandacht door het voorwerp dat Linnaeus in zijn linkerhand heeft: een kleine platte trommel die is voorzien van een traditionele (en zeer specifieke) voorstelling van de Vier Werelden met de Zon als middelpunt. Die tekening onderscheidt de trom in een oogopslag van zomaar een trommel. Het gebruik van zulke trommels is van oudsher exclusief voorbehouden aan sjamanen (noaidi); het zijn de instrumenten (‘voertuigen’) waarmee zij in de Andere Werkelijkheid kunnen reizen. Deze speciaal voor (en/of door) sjamanen gebouwde en beschilderde trommels worden als bezield beschouwd, ze zijn strikt persoonlijk, niet te koop en worden ook nooit zomaar weggegeven; zo’n trommel in handen van een godsvruchtig en belijdend wetenschapper als Linnaeus is alleen al daarom uiterst curieus. Hij noemde zijn trommel een runentrom (Zweeds: ‘runebom’), etnografen uit zijn tijd spreken van ‘trolltrumma’, trollentrommels. Linnaeus bleek reuze fier op zijn exemplaar, net als op de andere Saami attributen die hij in 1732 op zijn eerste onderzoeksreis door Sápmi verzameld had. Toen hij in april 1735 naar Nederland vertrok, voor zijn promotie tot doctor in de geneeskunde aan de Universiteit van Harderwijk en de publicatie van de eerste editie van Systema Naturae, had hij zijn hele verzameling Saami spullen bij zich. Hij droeg zijn ‘Laplandse dracht’ tijdens de promotie in Harderwijk, bij colleges en voordrachten, en in Hamburg voerde hij tijdens zo’n voordracht zelfs een sjamaanse ‘seance’ met de trommel uit (N. Zorgdrager, 2008).

Noorse prent van een trommelende sjamaan en zijn hulpgeesten. De prent is onderdeel van de digitale presentatie The Northern Lights (Universiteit van Tromsø), zonder bronvermelding of datering. Het onderschrift vermeldt verder: “De missionarissen verbrandden de trommels omdat ze werden gezien als instrumenten van de Duivel. De spirituele gidsen van de sjamaan werden als kwade geesten beschouwd.”

Over de herkomst van zijn runebom blijft Linnaeus echter in het vage, zowel in het reisverslag voor de Wetenschappelijke Sociëteit als in enige andere publicatie, waarvan hij er in de loop van zijn leven nog vele het licht zal doen zien, rept hij er met geen woord over. Als hij in 1732 bij de Noorse Bergsaami (rendierhoeders) verblijft, schrijft hij alleen een losse opmerking in zijn dagboek: “Ik hoorde een vreemd verhaal van iemand die trommels bij de Lappen weghaalde, samen met bepaalde afbeeldingen. Als hij op een trommel stuitte, gaf hij de Lap opdracht hem af te staan maar de Lap weigerde.” Over het rituele gebruik van zulke trommels zitten er alleen wat losse aantekeningen in Linnaeus ongepublceerde nalatenschap, waarschijnlijk samengevat uit een niet meer te achterhalen origineel: “Dan wordt een Laps lied op de trommel geslagen Hoor het sparrenhout zingen en galmen, de goede rendierhuid dreunt, de runen hier zijn runenbanden [onleesbaar] en een toegewijd lied van de Laplander”, gevolgd door: “Een ring, een slang of een kikker wordt op de trom gelegd en hij slaat met een hamer tot hij stopt bij een of ander dier, dan voorspelt hij iets. Runentrommel Aangeschaft”. Linnaeus kreeg zijn trommel, die overigens aan de achterkant is gesigneerd door zijn oorspronkelijke eigenaar, ‘Anders Nilsson i Graan’ (uit Granbyn)1, zeer waarschijnlijk van Georg Wallin jr., zoon van de eminente en invloedrijke Lutherse bisschop Georg Wallin sr., die in 1715 door zijn vader op inspectie naar de Saami van Lycksele werd gestuurd. Daar raakt de jonge Wallin geïnteresseerd in de oude tradities van de noaidis, niet het minst in hun trommels – een ontwikkeling die kennelijk meer van de religieus-politieke toezichthouders in Saamiland overkwam. Lang niet alle geconfisqueerde heidense rituele voorwerpen blijken ook daadwerkelijk vernietigd te zijn, in de depots van vele etnografische en andere musea – in Scandinavië en elders – zijn ze in ieder geval nog altijd volop terug te vinden, vaak eeuwenoud. Linnaeus schonk zijn trommel uiteindelijk aan het Musée Nationale de France in Parijs, dat hem na verloop van tijd ruilde met het Nationaal Historisch Museum in Stockholm ruilde voor een aanzienlijke verzameling Saami kunstvoorwerpen. In 1933 verhuist de trom opnieuw: nu naar het depot van het Linnaeus Museum in Uppsala, waar hij nog altijd verblijft – onzichtbaar voor en inmiddels vrijwel onbekend bij een groter publiek.

‘De Levenswijze van de Laplanders’, illustratie in Deel I van The English Atlas, uitgegeven door Moses Pitt (1680); boven zien we een momentopname van de zomer, op de traditionele ontmoetingsplaats bij de kerk, onder een jagerskamp in de winter. Aan het waarheidsgehalte van de afgebeelde scenes kan worden getwijfeld, maar opvallend is dat zowel in de zomer als in de winter heidense rituelen zijn afgebeeld. Buiten de kerk worden ’s zomers een menselijke schedel en een drietal potten op pilaren aanbeden; ook zijn een aantal naakte gevangenen en een schavot met drie afbeeldingen van demonen en hakblokken voor onthoofdingen afgebeeld. In het winterkamp zien we bij de linkertent een noadi met zijn hulpgeest (een rendier), en een andere die met zijn trommel een sceance bij een cliënt uitvoert. Ook wordt een ritueel met een grote staande trommel uitgevoerd. Bron: Norsk Folkemuseum – Saamiblog. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Dat Linnaeus nauwelijks iets vertelt over zijn runentrommel of andere magische kunsten van de noaidi is overigens volkomen verklaarbaar. Hij is tenslotte de zoon van een zeer invloedrijke geestelijke en predikant, en ook zelf een overtuigd en belijdend christen met goede connecties in de Lutherse geestelijkheid in Zweden. Zijn reis door Sápmi maakt hij door van kerk naar kerk te trekken, en onderweg verblijft hij doorgaans in een pastorie of bij andere notabelen – dus niet in de nomadententen van de Saami zelf. De bekering tot het christendom van deze laatste Scandinavische heidenen (verwant aan ‘etnisch’, afgeleid van heiðni, heithni: ‘het oorspronkelijke geloof’; Grieks: εθνικος, ethnikos: ‘het volk eigen’; Latijn: ethnicus) in de barre, spaarzaam bevolkte arctische wildernis van Sápmi lijkt in de eerste helft van de 18e eeuw trouwens een voldongen feit, zeker op papier. De traditionele ontmoetingsplaatsen, die de Saami vaak al millennia lang gebruikten voor uitwisseling, handel en (vaak rituele) samenkomsten, zijn dan in elk geval allemaal voorzien van een kerk met pastorie, een politiepost met cellenblok en een belastingkantoor.

De wereldberoemd geworden tekening van een Tunguz sjamaan, een met de Saami vergelijkbare cultuur van jagers en verzamelaars uit Noord-Siberië, gemaakt door cartograaf, verzamelaar, schrijver, diplomaat en (uiteindelijk) burgemeester van Amsterdam Nicolaes Witsen, eind 17e eeuw. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Desondanks moeten we aannemen dat ook in Linnaeus’ tijd (en ver daarna) de voorchristelijke tradities en opvattingen van de Saami, onder het oppervlak en onttrokken aan het toeziend oog van kerk en staat, toch nog springlevend waren. Dat bewijzen bijvoorbeeld de beschrijvingen en illustraties van 17e-eeuwse schrijvers en cartografen als de Engelse Moses Pitt, maker van The English Atlas, of de Nederlander Nicolaes Witsen, de cartograaf, schrijver, diplomaat en verzamelaar die zijn carrière zal voltooien als burgemeester van Amsterdam. Uit hun prenten en beschrijvingen blijkt zonneklaar dat de rituelen van traditionele nomaden als de Saami, die al in de middeleeuwen door christelijke kroniekschrijvers in Scandinavië waren opgetekend, een kleine duizend jaar na kerstening van de eerste Vikingkoningen nog lang niet zijn uitgeroeid. In veel reisbeschrijvingen en atlassen zien we afbeeldingen van noaidis met trommels; het vereren van afgodsbeelden, heidense altaren, heilige rotsen en berggeesten lijkt schering en inslag. Waarschijnlijk doet ook in Linnaeus’ tijd de omschrijving nog opgeld die de Deense geschiedschrijver en theoloog Saxo Grammaticus (Saxo de Geletterde, ca. 1150 – ca. 1208) van de Saami geeft in zijn zestiendelige kroniek Gesta Danorum, Daden der Denen: “Bekwame tovenaars en voortreffelijke jagers”. En ook de woorden van de Duitse missionaris, theoloog en kerkelijk kroniekschrijver Adam van Bremen (vóór 1050 – 1081/1085), auteur van de Gesta Hammaburgensis Ecclaesiae Pontificum (Daden der Bisschoppen van de Hamburgse Kerk)2 zullen vast en zeker in de 18e eeuw ook nog hout hebben gesneden: “Alle inwoners van Noorwegen zijn vrome christenen, behalve degenen die het hoge Noorden bewonen. Deze mensen zitten zo boordevol tovenarij en gegoochel dat zij beweren dat ze van iedere persoon op de wereld weten wat hij aan het doen is. Ze kunnen grote zeewezens laten stranden door simpelweg wat magische spreuken te mompelen.”

Twee illustraties uit Cérémonies et Coutumes Religieuses de Tous les Peuples du Monde, van de Frans-Nederlandse graveur Bernard Picart (1725). Boven wordt een offer gebracht aan de god Tiermes of Thora Galles (Grootvader), die bij de Vikingen bekend stond als Ðor en bij de Germanen als Donar. Onder wordt gebeden bij Sieidi of Seidda stenen: grote rotsblokken in de vorm van mensen of dieren die soms op natuurlijke wijze zijn gevormd, en soms door mensenhand uitgehakt of bijgewerkt. In Nederland zijn vergelijkbare veldkeien in een aantal hunebedden verwerkt. Bron: Saamiblog.

Het feit dat Linnaeus zich zo prominent en ten voeten uit in traditionele Laplandse dracht laat afbeelden, voorzien van heidense symboliek en met een authentieke trollentrommel in zijn hand, kan worden opgevat als een niet al te heimelijke stellingname tegen de heersende maatschappelijke (en kerkelijke) moraal van zijn tijd. Volgens die moraal werden nomadische ‘wilden’ als de Saami beschouwd als primitief en minderwaardig, en behoorde het tot de taak van beschaafde christenmensen om hen te verheffen tot godvrezende, hardwerkende en vooral nederige onderdanen van koningen en aartsbisschoppen, die zich zonder morren voegen naar het van God gegeven gezag. Die beschaving kon de wilden worden aangeleerd met kracht van argumenten en stevig aandringen, en als ze niet wilden luisteren met harde hand en zo nodig grof geweld. Als vanaf het einde van de 15e eeuw door zeevaarders in dienst van allerlei koningen steeds meer gebieden in Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Azië en tenslotte Australië onder Europees gezag worden gebracht, zien we vergelijkbare bekerings- en beschavingsoffensieven ook daar schering en inslag worden (zie deel VII, Levensruimte). Toch mogen we gevoeglijk aannemen dat een man als Linnaeus, toch een devoot christen, zich tijdens zijn reizen door Sápmi weinig gelegen liet liggen aan het beschaven der wilden. Dat heeft wellicht te maken met zijn opvatting (kennelijk eveneens gevormd door zorgvuldige waarneming), dat alles wat zich in het Aardse tranendal bevindt en afspeelt onvervreemdbaar deel uitmaakt van Gods schepping, zowel het allerkleinste als het allergrootste – en alles wat daar tussen ligt – zijn het gevolg van Zijn wil en oordeel. Dat geldt dus ook voor de Saami met hun afwijkende zeden en gewoonten; zij behoren evenzeer tot de werken Gods als het christendom of het planten- en dierenrijk, en als we dat niet kunnen begrijpen (of willen aanvaarden) dan ligt dat aan ons en niet aan de Saami. Volgens Linnaeus, strak in de leer als hij is, hoeven gewone stervelingen in feite geen oordeel te vellen over de moraliteit van andere stervelingen. Dat kan God namelijk heel goed zelf en waarschijnlijk beter: Hij straft onmiddellijk en wie goed oplet kan zelf waarnemen hoe effectief Hij daar voortdurend mee bezig is. In een verzameling notities en anekdotes onder de titel Nemesis Divina (Gerechtigde Wrake Gods, Nemesis was de Griekse wraakgodin en een dochter van Zeus) toont Linnaeus zich zo’n oplettende waarnemer. Aan de hand van Bijbelteksten en tal van praktijkvoorbeelden – waarvan een groot aantal uit zijn directe omgeving – probeert hij de onontkoombaarheid van Gods oordeel en straf inzichtelijk te maken. In deze bundel aantekeningen en anekdotes, pas een eeuw na zijn dood in druk verschenen en oorspronkelijk alleen opgeschreven als morele leidraad voor zijn zoon Carl jr. die hem uiteindelijk zal opvolgen als hoogleraar aan de Universiteit van Uppsala), trekt een stoet van (vaak notabele) echtbrekers, rovers, moordenaars, geldwolven en politieke intriganten aan de lezer voorbij. Allemaal worden ze op een of andere manier door het noodlot getroffen: ziekte, waanzin, ongeluk, verlies van bezittingen, een voortijdige dood, enzovoort; in het originele handschrift worden ze allemaal met naam en toenaam genoemd. Velen behoren tot alom gerespecteerde en beroemde Zweedse families, en Linnaeus beschouwt hun lotgevallen als onomstotelijk bewijs van Gods strikte rechtvaardigheid: Hij velt zijn oordelen zonder zich iets van menselijke naam en faam of andere opvattingen aan te trekken, zonder aanzien des persoons maakt Hij korte metten met wat Hem onwelgevallig is. Linnaeus geloofde dat alles, dus ook iets als heidendom, deel uitmaakt van de absolute, alles beheersende Goddelijke orde waar mensen geen invloed op kunnen hebben – dus ook niets aan kunnen veranderen. Het is deze Goddelijke orde die zijn nieuwsgierigheid heeft gewekt, en die hij koste wat het kost wil doorgronden, beschrijven en ordenen – een taak waar hij dan ook zijn hele werkzame leven aan heeft gewijd.

17-eeuwse ingang van de zilvermijn in de Nasaberg (Nasafjäll). Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

In het eerste kwart van de 18e eeuw, als Linnaeus door Sápmi reist, zijn de christelijke bekeringsoffensieven onder de Saami pas luttele decennia eerder op stoom gekomen. Hoewel er in de middeleeuwen al sprake zou zijn van gekerstende Saami, ze worden bijvoorbeeld genoemd door Adam van Bremen, moeten we er toch van uitgaan dat veruit de meeste Saami alleen op papier van overtuigd waren christenen waren. Dat het christendom nauwelijks tot de Saami was doorgedrongen is logisch. Zij bewonen niet alleen een barre, voor buitenstaanders moeilijk te bereizen wereld van sneeuw en ijs die ’s zomers verandert in een van muggen vergeven landschap vol moerassen en woeste smeltwaterrivieren, ze zijn ook nog eens voortdurend onderweg, achter de rendierkuddes aan. Pas vanaf 1542 begint de Zweedse Vader des Vaderlands, koning Gustav I Wasa (1496-1560), werk te maken van het onderwerpen van Sápmi aan zijn gezag, onder het motto: “Al het ongebruikte land behoort tot God, aan ons en aan de Zweedse kroon, en verder aan niemand” – volgens de toenmalige opvattingen is land ongebruikt als er zich geen steden of dorpen met akkers en weiden op bevinden; rondzwervende wilde dieren of mensen tellen niet mee. In eerste instantie blijken er maar weinig Zweedse christenen bereid om het wilde land van de Saami voor hun koning te koloniseren, en van het gestructureerd kerstenen van de nomaden zelf komt het nauwelijks. Dat verandert in 1634, als in de berg Nasa (Nasafjäll) in de Pite Lappmark (in het zuiden van de huidige provincie Norrbotten) zilvererts wordt ontdekt. Volgens de Zweedse Rijkskanselier Axel Oxenstierna (1583-1654) is het God zelf die heeft toegestaan dat dit zilver werd ontdekt, zodat Zijn woord nu ook in Lapland kan worden verspreid en er scholen kunnen worden gesticht. Toen na enige tijd bleek dat de mijn een fiasco was (in de 24 jaar van zijn bestaan werd er slechts 861 kilo zilver uit gewonnen), werd er toch op aangedrongen hem open te houden, opdat: “Het dan mogelijk zal blijven om de Lappen daadwerkelijk Godvrezend te houden zodat zij hun afgoderij zullen verlaten”. Ook wordt verondersteld dat Saami door voortdurend contact met Zweedse kolonisten en mijnwerkers ‘moediger’ zullen worden, en sterker als ze alleen nog ‘Zweeds voedsel’ zullen eten. Saami worden dan wel gezien als ongeschikt voor het werk in de mijn zelf, want ‘zwak, wispelturig, langzaam en niet gewend aan hard werken’, maar ze zijn goed genoeg om (onder dwang) te worden ingezet voor het transport, met sleden en rendieren, van het gedolven erts naar de zestig kilometer oostwaarts gelegen smelterij in Silbojokk (Zilverbeek); als de Saami daarvoor al betaald kregen dan was het schamel en in natura: meel, zout, tabak en sterke drank. Die gedwongen extra werkzaamheden trekken een zware wissel op het toch al arbeidsintensieve en tijdrovende hoeden van de rendieren, de jacht en de visvangst; feitelijk de enige mogelijkheden voor de Saami in hun levensonderhoud kunnen voorzien omdat door het korte groeiseizoen in het Hoge Noorden landbouw en veeteelt daar (vrijwel) niet mogelijk zijn. Heel wat Saami zien weliswaar kans om uit handen van de ronselaars te blijven door op tijd met hun kuddes naar Noorwegen uit te wijken, maar voor degenen die achterblijven is werkweigering geen optie. Onwilligheid wordt zwaar gestraft: “We bonden ze aan boomstammen, gooiden ze een paar keer in de stroomversnelling en haalden ze dan omhoog om het water weer uit hun mond te laten lopen, zodat iedereen die in de mijn werkte zich weer bewust was van de situatie”, staat in een gerechtelijke verklaring die werd opgetekend nadat de mijn in 1659 tijdens een invasie van Noorse troepen was geplunderd en verwoest. De zware tol die de gedwongen ertstransporten tussen 1635 en 1659 van de Saami eisten, was goed zichtbaar. De route tussen Nasafjäll en Silbojokk werd in die jaren beschreven als: “Aan weerszijden bedekt met verbleekte rendierskeletten”.

Kalkstenen wijaltaar van de Keltisch-Germaanse vruchtbaarheidsgodin Nehalennia. Zij was de beschermvrouwe van zeelieden en handelaars en is hier in Romeinse stijl afgebeeld met de hoorn des overvloeds, een rijkgevulde fruitmand en een hond; het altaar is oorspronkelijk afkomstig uit de eveneens in Romeinse stijl gebouwde tempel voor Nehalennia in Ganuenta op Noord-Beveland, tussen 150 en 250 AD. Deze votiefsteen werd, net als vele andere afbeeldingen van de godin, vaak door vissers teruggevonden op de bodem van de Oosterschelde. Zij doen vermoeden dat de verering van Nehalennia ook in de Romeinse tijd in deze contreien nog springlevend moet zijn geweest. Dit altaar bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden en was tot voor kort te zien in het Zeeuws Museum in Middelburg. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Na de eerste vondst in 1634 worden op steeds meer plaatsen in Sápmi metaalertsen ontdekt: zilver, lood, ijzer, nikkel. Steeds meer kolonisten en gelukzoekers trekken naar het Hoge Noorden, met in hun kielzog de priesters en de ambtenaren. Overal waar ze komen worden kerken gebouwd en scholen gesticht; op steeds meer plaatsen in Sápmi worden de spirituele gezangen (joiks) van de noadis verboden, hun trommels en andere rituele voorwerpen worden actief opgespoord, in beslag genomen en in het openbaar verbrand. Als betrapte noaidis blijven volharden in hekserij of waarzeggerij kunnen zij tot lange gevangenisstraffen en uiteindelijk zelfs ter dood worden veroordeeld. Maar hoe draconisch ook, in het algemeen levert dit beschavingsoffensief weinig meer op dan een camouflagenet van christelijke schijn, dat een in het geheim springlevend gebleven heidendom bedekt. Het veranderen (of uitroeien) van voorchristelijke spirituele gebruiken (religie), vaak overgeleverd in de loop van vele millennia, is tenslotte altijd en overal een moeizaam karwei gebleken (in deel III, Godes Dienst, zullen daarvan nog veel meer voorbeelden worden opgesomd). Het afdwingen van nieuwe vormen van beschaving door een nieuwe religieuze cultus tot het ‘enige ware (lees: toegestane) geloof’ te bombarderen is een typerend uitvloeisel van Joods-christelijke levensbeschouwing – al werd het later ook in andere tradities geïntegreerd (bijvoorbeeld in orthodoxe richtingen binnen de islam, het hindoeïsme in India en in bepaalde stromingen van het boedhisme, wat recentelijk nog leidde tot het verdrijven en deels uitroeien van de merendeels islamitsche Rohingya uit Myanmar). De voorchristelijke veroveraars van Europa, zoals de veldheer, consul, imperator en dictator van Rome Gaius Iulius Ceasar (100-44 v.C.) en zijn opvolgers (die zich Augustus noemden, de Verhevene), onthielden zich van het onder dwang opleggen van de eigen religieuze gebruiken toen zij de barbaarse stammen van Gallië, Brittannië en delen van Germanië aan het Romeinse gezag onderwierpen. De leiders van de onderworpen stammen kregen een (eeuwigdurend) verdrag voorgelegd, een foedus, dat vaststelde hoeveel troepen er aan de Romeinse legioenen moesten worden geleverd en hoeveel belasting er moest worden betaald. Ondertekenaars van de foedus en hun onderdanen kregen de status van foederati, leden van de federatie, weliswaar geen volwaardig Romeins staatsburger, maar ze genoten wel de bescherming van Rome en werden in elk geval niet verpletterd of uitgeroeid zoals doorgaans gebeurde met degenen die zich bleven verzetten. Bij de foederati mocht alles verder blijven zoals het was: cultuur, spirituele tradities en het lokale pantheon, zolang de barbaren zich maar schikten naar de nieuwe orde en zonder morren voldeden aan hun verplichtingen uit de foedus. Wie de goden van zijn voorouders wilde aanbidden werd geen strobreed in de weg gelegd – zelfs in de geromaniseerde Joodse staat Judea werd Jezus (Aramees: Yeshua, Hebreeuws: ישוע) van Nazareth in de eerste plaats om zijn vermeende politieke ambities en niet om zijn godsdienstige vernieuwingsdrang door de Romeinse prefect Pontius Pilatus gekruisigd; volgens de evangelisten uit het Nieuwe Testament hing boven zijn hoofd een bordje met de letters INRI, wat stond voor: ‘Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum’, Jezus uit Nazareth, Koning der Joden (ook over de wisselwerking tussen religie, politiek en bruut geweld leest u in deel III, Godes Dienst).

Moderne reconstructie van de Gallo-Romeinse tempel van Nehalennia bij de jachthaven van het (overwegend protestants-christelijk gereformeerde) Colijnsplaat op Noord-Beveland. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

In de meeste andere door Rome bezette gebieden richtten de oude religieuze tradities zich doorgaans al snel naar het model van de nieuwe machthebbers, zonder al te veel inhoudelijke aanpassingen – niet in de laatste plaats onder invloed van Romeinse kolonisten die zich al snel in deze nieuwe ‘koloniën’ vestigden: bestuurders en hun ambtenaren, handelaars, kooplieden en natuurlijk de Romeinse veiligheidstroepen (legioenen) die rust en orde moesten handhaven. Al snel na het eerste verschijnen van Ceasars legers in de Lage Landen rond 53 v.C., een vier jaar durende veldtocht waarbij talloze Keltische en Germaanse gemeenschappen werden afgeslacht, verrezen bijvoorbeeld in Ganuenta, bij Colijnsplaat op de Scheldekust van Noord-Beveland, en bij Domburg op Walcheren grote tempels in Romeinse stijl voor de Keltisch-Germaanse vruchtbaarheidsgodin Nehalennia, traditioneel de beschermvrouwe van zeelieden en handelaars. Zelfs de grootste in Romeinse stijl gebouwde tempel ten noorden van de Alpen, in Elst bij Nijmegen, was gewijd aan de lokale (Bataafse) variant van een Germaanse god: Donar, ᚦᛟᚾᚨᚱ of Ðor, Hercules Magusanus in het Latijn; ook in Empel bij ‘s-Hertogenbosch stond een tempel voor deze god van donder en bliksem die de mensen beschermde tegen het kwaad.

Albert Einstein en zijn zuster Maja Winteler tijdens een bezoek aan het Palestijns Paviljoen van de Wereldtentoonstelling in New York, 1939. Bron: nrc.nl. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Voor we dieper ingaan op de handel en wandel van Romeinse beschavers keren we nog even terug naar Albert Einstein, de immer nieuwsgierige waarnemer, natuurwetenschappelijk grensverlegger en hartstochtelijk denker over de natuur van God, en vergelijken we zijn religieus-filosofische opvattingen met die van Carolus Linnaeus, de koppige pionier en omvormer van Gods natuurlijke orde, overtuigd christenmens en openlijk bewonderaar van heimelijke heidenen. Waar Linnaeus gedurende zijn lange carrière strikt bleef vasthouden aan de traditionele opvatting dat een almachtige God voortdurend ingreep in het reilen en zeilen van Zijn schepping, verklaarde Einstein openlijk (en bij tal van gelegenheden) dat hij de christelijke leer nogal naïef en kinderachtig vond en niet kon geloven in het bestaan van zo’n Opperwezen dat in de hemelen troont en de scepter zwaait over mensheid en wereld. Over zijn persoonlijke religieuze opvatting zei Einstein ooit: “Ik geloof in de God van Spinoza die zich uitdrukt in de ordelijke afstemming van alles wat bestaat, niet in een God die zich bemoeit met het lot en de daden van menselijke wezens.” Daarmee wees hij overigens niet het bestaan van religieuze en mystieke gevoelens af, integendeel zelfs, volgens Einstein vormen ze een drijvende kracht achter kunst en wetenschap: “De mooiste en meest intense ervaring is de gewaarwording van het mystieke. Zij is de zaaier van werkelijke kunst en wetenschap. Degene aan wie deze emotie vreemd is, die zich niet langer kan verwonderen en vol ontzag stilvallen, is zo goed als dood. Te weten dat werkelijk bestaat wat ondoorgrondelijk voor ons is, dat wat zich uitdrukt als de hoogste wijsheid en de stralendste schoonheid die met onze onbenullige vermogens slechts in primitieve gedaante kunnen worden bevat – dit besef, dit gevoel staat centraal in ware godsvrucht.” (Living Philosophies, Albert Einstein 1931). In zijn jeugd was dat niet anders. Einsteins zuster – en grootste vertrouweling – Maja herinnert zich: “Hij was zo vurig omtrent zijn religieuze gevoelens dat hij uit zichzelf de [Joodse] religieuze voorschriften tot in elk detail volgde. Hij at bijvoorbeeld geen varkensvlees. Hij deed dat vanuit zijn geweten, niet omdat zijn familie hem het goede voorbeeld gaf. Hij bleef jarenlang trouw aan deze zelfgekozen levenswijze. Later maakten deze religieuze gevoelens plaats voor filosofische gedachten, maar een absoluut strikte loyaliteit aan zijn geweten bleef een leidend motief.” (Einstein’s Religiosity and the Role in His Private Life, Princeton University Press).

De moeder en vader van Linnaeus, Christina Brodersonia en Nils Linnaeus, afgebeeld door onbekende schilders in de 18e eeuw. De schilderijen zijn te zien in Linnaeus’ zomerhuis in Uppsala (Linnaeus Hammarby). Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Linnaeus, immers zoon van een vooraanstaande Lutherse predikant, kreeg zo’n ‘goede voorbeeld’ wél van huis uit mee – en hield er zijn hele leven aan vast. Desondanks volgde ook hij, net als Einstein, zijn geweten en liet hij zich leiden door de eigen waarneming. Hoewel hij zijn rotsvaste geloof in de Joods-christelijke scheppingsmythe levenslang overeind wist te houden, waarbij hij zich regelmatig in allerlei moeilijke bochten moest wringen om zijn voortschrijdende wetenschappelijke inzichten met dat geloof in overeenstemming te brengen, liet Linnaeus zich in voorkomende gevallen niet veel gelegen liggen aan starre theologische dooctrines en bijbehorende culturele vooroordelen van zijn tijd. Dat bleek niet alleen uit het openlijk koketteren met zijn sjamaantrommel en de ‘Lappendracht’, maar ook uit het wetenschappelijke werk waarmee hij eeuwige roem zou vergaren.

De taxonomische klasse der Quadrupedia en de orde der Anthropomorpha uit Linnaeus’ indeling van het dierenrijk in de eerste editie van Systema Naturae. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor een weergave van de hele pagina in hoge resolutie.

In 1735 verscheen – in Leiden – de eerste editie van Systema Naturae (Indeling van de Natuur), twaalf pagina’s in dubbel folio waarin Linnaeus alle hem dan bekende planten en dieren op grond van hun uiterlijke kenmerken indeelt in verschillende rijken, klassen, ordes, geslachten en soorten. Elke soort geeft hij een wetenschappelijke naam, bestaande uit twee (Latijse) woorden die zowel het geslacht als de soort aangeven. Systema Naturae zou uiteindelijk dertien edities krijgen (de laatste verscheen 1788, tien jaar na zijn dood) en telde uiteindelijk tien delen met in totaal ruim 6250 pagina’s. Dit levenswerk van Linnaeus, en dan vooral zijn systematische en uiterst consequente manier van naamgeving aan alle levende soorten op Aarde, vormt tot op de dag van vandaag de absolute standaard van de wetenschappelijke nomenclatuur van het leven op Aarde. Nieuw ontdekte soorten krijgen hun Latijnse namen nog altijd op Linnaeaanse wijze: de geslachtsnaam gevolgd door een soortnaam, die al dan niet kan worden opgedragen aan bijvoorbeeld de ontdekker van de soort, of aan een beroemdheid. Zo kregen vijf verwante oranje penseelschimmels, voor het eerst beschreven in 2013, de wetenschappelijke namen Penicillum vanoranjei, P. maximae, P. amaliae, P. alexiae en P. arianeae: biologische nomenclatuur-met-een-knipoog ter ere van Willem-Alexander, Prins van Oranje (en zijn gezin), die in datzelfde jaar tot koning der Nederlanden werd gekroond.

Al meteen bij de eerste editie baart Systema Naturae flink wat opschudding, zowel onder vakgenoten als vooral ook in theologische kring. Het werk is in de eerste plaats controversieel door Linnaeus’ geheel vernieuwde indeling van Regnum Animale, het dierenrijk. De eerste klasse binnen dat rijk noemt hij ‘Viervoeters’ (Quadrupedia), herkenbaar aan: “Een harig lijf, vier poten, levendbarende vrouwen, geven melk (lactiferae)”. Bovenaan in die klasse staat volgens Linnaeus de orde der Anthropomorpha, dieren “met mensachtig uiterlijk” waarin de geslachten Homo (mensen), Simia (apen) en Badrypus (drietenige luiaards) op één hoop zijn geveegd. Daarmee verliest de mens zijn unieke status in het geheel van Gods schepping; hij staat weliswaar op de eerste plaats in de ranglijst, maar moet volgens Linnaeus toch onmiskenbaar bij de dieren worden ingedeeld. Onmiddellijk barst een storm van kritiek los. Naturisten en dierkundigen betogen dat het onlogisch is om de mens te beschrijven als een wezen ‘met mensachtig uiterlijk’, theologen zijn van mening dat een indeling van de mens bij de apen hem ontdoet van de hogere spiritualiteit die God hem bij de schepping als exclusieve eigenschap heeft meegegeven. Bovendien leert de Bijbel dat God de mens gemaakt heeft naar Zijn evenbeeld, dus als mensen en apen niet apart van elkaar in het leven geroepen zijn moet dat betekenen dat de apen – en zelfs luiaards, als we Linnaeus mogen geloven – eveneens naar Gods evenbeeld geschapen zouden zijn – blasfemie en ketterij van heb ik jou daar. Linnaeus verweert zich tegen die kritiek door fijntjes op te merken dat hij slechts de natuur beschreef zoals hij die in de werkelijkheid van Gods schepping had waargenomen, en betoogt verder dat de zuiver anatomische verschillen die hij tussen mensen en dieren kon vinden te klein waren om een apart rijk voor de mens te kunnen rechtvaardigen. In zijn (niet in druk verschenen) aantekeningen over natuurlijke voeding (Diaeta Naturalis, bijgehouden tussen 1733 en 1742), schrijft hij ergens: “Men zou er goed aan doen zijn gramschap niet op de dieren af te reageren. De theologie schrijft voor dat de mens een ziel heeft en dat dieren louter automata mechanica [mechanisch automaat] zijn, maar ik geloof dat het beter is om te suggereren dat dieren een ziel hebben en dat het verschil [tussen mens en dier] alleen een kwestie van adeldom is.”. Aan zijn prominente vakgenoot en criticus Johann Georg Gmelin, een Duitse naturalist, botanist, arts en geograaf, schrijft Linnaeus: “Ik daag u en de wereld uit mij een generiek verschil tussen mensen en Simia te tonen dat voortvloeit uit de principes van de Natuurlijke Historie. Ik heb er niet één gevonden. Kon iemand me er maar één noemen! Als ik de mens een Simia had genoemd of andersom, zouden alle theologen zich tegen me hebben gekeerd. Misschien had ik dat moeten doen, bij de gratie van de wetmatigheden van mijn vakgebied.”

Boven: Romulus en Remus door Peter Paul Rubens, geschilderd tussen 1615 en 1616. Links de ouders, de oorlogsgod Mars en de Vestaalse maagd Rhea Silvia, rechts de herder Faustulus die de peuters zou vinden en in zijn gezin verder opvoedde tot ‘gewone’ mensen. Bron: Wikimedia Commons. Onder: De primitieve wezens die volgens Linnaeus als Anthropomorpha ‘met een mensachtige gestalte’ moeten worden geclassificeerd. V.l.n.r.: Troglodyta Bontii, Lucifer Aldrovandi, Satyrus Tulpii, Pygmaeus Edwardi. De tekening is gemaakt door Linnaeus’ leerling Christian Emmanuel Hoppius, in: Amoenitates Academicae deel VI, Stockholm 1763. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeeldingen voor hogere resolutie.

In Systema Naturae verdeelt Linnaeus de soort Homo sapiens nog in vijf ondersoorten – dus niet in rassen, een begrip dat pas een ruime eeuw later zal worden geïntroduceerd. Als een zeer zeldzame ondersoort beschrijft hij Homo ferus (‘wilde mens’), mensen die als peuter of zelfs zuigeling op een of andere manier in de wildernis terecht kwamen, waar ze door een of ander beest werden gevonden en opgevoed; als voorbeelden noemt hij, naast een Litouwse berenjongen en enkele wolfskinderen uit Hessen en de Pyreneeën, eveneens de tweelingbroers Romulus en Remus, die volgens de klassieke mythe, opgetekend door de Romeinse schrijver Publius Vergilius Maro in zijn epos Aeneis, door oorlogsgod Mars middels verkrachting waren verwekt bij de Vestaalse maagd Rhea Silvia, die door haar oom, de koning, ter dood werd veroordeeld omdat ze klaarblijkelijk haar kuisheidsgelofte had verbroken. Ook gaf de koning twee dienaren opdracht de pasgeboren tweeling te doden, maar toen het erop aankwam konden ze dat niet over hun hart verkrijgen. Zij verborgen de zuigelingen in een met pek waterdicht gemaakte rieten mand die zij in de buiten haar oevers getreden rivier de Tiber legden; de overeenkomst met het verhaal van Mozes uit de Joodse Torah (en later ook het christelijke Oude Testament) is frappant. Toen het waterpeil van de rivier weer daalde kwam de mand onder een vijgenboom op het droge terecht, waar hij werd gevonden door een wolvin die de tweeling verder zoogde en groot bracht. Tenslotte werden Romulus en Remus gevonden door de herder Faustulus, die hen opnam in zijn gezin. Eenmaal volwassen vernamen zij hun ware afkomst en besloten zij wraak te nemen. Zij doodden de koning, en op de plaats waar ze gevonden waren stichtten ze een eigen stad die tot Rome zou uitgroeien.

De vier andere ondersoorten van Homo die Linnaeus in Systema Naturae onderscheidt zijn verre van zeldzaam. Ze worden ingedeeld op grond van hun (continentale) afkomst en huidskleur, en beschreven aan de hand van hun vermeende levenshouding. Linnaeus onderscheidt achtereenvolgens Homo europaeus albus, Europees wit (“zachtaardig en inventief”), americanus rufus, Amerikaans rood (“koppig, vrolijk en opvliegend”), asiaticus luridus, Aziatisch vaalgeel (“bleek, hebzuchtig en gemakkelijk afgeleid”), en africanus niger, Afrikaans zwart (“flegmatiek, uitgeslapen en nalatig”). In de eerste editie van het werk worden naast viervoeters (zoogdieren) niet alleen vogels, amfibieën, vissen, insecten en wormen – in die volgorde – ingedeeld, maar figureert ook nog een extra – losstaande – klasse van levende wezens die Linnaeus weliswaar zelf nooit gezien heeft, maar waarvan hij het mogelijke bestaan ontleent aan oude geschriften of waarnemingen van ontdekkingsreizigers; hij noemt ze de Paradoxa (fabeldieren en monsters) en brengt daar onder andere de hydra, feniks, satyr, eenhoorn, draak en (vanaf de tweede editie) de sirene bij onder; weliswaar twijfelt hij zelf openlijk aan het bestaan van deze wezens, maar omdat hij dat niet kan bewijzen neemt hij ze voor de zekerheid toch maar op in Systema Naturae. Toen de burgemeester van Hamburg hem eens vol trots het skelet van een zevenkoppige hydra voor veel geld te koop aanbood, ontmaskerde Linnaeus het geval meteen als een ratjetoe van aaneengeplakte onderdelen van wezels, slangen en andere beesten. Hij vermoedde dat het gedrocht ooit was samengesteld door middeleeuwse monniken, die daarmee het bestaan van Het Beest uit het Bijbelboek Openbaring wilden bewijzen. Ergo: een woedende burgemeester, et exit hydra ex systema.

Later neemt Linnaeus ook nog vier ‘primitieve’ Anthropomorpha op in de orde waartoe ook de mens behoort en die hij inmiddels de naam Primates (primaten) heeft gegeven. In Amoenitates Academicae, een overzicht van het promotieonderzoek van zijn studenten dat voor het eerst verschijnt in 1749 en daarna steeds wordt aangevuld, noemt hij de ‘nachtmens’ Troglodyta Bontii, anatomisch moeilijk te onderscheiden van Homo sapiens en in de eerste eeuw na Christus beschreven door Plinius de Oudere, die hem troglodytes (grotbewoner) had genoemd – troglodytes is tegenwoordig de soortnaam voor de chimpansee (Pan trogodytes), die overigens niet in grotten bleek te wonen. Een ander dier met mensachtig uiterlijk is de ‘mens met een staart’ Lucifer Aldrovandi, die in 1645 als ‘vreemd gevormde aap’ was afgebeeld door de Italiaanse natuurvorser Ulysse Aldrovandi, waarschijnlijk was dit een gibbon. Ook vermeld wordt de ‘kromme aap met harige benen onder een kale buik’ Satyr Tulpii, ontleend aan het verslag van de ontleding van een ‘Indische satyr‘ door de 17e-eeuwse geneesheer (en later Amsterdams burgemeester) Prof. Nicolaes Tulp – Tulp werd beroemd als de docent die op het schilderij ‘De Anatomische Les‘ van Rembrandt van Rijn de arm van een geëxecuteerde misdadiger ontleedt, en zijn ‘satyr’ moet de vrouwelijke chimpansee zijn geweest die in 1630 of ’40 door een hoge VOC-ambtenaar uit West-Afrika was meegenomen als geschenk voor de menagerie van stadhouder Frederik Hendrik. Zij was waarschijnlijk de eerste mensaap die levend in Europa aankwam. Niet lang na haar aankomst in het veel te koude Nederland was ze overleden en op de snijtafel van prof. Tulp beland. De vierde primitieve mensachtige uit Amoenitates Academicae is de ‘harige aap met harige kop en omgedraaide armen’ Pygmæus Edwardi, zij was waarschijnlijk een gorillavrouw. Pas veel later zal blijken dat Linnaeus hier geen primitieve mensachtigen, maar de meest directe verwanten van Homo sapiens beschreef; zij vormen tegenwoordig een apart geslacht (superfamilie) binnen Linnaeus’ orde der Primates (voorheen Simia): de mensapen van Afrika en Azië, die in het Europa van de 18e eeuw – net als Homo ferus – alleen nog bekend waren uit oude geschriften en exotische legenden, sporadisch aangevuld met de zeldzame waarnemingen van ronddwalende (of verdwaalde) avonturiers en ontdekkingsreizigers in de oerwouden van Afrika en Indië. De ‘Indische satyr’ die zo tragisch eindigde op de snijtafel van prof. Tulp was destijds een unieke uitzondering, vast en zeker de reden dat de tekening van Satyrus Tulpii in Amoenitates Academicae de enige van deze vier ‘primitieve wezens met mensachtig uiterlijk’ is die we vandaag de dag meteen herkennen als een mensaap die werkelijk bestaat. De eerstvolgende mensaap die levend in Europa aankwam was – naar alle waarschijnlijkheid – een vrouwelijke orang-oetang uit Borneo, bestemd voor de menagerie van stadhouder prins Willem V. Zij arriveert daar in oktober 1776 en overlijdt drie maanden later. Linnaeus heeft haar niet meer kunnen bezoeken, laat staan bestuderen. Hij is dan al ernstig ziek, lijdt aan ischias en is twee jaar daarvoor na een beroerte deels verlamd geraakt. Precies een jaar na het overlijden van de eerste orang-oetang in Europa maakt een tweede beroerte ook een einde aan Linnaeus’ leven.

Twee pagina’s uit ‘De Revolutionibus Orbium Coelestium’ (Over de Omwentelingen van de Hemellichamen), door Nicolaas Copernicus uitgegeven in 1543. Boven: de titelpagina. Onder: tekening van het door Copernicus uitgeknobbelde heliocentrisch systeem, waarop (van boven naar beneden) een onbewweglijke sfeer van vaste sterren (Stellarum fixarum Sphaera Immobilis), Saturnus, Jupiter (Iovi), Mars (Martis), de Aarde en de daar omheen draaiende Maan (Telluris cum orbi Lunaris), Venus en Mercurius zich rond de Zon (Sol) bewegen. Klik op de afbeeldingen voor hogere resolutie.

Linnaeus was de eerste geleerde die er openlijk aan durfde twijfelen dat de mens door God boven de orde van alle andere schepselen op Aarde was verheven. Met deze – en andere – beweringen trad hij ver buiten de officiële doctrines en dogma’s van de theologie. Voor de kerkelijke autoriteiten, katholiek en protestants, was dat reden genoeg hem van samenwerking met de duivel te beschuldigen. Toch was hij niet de eerste wetenschapper die in conflict kwam met kerkelijke doctrines. Ruim een eeuw eerder was de eminente Toscaanse natuurkundige, astronoom, wiskundige en filosoof Galileo Galilei (1564-1642) al bijna wegens ketterij op de brandstapel beland. Galilei veronderstelde, voortbordurend op een oude hypothese van zijn Poolse vakgenoot Nicolaas Copernicus (1473-1543), dat niet de Aarde het stilstaande centrum van het universum is waar al het andere zich omheen beweegt, zon, maan, planeten en het uitspansel met de sterren, maar dat daarentegen de zon een middelpunt vormt waar zowel de Aarde en planeten omheen draaien. Deze revolutionaire (lees: ketterse) opvatting van Copernicus was volledig gebaseerd op ingenieus rekenwerk en werd verder niet door waarnemingen onderbouwd; zijn heliocentrische hypothese kon door kerkelijke autoriteiten dan ook gemakkelijk worden afgedaan als de wiskundige fictie van een verwarde filosoof3. De Duitse monnik Maarten Luther, een grondlegger van de Reformatie die tot de protestantse afsplitsing van de Roomse kerk zou leiden – en die zelf door veel katholieken als gevaarlijke ketter werd beschouwd – zei in een van zijn beroemde Tafelredes over Copernicus’ idee: “Er wordt gesproken over een nieuwe astroloog die wil bewijzen dat de Aarde beweegt en ronddraait in plaats van de lucht, de zon, de maan; alsof iemand die zich voortbeweegt in een rijtuig of op een schip denkt dat hij stilstaat terwijl de grond en de bomen lopen en bewegen. Maar zo gaat dat tegenwoordig: als een mens slim wil lijken moet hij iets speciaals uitvinden, en de manier waarop hij dat doet moet wel het beste zijn! Deze dwaas wil de hele kunst van astronomie op haar kop zetten. Echter, zoals de Heilige Schrift ons vertelt, bad Jozua dat zon zou stilstaan en niet de aarde.” (Luther refereert hier aan het Bijbelboek Jozua, 10:12-13). Ook andere prominente theologen, katholiek of aanhangers van de Reformatie als bijvoorbeeld Johannes Calvijn, schrijven het werk van Copernicus de grond in en daarmee lijkt de kous vooralsnog af – tot Galileo Galilei de draad zo’n 70 jaar later weer oppakt. Hij borduurt voort op de berekeningen van Copernicus, maar komt ook met een empirische bewijsvoering die is gestoeld op waarnemingen in de werkelijkheid, en die dus veel moeilijker als filosofische dwaasheid terzijde kunnen worden geschoven. In 1609 had Galilei op de markt een Hollandse kijker op de kop getikt en weten om te bouwen tot een instrument waarmee de hemellichamen, hun verschijningen en bewegingen langs het firmament in veel meer detail konden worden bestudeerd. Met deze telescoop ontdekte hij bijvoorbeeld dat de planeet Venus schijngestalten vertoonde, net als de Maan die bezaaid bleek met kraters, en dat er manen rond Jupiter draaiden. Na lang wikken en wegen besloot Galilei dat Copernicus het bij het rechte eind moest hebben gehad, en hij besloot zijn bevindingen te publiceren. Daarmee was de boot aan.

In 1616 wordt Galilei namens paus Paulus V voor de Romeinse Inquisitie gedaagd, de rechtbank die in opdracht van de Heilige Stoel moest oordelen over ketterij en daaraan gelieerde zaken als protestantisme, tovenarij, immoraliteit, blasfemie, bekering tot het Judaïsme en hekserij; ook de verbanning en censurering van ketterse geschriften viel onder haar jurisdictie. De rechtbank merkt het heliocentrisch wereldbeeld officieel aan als ‘een valse Pythagoreaanse (lees: heidense) doctrine, alles bij elkaar strijdig met de Heilige Schrift en een bedreiging voor het katholieke geloof’. Galilei wordt in eerste instantie niet veroordeeld, maar krijgt wel een verbod opgelegd op het verspreiden, in geschrifte of in gesproken woord, van het heliocentrisme; op overtreding van dit verbod zal onverbiddelijk een gevangenisstraf volgen. Het oorspronkelijke werk van Copernicus, De Revolutionibus Orbium Coelestium (Over de Omwentelingen van de Hemellichamen) uit 1543, wordt alsnog in de ban gedaan en mag pas weer verschijnen nadat de kerkelijke autoriteiten er enkele belangrijke wijzigingen in hebben aangebracht – zo verdwijnt de passage waarin Copernicus het heliocentrisme in overeenstemming met enkele significante Bijbelteksten probeert te brengen. Na deze uitspraak houdt Galilei zich enkele jaren koest, maar als in 1623 zowel paus Paulus V als zijn opvolger Gregorius XV zijn overleden, neemt een van Galilei’s voormalige bewonderaars, de machtige Toscaanse kardinaal Maffeo Barberini, die ooit zelfs een lofdicht aan Galilei en zijn ontdekkingen wijdde, als paus Urbanus VIII plaats op de Heilige Stoel. Omdat Galilei’s opvatting inmiddels, naast de nieuwe paus, ook steeds meer andere invloedrijke aanhangers heeft gekregen, zowel in wereldlijke als in kerkelijke kringen, kruipt hij ondanks zijn steeds verder verslechterende gezondheid weer beleefd en behoedzaam uit zijn schulp. Hij stuurt brieven rond waarin hij langs omwegen weer aan het heliocentrisme refereert, en werkt intussen aan een nieuw boek, in klassieke platonische dialoogvorm, waarin Aristoteles, Ptolemaeus en Copernicus in filosofische gesprekken de verschillende wereldbeelden onder de loep nemen. In tegenstelling tot Plato laat Galilei alleen dode denkers met elkaar discussiëren, zodat hij geen persoonlijke voorkeur hoeft uit te spreken. ‘Schrijven over’ is niet per definitie hetzelfde als ‘geloven in’, en dat laatste kon destijds zomaar tot branden op de brandstapel en in de hel leiden. In het manuscript komt eerst het oude geocentrische model, ontwikkeld door Aristoteles en verder uitgewerkt door Ptolemaeus aan de orde; daarop was het kerkelijk dogma gebaseerd. Met kracht van argumenten wordt daar vervolgens het heliocentrisch model tegenover gezet als logischer (en beter) alternatief, dat ook nog eens zonder al te veel moeite met de tekst van de Heilige Schrift in overeenstemming kan worden gebracht. Tenslotte vliegt er nog een duif uit de hoge hoed: de drie filosofen behandelen nog een nieuwe theorie over de getijden (eb en vloed), en concluderen dat ze die vanuit het heliocentrisch model goed zouden kunnen verklaren. Alles wordt gepresenteerd als een een serie fictieve gedachte-experimenten, over de waarheid van de werkelijkheid worden geen uitspraken gedaan.

De eerste twee pagina’s uit ‘Dialogo i Due Massimi Sistemi del Mondo, Tolemaico, en Copernicano’ (Dialoog over de Balangrijkste Wereldsystemen, Ptolemeïsch en Copernicaans), door Galilei Galileo uitgegeven in 1632. Boven: het frontispice, met van links naar rechts Aristoteles, Ptolemeüs (met in de hand een geocentrisch model) en Copernicus (met heliocentrisch model). Onder: de titelpagina, met daarop de vermeldingen: ‘Con Privilegi”en ‘Con Licenza de Superiori’, de verklaring van toestemming (imprimatur) van de hoogste colleges van de Heilige Stoel. Klik op de afbeeldingen voor hogere resolutie.

In 1630 reist Galilei met zijn voltooide manuscript naar Rome om daar bij de kerkelijke autoriteiten officiële toestemming voor publicatie in drukvorm te bepleiten. Die krijgt hij ook, althans voorlopig, bij monde van de Dominicaner monnik en theoloog Niccolò Riccardi, een vriend van Galilei en in zijn functie van Magister Sacri Palatii Apostolici (Grootmeester van het Heilig Apostolisch Paleis) de belangrijkste adviseur van de paus in theologische kwesties; Riccardi is eveneens verantwoordelijk voor de samenstelling van de Index librorum prohibitorum, de lijst (index) van verboden boeken die op grond van hun ketterse of immorele inhoud niet door katholieken gelezen mogen worden – laat staan in bezit gehouden. Wel moet Galilei een aantal wijzigingen in het manuscript aanbrengen, zodat de tamelijk expliciete boodschap van het werk, het aantonen van de superioriteit van het heliocentrisch model, wordt afgezwakt. Zo wijzigt hij de oorspronkelijke titel, Over de Eb en Vloed der Zee, in het neutralere Dialoog Over de Twee Voornaamste Wereldsystemen, het Ptolemeïsche en het Copernicaanse. In het voorwoord wordt benadrukt dat het boek niet wil aantonen dat de kerkelijke afwijzing van het heliocentrisme het gevolg is van onwetendheid, maar louter gebaseerd op theologische overwegingen. Tenslotte is dit nieuwe model weliswaar op veel punten superieur aan het klassieke geocentrisme, maar het is ook niet echt bewezen zodat er, gezien de orthodoxe uitleg van de Bijbelteksten en de opvattingen van de Kerkvaders, toch de voorkeur moet worden gegeven aan het geocentrisme. Aan het laatste deel van het boek, over de verklaring van eb en vloed vanuit het heliocentrisch model, voegt hij toe dat de immer almachtige God, als Hij dat wilde, deze verschijnselen natuurlijk ook op allerlei andere manieren kon bewerkstelligen die de verstandelijke vermogens van gewone mensen ver te boven gaan.

In 1632 is het boek gedrukt, met de goedkeurende imprimatur van de Heilige Stoel op het titelblad. Desondanks regent het al spoedig verdachtmakingen; kennelijk heeft Galilei niet alleen invloedrijke medestanders, maar ook nog flink wat vijanden. De zwaarste beschuldiging luidt dat hij de afspraken uit het vonnis van de Romeinse Inquisitie uit 1616 met voeten heeft getreden door schaamteloos opnieuw het ketterse heliocentrisme te propageren, terwijl ook de paus zelf in het boek zou worden geridiculiseerd. Urbanus VIII, tot over zijn oren verwikkeld in de Dertigjarige Oorlog die in wezen een ideologische godsdienstoorlog is van protestantse vorsten tegen katholieke tegenstrevers, heeft geen enkele behoefte aan extra theologische scherpslijperij en ideologische onrust in de gelederen van zijn Ware Kerk. Hij is ernstig ontstemd, voelt zich door Galilei en zijn medestanders bedrogen en plaatst het gewraakte werk zonder aarzelen op de index van verboden boeken. Ook stelt hij een speciale commissie in die nader onderzoek moet doen naar zowel de inhoud van het boek zelf, als naar de gebeurtenissen die voorafgingen aan de door Riccardi geautoriseerde publicatie. Die commissie concludeert unaniem dat Galilei’s pennenvrucht inderdaad nauwelijks verholen propaganda voor het heliocentrisme bevat, dus heeft de schrijver in flagrante strijd met het vonnis van 1616 gehandeld – waarop de paus de zaak opnieuw aan de Romeinse Inquisitie overdraagt. Daar geeft Galilei, inmiddels 69 jaar en ernstig ziek, toe dat hij, ‘vanuit de behoefte zijn eigen virtuositeit te etaleren’, het heliocentrisme wellicht wat al te krachtig heeft bepleit, dit echter zonder er ook zelf in te geloven. Hij biedt aan om alles te doen wat in zijn vermogen ligt om zijn fout recht te zetten, en vraagt de rechters om rekening te houden met zijn hoge leeftijd, slechte gezondheid en goede reputatie. Uiteindelijk komt hij er genadig op af: hij wordt niet veroordeeld voor ketterij – dat had hem onverbiddelijk op de brandstapel doen belanden – maar voor het feit dat hij zich ‘in hoge mate van ketterij verdacht heeft gemaakt’, wel een zwaar vergrijp maar geen doodzonde. Hij moet het heliocentrisme in het openbaar ‘afzweren, vervloeken en verafschuwen’, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf in het Heilig Officie en moet de eerste drie jaar daarvan wekelijks de zeven boetpsalmen reciteren; zijn boek wordt definitief verboden. Galilei gaat door de knieën, zweert het heliocentrisme en andere ketterijen af. Overigens werd de opgelegde gevangenisstraf niet uitgevoerd. Hij krijgt toestemming terug te keren naar Toscane, waar hij aanvankelijk de gastvrijheid van de aartsbisschop van Siena geniet. Later krijgt hij toestemming om terug te keren naar zijn villa in Arcetri, waar zijn dochters in het nabijgelegen klooster zijn ondergebracht, maar in zijn voormalige standplaats Florence mag hij zich niet meer vertonen. In Arcetri voltooit hij in het geheim zijn belangrijkste werk: het manuscript met de titel Gesprekken en Wiskundige Bewijzen Betreffende Twee Nieuwe Wetenschappen – een van die twee wetenschappen is een bewegingsleer die uit het heliocentrisme is afgeleid – wordt heimelijk naar het protestantse Nederland gesmokkeld en daar uitgegeven door Lodewijk II Elsevier in Leiden (niet te verwarren met de huidige wetenschappelijke uitgeverij Elsevier). Daar vormt het de grondslag voor het wetenschappelijk werk van wereldberoemde geleerden als René Descartes, Christiaan Huygens en Isaac Newton.

In 1642 overlijdt Galileo Galilei. Ondanks zijn faam wordt hij zonder enige poespas begraven in de Kerk van het Heilig Kruis in zijn woonplaats Florence, waar ook Michelangelo begraven ligt; om de kerkelijke autoriteiten niet te provoceren krijgt hij bovendien geen praalgraf. Pas in 1737, als het heliocentrisme inmiddels door elke zichzelf respecterende wetenschapper is geaccepteerd en twee jaar na het verschijnen van de eerste editie van Linnaeus’ Systema Naturae, komt dat praalgraf er alsnog – bij het overhevelen van de stoffelijke resten wordt een aantal van Galilei’s rugwervels en vingerkootjes door enkele aanwezigen ontvreemd en als relikwie gekoesterd. Ruim twintig jaar later, in 1758, herroept de paus het verbod op de verspreiding van het heliocentrisme uit 1616, maar het duurt tot nog 1838 voordat de Dialoog Over de Twee Voornaamste Wereldsystemen van de index van verboden boeken wordt gehaald. En pas in 1992 wordt Galileo Galilei, nadat een speciale onderzoekscommissie zich meer dan tien jaar over zijn zaak gebogen heeft, door paus Johannes Paulus II officieel (en volledig) gerehabiliteerd. (Bron: Frans H. van Lunteren, Galilei en de Kerk 2001).

Als Linnaeus aan de eerste editie van zijn indeling van de levende soorten werkt, honderd jaar na het proces tegen Galilei en zijn Dialoog, is de macht van de Rooms Katholieke kerk in een grote delen van Noordwest-Europa overgegaan in handen van protestantse afsplitsingen. In zijn geboorteland Zweden en in de Duitse staten (Duitsland is dan nog niet verenigd) heeft het Lutheranisme de theologische hegemonie verworven. In Nederland, destijds geroemd om haar wetenschappelijke en intellectuele vrijheid en haar tolerantie tegenover vreemdelingen, voert het Calvinisme de boventoon; het is er weliswaar niet officieel de staatsgodsdienst en aanhangers van andere stromingen als Lutheranisme en zeker Katholicisme kunnen hun geloof alleen in het geheim, in zogeheten ‘schuilkerken’ belijden, maar verder wordt anderdenkenden nauwelijks een strobreed in de weg gelegd. In dit klimaat kan Linnaeus in alle vrijheid werken en studeren. Zijn scherpzinnigheid maakt grote indruk op beroemde wetenschappers als de Leidse arts en botanist Herman Boerhaave, de naamgever van het museum waar Einsteins vulpen wordt bewaard, en op de (eveneens Leidse) botanist Jan Frederik Grovinius. Tevens maakt hij kennis met de steenrijke bankier, VOC-koopman en amateur-botanist George Clifford III, die op zijn landgoed De Hartecamp in Heemstede een indrukwekkende botanische tuin met planten uit alle windstreken heeft aangelegd. Ook Clifford is onder de indruk van de jonge Linnaeus en stelt hem – tegen de riante vergoeding van duizend goudguldens per jaar – aan als diens lijfarts, hoofdbeheerder van de tuinen van De Hartekamp en conservator van zijn omvangrijke herbarium. Op De Hartecamp werkt Linnaeus gestaag verder aan de eerste editie van Systema Naturae, die in 1735 zonder problemen met censuur wordt uitgeven (eveneens in Leiden). Buiten Nederland ontmoet hij meer problemen, ook in zijn moederland Zweden waar hij in 1738 terugkeert. De Lutherse staatskerk probeert daar in de tweede helft van de 18e eeuw meer dan ooit greep te krijgen op tegendraadse filosofische en theologische discussies. We zagen al dat de clericale gramschap, die in de 16e eeuw aan Copernicus en zijn heliocentrische nieuwlichterij ten deel viel, niet alleen leefde onder Rooms Katholieke prelaten maar ook onder de minstens even Bijbelvaste voortrekkers van de Reformatie – Maarten Luther voorop. Aan de starre afwijzing door kerkelijke autoriteiten van elk wetenschappelijk inzicht dat in tegenspraak leek met de tekst van de Heilige Schrift was sindsdien nog weinig aan veranderd. Dus kreeg ook Linnaeus de wind van voren toen hij niet alleen de euvele moed had om geslachtelijke voortplanting te beschouwen als een fundamentele grondslag onder het bestaan van alle Aardse levensvormen, planten, dieren en mensen, en daarnaast die mensen in zijn Systema Naturae ook nog eens op te nemen als ‘eerste onder de apen’ in plaats van als een op de zesde dag door God geschapen wezen waaraan Hij alle andere levende wezens – en de Aarde zelf – ondergeschikt had gesteld: “En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.” (Genesis 1:26); in alle opzichten de titelKroon der Schepping’ waardig. In de Pauselijke Staat wordt de verspreiding van Systema Naturae dan ook meteen verboden, net als in andere delen van Europa waar de macht van de katholieke kerk sterk genoeg is om nieuwe wetenschappelijke inzichten te weerstaan. Protestantse theologen laten zich evenmin onbetuigd. Zo wordt Linnaeus fel bekritiseerd over zijn opvattingen omtrent de bedoelingen die God met Zijn schepping voorheeft. Hij verklaart de Natuur in de eerste plaats te zien als drager van eengoddelijk stempel” waarin hij “oneindige wijsheid en macht, een ondoorgrondelijke perfectie” herkent, en door deze “voetstappen Gods” in het veld te volgen en te bestuderen kan de essentie van het Evangelie worden gevonden – de wonderen der Natuur als Heilige Schrift. Het ventileren van – afwijkende – denkbeelden over de scheppingsdoctrine is volgens de kerkleiding louter en alleen voorbehouden aan praktiserende door de kerk geschoolde theologen, en zeker niet aan leken, hoe vroom en/of beroemd ook. Als voor het verschijnen van Systema Naturae krijgt Linnaeus een ongezouten reprimande van de notabelste hoogwaardigheidsbekleder van de Zweedse kerk, de bisschop van Skara Jesper Swedberg. De Koninklijke Academie van Wetenschappen had uit verschillende Europese landen gedetailleerde verklaringen ontvangen dat daar water in bloed zou zijn veranderd, een mirakel dat zelfs door weldenkende prelaten was opgevat als een bewijs van Gods woede. Als zo’n verschijnsel ook uit Zweden wordt gemeld, gaat Linnaeus op onderzoek uit en ontdekt hij dat het fenomeen is veroorzaakt door een dichte zwerm kleine insectjes. Maar daar wil de bisschop niets van horen. Hij wijst Linnaeus’ wetenschappelijke verklaring af als een “Satanisch ravijn” en verklaart: “Het rood worden van het water is geen natuurlijk fenomeen. Als God toestaat dat zich zo’n wonder voordoet, dan probeert Satan, met behulp van de goddeloze, onafhankelijke, zelfvoorzienende en wereldse instrumenten die hem van dienst zijn, om het onbelangrijk te doen lijken”; daarmee schaart de kerkvorst ook Linnaeus onder de instrumenten van Satan. Na deze wilde aanval op zijn integriteit als wetenschapper krabbelt Linnaeus terug, en benadrukt hij: “Het is moeilijk iets zinnigs over deze kwestie te zeggen. Het is zeker een wonder dat zoveel miljoenen schepselen zich zo plotseling kunnen verspreiden, wat zonder twijfel de alwetende macht van de Eeuwigheid laat zien.” We zagen al eerder dat het niet de laatste keer zal zijn dat de kerk zijn integriteit als wetenschapper door het slijk haalt. Aan het eind van zijn leven is hij niet meer in staat deze dogmatische theologische tijdgeest te weerstaan. Bij het verschijnen van de laatste edities van Systema Naturae verklaart hij expliciet dat hij de mening is toegedaan dat: “De Almachtige in den beginne alle soorten geschapen heeft” en dat er “sinds dat begin geen nieuwe soorten zijn bijgekomen.” Of hij dat zelf ook werkelijk gelooft zullen we nooit weten – dat geheim neemt hij mee in zijn graf. En hoe het ook zij, alle theologische modder die hij bij leven over zich heenkreeg ten spijt, wordt Linnaeus op 10 januari 1778 met veel pracht en praal en onder grote belangstelling bijgezet in de Lutherse moederkerk van Zweden, de grote kathedraal van Uppsala, waar hij rust tussen tal van roemruchte Zweedse koningen, eminente aartsbisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders. Het opschrift op zijn metershoge maar verder eenvoudige grafmonument, Zweeds graniet met lauwerkrans en portret luidt: Carl v. Linné – Botanisten, Leiders, Vrienden en Leerlingen – 1768 (Latijn: Carolo a Linné – Botanicorum Principi Amici Discipulu MDCCXCVIII).

❁❁❁

3.

 

De dieren, die we tot slaven hebben gemaakt,
beschouwen we niet graag als onze gelijken.
Charles Robert Darwin.

 

De gelaagde steenformaties van Siccar Point, waar James Hutton cs. in de afgrond van de tijd keken. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

xxxx De machtsstrijd tussen de verdedigers van de traditionele christelijke doctrines en verlichte (maar nog altijd diepgelovige) wetenschappers als Galileo Galilei, René Descartes (“Ik denk en daarom ben ik”), Christiaan Huygens (“De wereld is mijn land. Wetenschap is mijn religie.”) of Carl Linnaeus zal pas aan het einde van de 19e eeuw in het (al dan niet eeuwige) voordeel van de wetenschap worden beslecht. Als in 1838 Galilei’s Dialogo door de Rooms Katholieke Kerk van de Index van verboden boeken wordt gehaald, ruim twee eeuwen na de eerste druk, is dat vooral gebeurd onder invloed van rationele, goed opgeleide intellectuelen die nog wel in God, maar niet meer in de mythische modellen van de Heilige Schrift geloven. Aartsbisschop en Primaat (Latijn voor ‘voorrang’) van de Ierse Kerk James Ussher mocht dan op basis van Bijbelse chronologieën in zijn standaardwerk Annales Veteris Testamenti (Jaarboeken van het Oude Testament) in 1650 hebben uitgerekend dat God zowel het Universum als het middelpunt daarvan, de Aarde met al wat leeft, tussen 23 en en 29 oktober van het jaar 4004 v.C. had geschapen. Maar 17e- en 18e-eeuwse geologen en petrologen (‘steenkundigen’)4 hadden inmiddels zeer aannemelijk gemaakt dat deze uitkomst niet waar kon zijn. Beroemd werd het wetenschappelijk werk van drie prominente Schotse onderzoekers, de ‘Vader van de Geologie’ James Hutton (1726-1797), de petroloog, geoloog, chemicus en voorzitter van de Koninklijke Academie [voor Wetenschappen] in Edinburgh, Sir James Hall (1761-1832), en de wiskundige, natuurfilosoof en predikant(!) John Playfair (1748-1819). In 1788 deden zij onderzoek aan de sterk gelaagde rotsformaties langs de Schotse kust, die bestaan uit ogenschijnlijk kris-kras door elkaar gestapelde steenlagen van verschillende samenstelling. Playfair beschrijft zijn ervaringen op Siccar Point, een schiereilandje aan de noordoostkust, als hij in 1805 een lofrede op de inmiddels overleden James Hutton uitspreekt: “De geest gaat duizelen als hij zo diep in de afgrond van tijd kijkt.” Hutton zelf besloot zijn onderzoeksverslag aan de Koninklijke Academie met de woorden: “We vinden geen tekenen van een begin, geen uitzicht op een einde.”, daarmee suggererend dat de geschiedenis van de Aarde (of de schepping) zich naar beide kanten, verleden en toekomst, oneindig in de tijd uitstrekt. Vanuit dat perspectief worden de eerste drie woorden van het Oude Testament: “In den beginne”, al snel tot dode letter.

Krijttekening van Ellen Sharples uit 1816: Charles en Catherine Darwin, Charles is hier 7 jaar. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Er kwam een tegengestelde werkelijkheid, met de zon als middelpunt in een universum zonder begin of einde. De mens kon worden beschouwd als een (sterk) veredelde mensaap, de Aarde leek even oud en eeuwig als Als God zelf. Toch vormden deze inzichten slechts de inleidende beschietingen, die het goddelijk gelijk van de Heilige Schrift en haar exegeten weliswaar op hun grondvesten deden schudden, maar toch nog niet braken. Nog altijd konden die exegeten zich verschuilen achter de onpeilbare almacht van God, wier bedoelingen en daden nu eenmaal onbevattelijk zijn voor de ontoereikende geestvermogens van de stoffelijke mens die ook nog eens vergiftigd worden door het kwaadaardig werk van Satan. Uit mededogen met de beperkingen van de zondige mens had God hem in Zijn oneindige wijsheid, via Mozes en de profeten, de Wet geopenbaard en regels voorgeschreven over hoe het leven geleefd dient te worden, en hoe Hem voor Zijn goedertierenheid te eren. Vervolgens had God zijn eniggeboren Zoon in den vleze laten afdalen om aan het kruis een vreselijke dood te sterven, en daarmee alle zonden van alle gelovigen-in-Hem op zich te nemen. Hij had zelfs beloofd terug te zullen komen, en dat mét al die gelovigen een Eeuwig Rijk te stichten waarvan Hij koning zou zijn, en nadat Zijn Vader alle niet-gelovigen (en verkeerd-gelovigen, en Satan) vernietigd zou hebben – zo’n allesoverheersende bestaansmythe is kenmerkend voor alle religieuze systemen in de wereld, met of zonder goden, en als de doctrine niet stevig overeind blijft stort het hele systeem in. De christelijke bestaansmythe kreeg de genadeklap van de Britse natuuronderzoeker en ontdekkingsreiziger Charles Robert Darwin (1809-1882), met wapens die hij had verzameld bij illustere voorgangers als Linnaeus en James Hutton, en bij tijdgenoten als de geoloog en paleontoloog Charles Lyell, econoom, demograaf en predikant(!) Thomas Robert Malthus; zonder dat ze het van elkaar wisten werkte Darwins (eveneens) Britse collega Alfred Russell Wallace intussen aan eenzelfde wapen in de dezelfde richting. Wallace stond op het punt om toe te slaan, toen Darwin hem in 1859 nipt voor was: met de eerste druk, in 1859, van een lijvig boekwerk met de lange, precieze en provocerende titel: On the Origin of Species by Means of Natural Selection, Or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. (In het Nederlands verscheen het werk: Over het Ontstaan van Soorten Door Middel van Natuurlijke Selectie, Of het Behoud van Bevoordeelde Rassen in de strijd om het leven). Daarin schetst hij, voor het eerst in de geschiedenis van de geletterde mens, een samenhangend, rationeel en empirisch onderbouwd alternatief voor goddelijke scheppingsmythen: de hypothese van evolutie, een proces waar al het leven op Aarde onderworpen is. Nieuwe soorten splitsen zich langzaam maar zeker af van hun voorouders, gestuurd door een systeem van natuurlijke selectie. Individuen die zich het best weten aan te passen aan (veranderende) omgevingsomstandigheden zullen beter overleven en daardaar meer nakomelingen krijgen. Als die nakomelingen de succesvolle eigenscha(pen) erven, zullen zij ook beter overleven en kunnen die ‘verbeterde’ eigenschappen in een bepaalde populatie dominant worden: andere kleur, grotere (of juist kleinere) bek, dikkere (of dunnere) poten, enzovoort. Oftewel: soorten veranderen, tergend langzaam maar gestaag. De levende schepping is daarmee dus niet langer een allesomvattend, maar statisch kunstwerk dat door God als woonplaats voor Zijn schepselen in de eeuwigheid van het Universum heeft vastgevroren, maar het toneel van een doorlopende bewegende voorstelling die overal gespeeld wordt, door steeds veranderende gezelschappen tussen telkens wisselende decors en in alle coulissen. Prachtig concept, maar het staat niet in de Heilige Schrift.

Charles Robert Darwin, portret door John Collier uit 1883, Darwin is dan 74. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Darwin ondersteunt zijn idee met talloze voorbeelden, die staafde met empirisch bewijs dat hij op zijn reizen naar en rond Zuid Amerika (en elders) verzameld had. Op de Galapagos Eilanden was hem bijvoorbeeld opgevallen dat elk eiland een eigen vinkensoort kende, die steeds in allerlei opzichten verschilde van de vinken van andere eilanden. Darwin concludeerde dat er lang geleden oervinken van het Zuid-Amerikaanse vasteland moesten zijn aangewaaid, wier nakomelingen daarna ook andere eilanden hadden gekoloniseerd. Vervolgens hadden ze zich aangepast aan de per eiland verschillende omstandigheden: beschikbare voedselbronnen, aanwezigheid van predatoren, waterbronnen, geologische omstandigheden en meer. Een vink met een iets te grote snavel kan een extra voedzaam nootje in zijn nieuwe biotoop wat beter kraken dan de anderen, waardoor hij gemakkelijker aan eten komt en meer nakomelingen kan grootbrengen – die dan vaak eveneens zo’n iets te grote snavel hebben. Lichtgekleurde vogeltjes in een donker bos zijn prima zichtbaar voor roofdieren. De donkerste overleeft dus beter op een dichtbebost eiland en krijgt meer nakomelingen die steeds donkerder worden. Enzovoort.

Het werk slaat in als een bom – en krijgt veel bijval onder vakgenoten en andere wetenschappers. Op overtuigende wijze toont Darwin erin aan dat de enorme verscheidenheid van levende soorten op Aarde in de loop van onafzienbare tijden kan zijn ontstaan uit hooguit een handvol gemeenschappelijke voorouders, die zich onder druk van talloze omstandigheden steeds weer veranderden en aanpasten; alleen de zo goed mogelijk aangepaste, de fittest, de ‘best passende’, overleeft – de rest komt om en sterft uit. Maar daarmee is Darwin niet klaar. Waar hij in On the Origin of Species nog uitsluitend voorbeelden van planten- en diersoorten had aangevoerd, de mens bleeft nog zorgvuldig buiten beschouwing, maakt hij die omissie twaalf jaar later goed als hij in 1871 The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex publiceert; gelijktijdig verschijnt de Nederlandse vertaling onder de onder wat rauwere titel: De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus. In twee kloeke delen van zo’n 450 pagina’s elk maakt Darwin gehakt van de Kroon-der-Scheppingsmythe, en dus met de van God gegeven status van Homo sapiens als absoluut Primaat boven alle andere schepselen die op dit ondermaanse leven.

Redactionele spotprent van Charles Darwin, op 22 maart 1871 afgebeeld als aapmens in het satirische tijdschrift The Hornet (De Horzel) naar aanleiding van het verschijnen van diens boek over de afstamming van de mens, The Descent of Man. Het onderschrift luidt: “Een hooggeplaatste orang-oetang. Een bijdrage aan onnatuurlijke historie.” Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Linnaeus had zich ten doel gesteld Gods schepping zo zorgvuldig, systematisch en volledig mogelijk te classificeren. Hij had zich daarbij gebaseerd op de verschillen en overeenkomsten die hij tussen de verschillende soorten waarnam, en op grond daarvan de mens op de hoogste sport van de orde der Primates, voorheen Simia geplaatst. Darwin zet de volgende reuzenstap: hij deelt de mens niet alleen maar in bij de apen, hij laat ze er zelfs van af stammen. Hij verdedigt namelijk, in bijna 1000 pagina’s van twee kloeke delen, de op zijn evolutie-hypothese gebaseerde stelling dat Homo sapiens, alle individuen van de soort, via tussenliggende en destijds nog grotendeels ‘onbekende schakels’5, miljoenen jaren geleden was ontstaan uit een primatenstam van mensapen, en daarna via (wellicht meerdere) inmiddels verdwenen aapmensen langzaam veranderde in de moderne, met ratio begiftigde moderne mens: Homo sapiens – sapiens betekent ‘denkend’ of ‘wetend’. Als toegewijd lid van de Linnean Society of London schrijft Darwin in De Afstamming van de Mens: “Recentelijk zijn veel van onze beste natuurvorsers teruggekeerd bij het inzicht, voor het eerst voorgelegd door Linnaeus, zeer opmerkelijk door zijn scherpzinnigheid, dat de mens (Bimana, tweehandig) moet worden ingedeeld in dezelfde orde als de (nauw verwante) Quadrumana [‘Vierhandigen’ is de naam die Darwin voorstelt voor de mensapen] met de naam Primates.” Linnaeus had alleen gesteld dat hij ‘geen anatomische verschillen had kunnen vinden die een aparte orde voor de mens konden rechtvaardigden’, Darwin verklaart doodleuk dat de verschillen tussen primatensoorten – die er natuurlijk wel degelijk zijn, zoals een groter hersenvolume met aangepaste schedelvorm, of de bouw van handen, voeten, bekken, kromming van de ruggengraat en plaatsing van het hoofd – allemaal verklaard kunnen door een evolutionaire ontwikkeling vanuit een ‘gewone’ primaat die leek op een gorilla of een chimpansee. Naast zuiver anatomische argumenten voert Darwin ook andere aan. Primaten blijken vatbaar voor hetzelfde soort aandoeningen als mensen, Darwin noemt rabiës, pokken, kwade droes, syfilis, cholera, herpes en meer. Hij signaleert ook andere overeenkomsten. Primaten in gevangenschap ontwikkelen een smaak voor koffie, thee en sterke drank, en hij heeft zelf gezien hoe apen borrels drinken en met genoegen sigaren roken. Terloops merkt hij daarbij op: “Een Amerikaanse slingeraap, dronken geworden van vuurwater, heeft daarna het spul nooit meer aangeraakt en is derhalve verstandiger dan veel mensen.” Darwin betoogt in feite dat áls de mens al door God geschapen is, Hij dat zeker en vast niet heeft gedaan door een hoopje voorgevormde klei tot leven te blazen, maar veeleer door heel lang geleden de geschikte nakomelingen van aapachtige voorouders te bevoordelen.

Het in stukken gebroken beeld van God en Zijn schepping, bijna anderhalf millennium eerder in canoniek marmer gehouwen, kon niet meer worden hersteld. Voor het gezag van de beeldhouwers en conservatoren van het beeld, de instituten en de prelaten, gold dat aanvankelijk nauwelijks.  Zij wisten de oude mythen aan te passen aan de nieuwe tijd, en ditmaal werden ze niet uit marmer gehakt, maar in plastisch klei gekneed. Overal werden dan ook nieuwe (lees: voorheen onbekende) kleilagen blootgelegd, overal verschenen leemgroeven en van heinde en ver droegen de geleerde gravers en sjouwers nieuwe voorraden aan, die dan door prelaten, profeten en predikers in de juiste vorm werden gebracht – net als heel vroeger eigenlijk, zoals in den beginne. Dat God zijn zes scheppingsdagen over miljoenen jaren had uitgestrekt was niets anders dan een duidelijk teken van Zijn ondoorgrondelijke almacht, iets wat het wonder alleen maar groter maakte. En het was hoe dan ook niet aan de menselijke geest, zelfs (of zeker) niet aan Darwin, voorbehouden om te doorgronden waarom en hoe God deed wat hij deed met Zijn schepping en Zijn universele eeuwigheid van hemel en hel. Dat het Godsbeeld aan scherven lag betekende natuurlijk niet dat daarmee ook meteen aan God mocht worden getwijfeld. En ook Satan was nog lang niet dood.

Eugène Dubois’ Javamens, als verbeeld door Adri en Alfons Kennis voor Museum Naturalis in Leiden (2019). Bron: Kennis & Kennis Reconstructions, Museum Naturalis. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Darwin werd weliswaar door veel van zijn collega’s de hemel in geprezen en op handen gedragen, maar zeker niet door allemaal. In kranten werd hij bespot, in nog steeds volle kerken uitgemaakt voor een door Satan gekochte zondaar van de ergste soort. Maar de wetenschap was nu groot en sterk genoeg geworden om de rug recht te houden en het moddergooien en verketteren te weerstaan. Vol overgave gingen de ontdekkingsreizigers met hun jonge honden op pad, bijvoorbeeld om Darwins gelijk te bewijzen: de mens is uit een aap ontstaan. Zo’n jonge hond was de Limburgse antropoloog, paleontoloog en ecoloog Eugène Dubois (1858-1940), die in 1890 op expeditie ging, door koelies gedragen en versleept naar de binnenlanden van Java, Nederlands Indië, om daar de botresten van ‘ontbrekende schakels’ te zoeken – of liever: te vinden. Dubois geloofde in de hypothese van de Duitse bioloog Ernst Haeckel, die – in tegenspraak met de Afrikahypothese van Darwin – had betoogd dat de mens in Zuid-Azië was ontstaan, uit een aapmens die leefde op het nu verzonken continent Lemurië, waaraan al duizenden jaren lang door beroemde magiërs en wichelaars is gerefereerd. Nederlands-Indische eilanden zouden de overgebleven restanten van dit verdronken werelddeel zijn, en daarmee wist Dubois waar hij moest zoeken. En hij vond. Enthousiast beschrijft hij in 1894 de vondst van een schedeldak, een dijbeen en een kies van wat hij Pithecanthropus erectus noemde, een rechtopgaande aapmens, mensaap noch mens. In pers en volksmond werd de oorspronkelijke eigenaar van de beenderen later Javamens genoemd, niet te verwarren met de Pekingmens, waarvan in 1923 in een grot nabij die stad door Dubois’ Zweedse vakgenoot Johan Gunnar Anderson (1874-1960) een vrijwel complete schedel en flink wat botresten, tanden en kiezen werden gevonden. Pas in de 21e eeuw wordt Javamens herkend als degene die ze bij leven was geweest, een slordig miljoen jaar geleden: een vrouwelijk individu van het species (de soort) Homo erectus var. javanicus (de Pekingmensen, ook Homo erectus maar dan een klein beetje anders en een kwart miljoen jaar jonger, werden var. Pekinensis). Javamens kreeg haar wetenschappelijke naam en wezen terug van de huidige (wettige) eigenaar van haar botten, Museum Naturalis in (alweer) Leiden. Ten voeten uit werd zij daarna in siliconen uitgekneed, haar afbeelding werd ingekleurd door de inmiddels beroemde paleo-kunstenaars Adri en Alfons Kennis, een tweeling die niet door een wolvin werd gevoed, maar zijn wereldfaam ontleent aan de levensechte kwinkslagen die zij inbouwen in hun anatomisch – en waar mogelijk ook genetisch – correcte beelden van oermensen, voorheen ‘ontbrekende schakels’. Javamens waakt inmiddels nu prominent over de vaste tentoonstelling waar de door Dubois en anderen gevonden botresten en gereedschappen van Indische oermensen. De ontbrekende schakel tussen Tulps Indische satyr en Javamens is nooit gevonden, en moderne archeologen en paleontologen achten de kans nihil dat hij/zij ooit heeft bestaan. Zij hebben Darwins Afrikahypothese inmiddels in een theorie weten om te zetten; Darwin baseerde zijn aanname dat Afrika de bakermat van de mens moest zijn op het feit dat daar chimpansees en gorillas rondlopen, Haeckel (en Dubois) wezen op de orang-oetang en de gibbon.  worden getoond – op de hoofdweg tegenwoordig ‘vroege mensen’ genoemd; aapmensen kan niet meer en dat is maar goed ook.
Een met foto’s van hun werk geïllustreerde biografie van de gebroeders Kennis vindt u op bijlagepagina De Beeldenkneders.

Doorgronden en begrijpen, daar gaat het over, in de wetenschap en daarbuiten – en in De Beschaver. Doorgronden en begrijpen in de geest van Linnaeus die daartoe de verscheidenheid indeelde. De geest van Copernicus die er de beweging van het heelal voor uitrekende, en de geest van Einstein, die wist dat God niet dobbelde en daarom de ware aard van zwaarte, ruimte en eeuwigheid kon vaststellen. Alsof dat geen doorgronden is. Net als wetenschap kan beschaving echter nooit af zijn, en zullen altijd jonge honden zijn die willen bewijzen dat ze het beter weten, en soms hebben ze gelijk en dan weer niet. Ook gebouwen van wetenschap kunnen als kaartenhuizen omvallen, zeker als de jonge honden gaan morrelen aan oude zekerheden en ingesleten dogma’s en met betere (of alternatieve) ontwerpen komen. Gevestigde wetenschap kan zomaar uitgroeien tot het onbezoldigd paard dat politieke karren over doorgaande wegen moet voorttrekken. Zo’n paard krijgt oogkleppen, anders schrikt het van het lawaai en de onrust die het omgeven. Daardoor ziet het paard alleen nog de weg naar voren, en niet meer de afleiding van zijstraten, kruisingen en invoegstroken; dit terwijl vernieuwende ideeën waarmee de (soms danig) versleten hoofdweg verbeterd kan worden of desnoods vervangen toch meestal bij geleerde breinen invallen als ze op verkenning zijn langs kronkelige zijpaadjes, achteraf gelegen of ergens in een nog niet bedwongen wildernis.

Oud slingeruurwerk naast het ontwerp van Christiaan Huygens. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

De verlichte denkers die besloten om, tegen de verdrukking in, voortaan hun wetenschap op rationele, empirisch te toetsen wijze te bedrijven – nog zo’n keuze waarna geen weg terug meer was; ontkennen, negeren, bestrijden of thuisblijven waren nog de enige opties. De Beschaver weet niet of daarmee een grote, collectieve sprong voorwaarts naar harmonie en welzijn is gemaakt, of dat de kans op onvermijdelijke en volledige ineenstorting van het nieuwe, tegennatuurlijke wereldmodel op eindige termijn, al in den beginne was ingebouwd toen grote geesten niet langer genoegen wilden nemen met het onverbiddelijke Woord van God. De tijd zal het leren, de tijd van Christiaan Huygens, instrumentmaker en bedenker van het slingeruurwerk.

❁❁❁


1. De Zweedse etnograaf Ernst Mauritz Manken beschrijft deze Anders Nilsson in zijn monografie over de trommels van de Saami (Die Lappische Zaubertrommel: Eine Ethnologische Monographie, 1938): “Anders Nilsson Pont die woont in de buurt van Sorsele maar daar nooit naar de kerk gaat”.

2. Deze Gesta Hammaburgensis Ecclaesiae Pontificum, een belangrijke bron voor de Scandinavische geschiedenis tussen het optreden van de eerste missionarissen in 788 en de jaren waarin Adam deze kronieken schreef, van 1073 tot 1076.

3. Om de onvermijdelijke problemen met kerkelijke autoriteiten omtrent zijn (ketterse) heliocentrisch wereldbeeld voor te zijn, schreef Copernicus bij de verschijning van zijn publicatie over de beweging van de Aarde en de andere planeten rond de zon een brief aan paus Paulus III, waarin hij het werk aan hem opdroeg. De aanhef luidt: “Ik kan mij heel goed voorstellen, Heilige Vader, dat zodra sommige mensen horen dat ik in dit werk over de bewegingen van de hemellichamen in het universum, bepaalde bewegingen schrijf ik aan de aardbol toe, zij zullen uitschreeuwen dat ik vanwege die opvattingen onmiddellijk verstoten zou moeten worden. Maar ik ben niet zo verliefd op mijn eigen opvattingen dat ik afwijs wat anderen daarover denken. Ik ben me ervan bewust dat de ideeën van een filosoof geen onderwerp zijn van het oordeel van gewone mensen, omdat het zijn streven is in alles de waarheid te zoeken, in zoverre God dat de menselijke rede toestaat. Toch geloof ik dat volledig onjuiste visies verworpen moeten worden. Degenen die weten dat de consensus van vele eeuwen de opvatting heeft gesanctioneerd dat de Aarde stilstaat temidden van de hemelen zouden, zoals ik bespiegel, het als een krankzinnige uitspraak beschouwen als ik de tegenovergestelde bewering zou doen dat de Aarde beweegt. Daarom heb ik mijzelf langdurig afgevraagd of ik dit werk wel moest publiceren waarin ik de beweging van de Aarde wil bewijzen of dat ik het voorbeeld van Pythagoras en anderen zou volgen, die de geheimen van de filosofie slechts met verwanten en vrienden pleegden te delen, niet in geschrifte maar alleen mondeling.” Hij besluit zijn brief met de passage: “Echter, om zowel geleerden als leken te laten zien dat ik niet wegloop voor het oordeel van wie dan ook, geef ik er de voorkeur aan het resultaat van mijn studie aan Uwe Heiligheid op te dragen, meer dan aan iemand anders. Zelfs in de afgelegen uithoek van de Aarde waar ik woon wordt U beschouwd als de hoogste autoriteit bij gratie van de verhevenheid van Uw ambt alsmede Uw voorliefde voor literatuur en astronomie. Vanwege Uw prestige en oordeelkundigheid zult u lasterlijke aanvallen kunnen onderdrukken hoewel, zoals het spreekwoord luidt, er geen remedie bestaat voor kwaadsprekerij. (…) Astronomie is geschreven voor astronomen. Als ik mij niet vergis, zal dit werk voor hun ook enige bijdrage leveren aan de Kerk, aan het hoofd waarvan Uwe Heiligheid nu staat. Niet zo lang geleden onder paus Leo X heeft het Latheraans Concilie overwogen de kerkelijke kalender te hervormen. Die kwestie bleef toen alleen onopgelost omdat de lengte van het jaar en de maand en de bewegingen van de zon werden beschouwd als nog niet afdoende opgemeten. Van toen af aan heb ik, op advies van de zeer eerwaarde Paulus, bisschop van Fossombrone die destijds met deze zaak was belast, mijn aandacht gericht op het preciezer bestuderen van dit onderwerp. Maar wat ik in dit opzicht heb bereikt, laat laat ik over aan het oordeel van Uwe Heiligheid in het bijzonder en van alle andere geleerde astronomen.”

4. Petrologie is het vakgebied dat zich bezighoudt met de samenstelling, eigenschappen en ontstaansgeschiedenis van gesteenten en mineralen; het is afgeleid van de Griekse woorden πετρος (petros), gesteente, en λόγος (logos), kennis. Ook Linnaeus hield zich bezig met het bestuderen van de minerale wereld, en integreerde deze discipline in zijn werk toen hij ook het Mineralenrijk in Systema Naturae opnam. Daarbij zag hij een opgaande lijn die de verschillende natuurrijken met elkaar verbond. Mineralen konden alleen groeien. Planten konden groeien en zich voortplanten. Dieren konden beiden, en bovendien emoties en sociaal gedrag vertonen. Uit dat Dierenrijk was de mens opgerezen, die aan dit alles de Rede had toegevoegd. Alles van God vergeven, natuurlijk.

5. Toen Darwin in 1871 The Descent of Man publiceerde, waren de teruggevonden resten van oermensen nog nauwelijks als zodanig herkend. Alleen het merkwaardig uitziende – en uitzonderlijk complete – skelet dat in 1856, twee jaar voor het verschijnen van On the Origin of Species, werd ontdekt in een grot in het dal van de Neander in het Duitse Rijnland was destijds een mogelijke kandidaat voor de status van ‘ontbrekende schakel’ – daarover waren de geleerden nog in fel debat over verwikkeld. Na het verschijnen van The Descent of Man reist een aantal geleerde ontdekkingsreizigers, er meteen van overtuigd dat Darwins gevaarlijke hypothese zeker hout snijdt, spoorslags af naar alle windstreken om naar de resten van ‘ontbrekende schakels’ te zoeken; allemaal wilen ze het nieuwe gelijk bewijzen: de mens stamt van de aap af. En die resten werden gevonden. Meer Neandertalers, nu ook in België, Javamens, Pekingmens. Allen verworven ze de status van ‘ontbrekende schakel’, een meer aapachtige voorouder. Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kon dat beeld worden genuanceerd en gedetailleerder ingevuld. Toen voor het eerst wetenschappelijk kon worden vastgesteld dat de Neandertaler minstens evenveel hersens had – en misschien zelfs méér – dan Homo sapiens bracht dat de geleerden ertoe de Neandertaler voortaan Homo sapiens neanderthalensis te noemen, de denkende of wetende mens van het Neanderdal. De moderne mens moest dan voortaan wel Homo sapiens sapiens heten, zowel denkend als wetend, om hem daarmee te onderscheiden van zijn ongetwijfeld toch wat primitievere voorganger. Tegenwoordig is van beide soorten weer een sapiens van de soortnaam afgetrokken. Van Homo neanderthalensis weten we inmiddels dat hij geen voorouder was, maar wel een bijna volle neef, en wijzelf zijn inmiddels kennelijk bescheiden genoeg om met enkeldenken/-weten genoegen te nemen. Meer hierover, en over wie dan wél onze voorzaten waren, leest u in het hoofdstuk De Erfgenaam.

 

 

❁❁❁

Verder kijken en meer lezen:

Presentatie van prof. Erik Verlinde over de wetten van Isaac Newton, Albert Einstein en Stephen Hawking, en zijn eigen nieuwe hypothesen rond informatie, zwaartekracht, donkere materie en donkere energie waarin de klassieke natuurkunde en kwantummechanica met elkaar verbonden worden. Studium Generale Delft: A New View on Gravity and the Cosmos (2018, Engelstalig).

Voor wie bovenstaande presentatie boven de pet gaat, is er een in lekentaal geschreven ABC over de zwaartekrachtshypothese van prof. Erik Verlinde: Elastisch Universum; Abc van de baanbrekende ideeën van Erik Verlinde, door sterrenkundige en wetenschapsjournalist George van Hal (NewScientist).

Stephen Hawking: A Brief History of Time. Een publieksvriendelijk geschreven overzicht van nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten over ruimtetijd, zwarte gaten, wormgaten, de geschiedenis van het universum en veel meer. In het Nederlands vertaald onder de titel: Een Korte Geschiedenis van de Tijd.

Brian Greene: The Fabric of the Cosmos: Space, Time, and the Texture of Reality is eveneens een zeer toegankelijk boek over de tot op heden ontraadselde geheimen van de kosmos en de Theorie van Alles. In het Nederlands vertaald als: De Ontrafeling van de Kosmos, Over de Zoektocht Naar de Theorie van Alles.

❁❁❁

 

Carolus Linnaeus: Reis door Lapland 1732 (Iter Lapponicum). Nederlandse vertaling van de dagboeken die Linnaeus bijhield op zijn reizen door Sápmi (Lapland), met een inleiding van vertaler Ger Meesters. Redactie: Jeanette van Leeuwen.

Carolus Linnaeus: Systema Naturae 1735. Facsimile van de eerste editie, met een Engelstalige inleiding en een vertaling van de ‘Observationes’ (waarnemeningen) waarop Linnaeus zijn indeling van de levende (en minerale) soorten op Aarde baseerde.

Carolus Linnaeus: Systema Naturae 1758. Facsimile van de tiende editie, die het ultieme fundament vormt voor de moderne classificatie van het leven op Aarde: 847 pagina’s in het Latijn.

A History of the Warfare of Science With Theology in Christendom, door Andrew Dickson White (1897) beschrijft de niet aflatende pogingen van kerkelijke autoriteiten om de voortschrijdende inzichten van de zich razendsnel ontwikkelende natuurwetenschappen te demoniseren en de kop in te drukken. Het boek behandelt de controverses rond schepping en evolutie, vorm en voorkomen van de Aarde en zijn bewoners, het geocentrisme tegenover het heliocentrisme, de leeftijd van de Aarde en het universum, de overgang van magie naar chemie en natuurkunde, en veel meer. Ruim een eeuw oud, maar nog altijd meer dan lezenswaardig.

❁❁❁


Inhoud

I. Inleiding – De Waaromvinder

 

II. Omwenteling

De Erfgenaam – Voorspel

De Kunstenmaker

De Voedseltemmer

De Mandarijn

 

III. Godes Dienst

De Sjamaan – Voorspel

Het Orakel

De Schriftgeleerde

De Prelaat

 

IV: Handelsgeest

De Reiziger – Voorspel

De Handelaar

De Producent

De Ontvanger

 

V. Oorlogskunst

De Buurman – Voorspel

De Vechtjas

De Krijgsheer

De Winnaar

 

VI. Schemering

De Vrouwendief – Voorspel

De Rover

De Haatzaaier

De Dwingeland

 

VII. Rechtsrichting

De Ðingspreker – Voorspel

De Aanklager

De Advocaat

De Opperrechter

 

VIII. Levensruimte

De Grensverlegger – Voorspel

De Kolonist

De Gelukzoeker

De Imperator

 

IX. Zorgplicht

De Medicijnmens – Voorspel

De Redder

De Hulpverlener

De Hulpverdeler

 

X. Leertraject

De Afkijker – Voorspel

De Meesterknecht

De Canondenker

De Betweter

 

XI. Arbeidsveld

De Alleskunner – Voorspel

De Horige

De Loonslaaf

De Broodheer

 

XII. Klimaatbeheer

De Zoeker – Voorspel

De Datalezer

De Antinatalist

De Vrijdenker

 

XIII. Beschaving

De Vrijwilliger – Voorspel

De Volkstemmer

De (f)Luisteraar

De Weerømvinder

 

XIV. De Hulpgeest – Naschrift