I. Inleiding:
De Waarnemer.

 

Al onze kennis spruit voort uit waarneming.

Leonardo da Vinci, architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuurkundige, scheikundige,
anatoom, beeldhouwer, schrijver, schilder en componist (1452-1519).

 

1.

De vulpen waarmee Albert Einstein zijn relativiteitstheorieën berekende. In 1921, het jaar waarin hij de Nobelprijs voor natuurkunde ontving, schonk Einstein de pen aan zijn speciale vriend en inspirator, de Oostenrijks-Nederlandse natuurkundige prof. Paul Ehrenfest, opvolger van Hendrik Lorentz aan de Rijksuniversiteit Leiden. Op het briefje schreef Ehrenfest: “Deze vulpen heeft Einstein jarenlang gebruikt en in ieder geval in de jaren van 1912 tot 1921 – zodat zijn ontwerpen en berekeningen over de algemene relativiteitstheorie en zwaartekracht in dit tijdsbestek met deze pen geschreven zijn.” Bron: Museum Boerhaave via Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Op een zomerse dag in de herfst van 2015 bezocht ik met een oude kameraad de tentoonstelling Einstein & Friends, in het Leidse Museum Boerhaave, het destijds nog aangenaam rommelige maar inmiddels duurzaam gerestaureerde en geheel vernieuwde museum dat zich tegenwoordig de schatkamer van de wetenschap noemt en een officieel Rijksmuseum is geworden. Einstein & Friends was de laatste expositie die voorafging aan de verbouwing, en wij gingen er vooral heen omdat we de groots aangekondigde publiekstrekker wilden zien: de vulpen waarmee Albert Einstein (1879-1955) een eeuw eerder de wiskundige vergelijkingen had opgeschreven, die zijn ooit revolutionaire theorieën over zwaartekracht en de relativiteit van tijd en ruimte moesten onderbouwen. Aan het daadwerkelijk vinden van deze vulpen ging een buitengewoon interessante ontdekkingsreis vooraf. Op zoek naar de trap naar de zolderverdieping waar de spullen van Einstein en zijn vrienden zouden zijn uitgestald, raakten we voortdurend de weg kwijt. Dat vonden we geen probleem. We dwaalden door volgestouwde maar verder verlaten zaaltjes en keken onze ogen uit naar Maagdenburger halve bollen, reusachtige kwikthermometers en barometers, glimmende telescopen, primitieve microscopen, mechanische planetaria, beschilderde globes van hemel en aarde, portretten van geleerden uit lang vervlogen tijden, elektriseermachines, pompen, motoren, chirurgisch gereedschap en ontleedmessen, en nog talloze andere instrumenten en voorwerpen waarvan ons doel en functie te enen male boven de pet gingen – geen nood, hun intrinsieke schoonheid maakte alles goed. Na deze avontuurlijke zwerftocht langs de antieke wonderen der wetenschap vonden we tenslotte de trap naar zolder en de expositie waarvoor we gekomen waren. Voor we bij de apotheose uitkwamen, de vulpen, moesten we tientallen vitrines passeren, die bijna allemaal gevuld waren met vergeelde aantekeningen in moeilijk te ontcijferen handschriften, of met in druk verschenen publicaties die waren opengeslagen op pagina’s waar Einstein of zijn vrienden lange, voor leken ondoorgrondelijke formules in de marges hadden gekrabbeld. Dit deel van de tentoonstelling leek voornamelijk gericht op kenners van de moderne wiskunde en natuurwetenschap, en dat waren wij nauwelijks. Maar gelukkig was er meer. De wanden van de zolderverdieping waren bedekt met talloze foto’s van Albert Einstein en zijn hooggeleerde Leidse vriendenclub. Veel van die foto’s gaven de indruk van een vrolijke, vrijgevochten groep zelfbewuste hemelbestormers, jong en oud gebroederlijk door elkaar, die zich in kennelijk ontspannen sfeer bezig hielden met het volledig opnieuw uitvinden van de natuurwetenschap.

Paul Ehrenfest en Albert Einstein met op schoot Paul jr. De foto is genomen in de huiskamer van Ehrenfest in Leiden, waar de boezemvrienden vaak duetten speelden (Einstein speelde viool). Als Einstein in Leiden was, logeerde hij steevast bij Ehrenfest. Foto: NEMO Kennislink. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Einstein hield van Leiden, hij noemde de stad: “Dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde”, waar hij kon ontsnappen aan het soms stuitende chauvinisme en nationalisme van de Duitse academische wereld aan het begin van de 20e eeuw. In 1911 bezoekt hij de stad voor het eerst, op uitnodiging van Leidse studenten die hem hadden gevraagd een lezing te verzorgen aan deze oudste universiteit van Nederland, in 1575 opgericht door prins Willem van Oranje. Einstein had de uitnodiging aanvaard omdat hij bij die gelegenheid ook de befaamde hoogleraar theoretische natuurkunde Hendrik Lorentz (1853-1928) kon ontmoeten, die in 1902 met Pieter Zeeman (1865-1943) een Nobelprijs deelde voor hun onderzoek naar een effect van magnetische velden op licht, het Zeemaneffect. Ook wilde Einstein graag een bezoek brengen aan het cryologisch laboratorium van de zo mogelijk nog beroemdere hoogleraar toegepaste natuurkunde Heike Kamerlingh Onnes (1853-1926). In dit lab, dat destijds bekendstond als ‘de koudste plek op Aarde’, ontdekte Kamerlingh Onnes het principe van supergeleiding, slaagde hij er voor het eerst in om helium vloeibaar te maken (bij -269 °C) en daarna wist hij nog de laagste temperatuur ooit te bereiken: minder dan één graad boven het absolute nulpunt (-273,15 °C, 0 °K); in 1913 zal Kamerlingh Onnes ook een Nobelprijs ontvangen voor zijn “onderzoek naar de eigenschappen van materie bij lage temperaturen.” Einstein beschouwt Lorentz en Kamerlingh Onnes als de briljantste natuurkundigen van hun tijd, en tijdens die eerste ontmoeting in 1911 lijkt dat gevoel wederzijds te zijn. Er ontstaat een collegiale vriendschap en die leidt al snel tot intensieve uitwisseling en innige samenwerking. Vanaf dat moment is Einstein met grote regelmaat in Leiden te vinden. Op verzoek van zijn boezemvriend Paul Ehrenfest (1880-1933), als hoogleraar theoretische natuurkunde inmiddels de opvolger van Lorentz, aanvaardt hij in 1920 een aanstelling als bijzonder hoogleraar namens het Leids Universiteits Fonds, en verzorgt hij enkele malen per jaar gastcolleges. Het was ook Ehrenfest bij wie hij na het winnen van de Nobelprijs in 1921 zijn vulpen achterliet. Einstein wint die prijs voor zijn onderzoek aan het foto-elektrisch effect, het principe waarop onze moderne sensoren en zonnepanelen zijn gebaseerd, niet voor de relativiteitstheorieën waarmee hij pas later beroemd zou worden; die waren in de wetenschappelijke kringen van 1921 nog lang niet algemeen geaccepteerd. Een andere geleerde vriend die we vaak zien op de foto’s aan de zolderwanden van Museum Boerhaave, is de wiskundige en astronoom Willem de Sitter (1872-1934), destijds directeur van de Leidse sterrenwacht waar Einstein talloze uren doorbracht met discussies over een of andere kosmologische constante die helemaal niet constant kan zijn, of waar hij, in eenzaamheid en vanuit een speciale stoel, met de grote telescoop de kosmos bestudeerde. Deze Leidse vriendengroep stond aan de basis van al het voortschrijdend natuurwetenschappelijk inzicht dat een eeuw later de kern van onze moderne technologische beschaving vormt.

In de week voorafgaand aan ons bezoek aan Einsteins vulpen publiceert het eerbiedwaardige wetenschappelijk tijdschrift Nature een artikel dat wereldwijd de voorpagina’s haalt. Een onderzoeksgroep onder leiding van de Delftse hoogleraar Ronald Hanson (Instituut QuTech) had vastgesteld dat twee verstrengelde deeltjes, in dit geval elektronen die zich op een afstand van zo’n 1300 meter van elkaar bevinden, inderdaad het – volgens de klassieke natuurkunde onmogelijke – gedrag vertonen dat al de tijd van Einstein was berekend door onderzoekers in het toen nog splinternieuwe vakgebied van de kwantumfysica (of kwantummechanica), maar nog altijd niet door waarneming aangetoond (Hanson et al., 2015). Kwantumfysica is de tak van de natuurwetenschap die het gedrag van het allerkleinste onderzoekt en beschrijft: lichtdeeltjes (fotonen), elektronen, protonen en quarks (de bouwstenen van atomen), allerlei soorten bosonen en meer. In 1900 was het bestaan van dergelijke deeltjes voor het eerst aangekaart door de Duitse natuurkundige Max Planck (1858-1947), die ze ook de naam kwantum (meervoud: kwanta) geeft. Hanson borduurt niet alleen voort op het werk van de Leidse kameraden. Geleerden als het echtpaar Pierre (1859-1906) en Marie Curie (geboren Skłodowska, 1867-1934) en Louis duc de Broglie (1892-1987) in Frankrijk, Niels Bohr (1885-1962) in Denemarken, Werner Heisenberg (1901-1976) in Duitsland, Richard Feynman (1918-1988) in de Verenigde Staten en nog heel wat anderen bijten hun tanden stuk op de (soms bizarre) wetten van de kwantumfysica en winnen daar Nobelprijzen voor. Het begon met de ontdekking dat atomen, lange tijd gedefinieerd als de kleinst mogelijke, homogene en ondeelbare eenheden van alle vormen van elementaire materie, desondanks ook zelf weer zijn opgebouwd uit nog veel kleinere elementaire eenheden, die zich bovendien compleet anders gedragen dan de atomen waarvan ze deel uitmaken en volledig andere eigenschappen hebben. Het kwantumniveau lijkt zich zelfs niets aan te trekken van de klassieke wetten van de Newtoniaanse mechanica. Kwanta kunnen gelijktijdig zowel materie met massa als golfbeweging zonder massa zijn. Ze zijn op hetzelfde moment op verschillende plaatsen aanwezig zijn, en hun plaats en toestand worden alleen manifest als ze worden waargenomen (gemeten). Ze kunnen zodanig met elkaar verbonden (verstrengeld) worden dat ze zelfs op enorme onderlinge afstanden toch gelijktijdig (instantaan) op elkaar reageren. De ontdekking van kwantumgedrag opent nieuwe deuren naar een andere werkelijkheid achter de klassieke natuurkunde, een wereld die pas aan het licht kwam toen zij kon worden waargenomen, lees: gemeten. Nadat Max Planck in 1900 op basis van waarnemingen de eerste kwantumhypothese had geformuleerd, regende het fonkelnieuwe theorieën die niet alleen de fundamentele gedragingen van atomen moesten verklaren, maar ook de kosmische orde en het ontstaan van het universum. Die theorieën waren afgeleid uit sluitende berekeningen, feitelijke waarnemingen en zorgvuldige metingen, en werden getoetst aan de resultaten van experimenten in de harde werkelijkheid. Filosofische of religieuze redeneringen, Bijbelverhalen, mythen en legenden, onzichtbare (lees: onmeetbare) Scheppers, ze leken allemaal irrelevant geworden en waren niet langer nodig om de loop der dingen te verklaren. Voor het eerst in de geschiedenis van mens en beschaving leek het erop dat het universum, met alles erop en eraan en erin, zonder hulp of ingrijpen van goden of God kon zijn ontstaan, en kan voortbestaan.

De werkkamer van Albert Einstein in Princeton (VS). Bij commentaar op de rommel repliceerde hij: “Als een rommelig bureau een teken is van een rommelige geest, waarvan is dan een leeg bureau een teken?”. Bron: Goed.is. Klik op de foto voor een andere opname in hogere resolutie en zoek de verschillen.

Volgens de klassieke natuurkunde bestaat het waarneembare (meetbare) altijd, ook als het niet direct wordt waargenomen. Dat klinkt logisch: op het moment dat iemand Einsteins bureau op een gevoelige plaat vastlegt, bevriest hij een tastbare werkelijkheid die niet zomaar verdwijnt als de fotograaf naar huis gaat om in zijn donkere kamer de foto af te drukken. We nemen voetstoots aan dat de op die foto vastgelegde werkelijkheid alleen kan veranderen door een actie van buitenaf: bijvoorbeeld als de tastbare Einstein zijn kantoor binnenstapt en de pijp, de inktpot of iets anders verplaatst. In de klassieke natuurkunde wordt tastbare materie met massa, of het nu een enkel atoom op Aarde is of een enorm zwart gat in het centrum van een melkwegstelsel, beschreven als manifestatie van één en dezelfde, dus letterlijk universele basisvorm die ‘energie’ wordt genoemd. Alle energie, op Aarde en in de kosmos, is onderworpen is aan natuurwetten waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn. Een van die wetten gebiedt dat energie niet verloren kan gaan, maar wel van het ene materiële voorwerp op het andere kan worden overgedragen; de gevolgen van zulke overdrachten nemen wij waar als de loop der dingen. Einstein wist dit concept, dat alles kan worden herleid tot interactie van energie, samen te vatten in de wiskundige formule die hem onsterfelijk zou maken: E=mc2. E staat in die vergelijking voor energie, m voor massa, c is de lichtsnelheid, een constante van 299.792.458 meter per seconde. Een andere wet uit de klassieke natuurkunde dat deze snelheid van het licht, die alleen bereikt kan worden in de totale leegte van een vacuüm, tevens een maximamsnelheid is, sneller zou onmogelijk zijn. Daarnaast had Max Planck vastgesteld dat zowel energie als massa, ruimte en tijd – joules, grammen, meters en seconden – allemaal uit kwanta bestaan; deze kleinste Planck-eenheden hebben een constante waarde en zijn ondeelbaar. Deze kwanta met overal en altijd dezelfde waarde leken aldus de universele bouwstenen van alles wat er in de kosmos gebeurt en valt waar te nemen. Al die kennis werd in de loop van de 20e eeuw met elkaar in samenhang gebracht, in vergelijkingen gevat en getoetst aan waarnemingen die werden gedaan in Aardse laboratoria, of met telescopen en ruimtevaartuigen werden opgevangen in de kosmische werkelijkheid; tal van ooit mysterieuze verschijnselen konden eindelijk worden ontrafeld en verklaard. De kruisbestuiving van klassieke natuurkunde en kwantumfysica leidde eveneens tot de ontwikkeling van steeds geavanceerdere (en complexere) instrumenten waarmee nieuwe, tot dan toe alleen in theorie beschreven fenomenen konden worden waargenomen (of juist gefalsificeerd); voorbeelden zijn de radiotelescoop, de elektronenmicroscoop en de deeltjesversneller. Oude theorieën verdwenen naar de prullenbak en werden vervangen door nieuwe hypothesen – die vervolgens weer regelmatig door andere onderzoekers werden ontkracht. Een groot aantal van de hierboven genoemde geleerden ontvangt de Nobelprijs voor Natuurkunde. Pierre Curie, de mede-ontdekker van het radioactief verval – kwantumfysica bij uitstek – loopt hem mis als hij in 1906 in Parijs struikelt en onder een rijdende koets komt. Hij is op slag dood maar zijn partner (in huwelijk en onderzoek) Marie zet het werk voort en ontvangt de prijs vijf jaar later alsnog. En Richard Hanson is nu nog te jong voor zo’n prestigieuze onderscheiding, maar als hij zo doorgaat zal het er vast en zeker ooit van komen, als hij tenminste niet voortijdig struikelt en onder een Delftse sneltram komt – een voertuig dat zonder inzicht in de kwantumfysica niet zou hebben bestaan.

Toegepaste kwantumtechnologie in de kinderschoenen: dashboard van een Volkswagen uit 1959 met in het dashboard een Blaupunkt transistorradio (gebouwd vanaf 1969). Bron: Classiccult.

Al dat voortrazend inzicht in de mysterieën van de natuur heeft vergaande consequenties gehad, niet alleen in de wetenschap maar ook ver daarbuiten. Er zijn compleet nieuwe vakgebieden ontstaan: elektrotechniek, kernfysica, materiaalkunde, chemie, farmacie en veel meer. Overal werden met de nieuwe kennis niet alleen wetenschappelijk instrumentarium, maar praktische maatschappelijke toepassingen ontwikkeld. Zonder inzicht in de (kwantummechanische) wijze waarop elektronen zich door verschillende materialen bewegen (in de volksmond noemen we die bewegingen ‘elektriciteit’), zouden de mogelijkheden van zogenaamde halfgeleiders niet zijn ontdekt; kennis die cruciaal was voor het ontwikkelen van de diodes en transistors die de loodzware, elektriciteit vretende kast vol kwetsbare, gloeiendhete glazen buizen veranderden in de kleine, handzame transistorradio die aan een simpele batterij (ook kwantumfysica) genoeg had: gemakkelijk mee te nemen naar het strand, schokbestendig en eenvoudig in te bouwen in het dashboard van de auto – in den beginne was dat vaak een Volkswagen, destijds per definitie een Kever, omdat de Duitse firma Blaupunkt als eerste zo’n compacte (en gepatenteerde) autoradio met buitenantenne speciaal voor dit autotype ontwierp – over de markante geschiedenis van de Volkswagen (en van Blaupunkt) zult u meer kunnen lezen in deel IV van De Beschaver, Handelsgeest, De Fabrikant). De steeds verdere verfijning van de halfgeleidertechnologie maakt het na verloop van tijd mogelijk om steeds grotere hoeveelheden geïntegreerde elektronische schakelingen op een steeds kleiner glasplaatje te plaatsen: dat zijn de chips waarmee onze computers, mobiele telefoons en tal van andere ‘slimme’ apparaten tegenwoordig met bijna de lichtsnelheid berekeningen kunnen uitvoeren, waarvan de uitkomsten bijna even snel wereldwijd verspreid kunnen worden; ook het internet zou niet hebben bestaan zonder inzicht in de wetten van de kwantumfysica. Kwantumgedrag ligt aan de basis van lasertechniek, medische scans, radiologie, satellietnavigatie, nanotechnologie, en ook van nucleaire energie en kernwapens; over dat laatste aspect van wetenschappelijke vooruitgang zult u meer lezen in deel V, Oorlogskunst, De Maarschalk. Hoe het ook zij, we kunnen vaststellen dat anno 2018 ruwweg een derde van het bruto nationaal inkomen in de zogenoemde ‘ontwikkelde industrielanden’ domweg niet zou worden verdiend als het bestaan van kwanta onbekend was gebleven. We moeten eveneens consteren dat zowel de wereldeconomie als de moderne beschaving er dan heel anders zouden hebben uitgezien. Hoe anders zullen we nooit weten. Nieuwe ontdekkingen kunnen nu eenmaal niet worden teruggedraaid, net zo min als de maatschappelijke toepassingen die erop volgen: stofzuigers, koelkasten, wasmachines, automobielen, vliegtuigen, melkrobots, ziekenhuizen enzovoort. Eenmaal ontdekt en toegepast laten voortschrijdend inzicht en de bijbehorende uitvindingen zich nauwelijks (of niet) meer uit een beschaving verdringen, dat gebeurt alleen als er iets wordt ontdekt dat nóg beter blijkt te werken dan voorgaande verworvenheden. Dat laatste aspect, de gevolgen van nieuwe ontdekkingen die grote veranderingen in beschavingen (kunnen) veroorzaken, zult u nog regelmatig tegenkomen in de verhalen en betogen van De Beschaver.

Impressie van de wijze waarop de zwaartekracht van Aarde de ruimtetijd vervormt. Op de tekening is ook de in 2004 gelanceerde satelliet afgebeeld, die deze tot dan alleen nog theoretisch berekende vervorming in de werkelijkheid moest nameten. Einstein, de oorspronkelijke bedenker, zag zijn gelijk postuum bevestigd: ruimtetijd bestaat en wordt vervormd door zwaartekracht. Bron: NASA. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In de eerste decennia van de 20e eeuw leek een wetenschappelijke Theorie van Alles binnen handbereik te komen: elegante, algemeen geldende verklaringen voor alle mysteries in het universum, gebaseerd op eeuwige, onwrikbare natuurwetten en keiharde constanten, zonder dat moest worden teruggevallen op de interventie van onmeetbare hogere machten. Deze ultieme wensdroom van veel natuurkundigen kreeg al in 1935 een flinke opdoffer toen een wetenschappelijk betoog van Einstein et al. de paradox van verstrengeling naar voren bracht. Na lang rekenen, waarbij ze tussendoor ook de theorie van de wormgaten onder de loep namen – een fenomeen dat tijdreizen in het universum (of zelfs tussen universa) mogelijk zou maken – komen Einstein (inmiddels hoogleraar aan Harvard University in de Verenigde Staten) en zijn collega’s Boris Podolsky (1896-1966) en Nathan Rosen (1909-1995) tot de conclusie dat verstrengeling onverenigbaar is met de inmiddels goeddeels geaccepteerde theorieën van zwaartekracht en relativiteit uit de klassieke natuurkunde. Toch vormt het concept van verstrengeling een cruciale hoeksteen in het gebouw van de kwantumfysica. Het stelt dat verstrengelde deeltjes altijd en overal elkaars tegenpool moeten zijn, zelfs als ze zich op enorme afstand van elkaar bevinden. Dat betekent dat als het ene deeltje zich in toestand A bevindt, bijvoorbeeld een specifieke (meetbare) spin vertoont, het andere deeltje altijd en op hetzelfde moment in toestand min A verkeert (dus in gelijke, maar tegengestelde spin). Dat concept kan alleen werken als de informatie over de toestand van het ene deeltje door het andere instantaan – dus met een reistijd van nul seconden – wordt waargenomen. De relativiteitstheorie gebiedt daarentegen dat niets zich sneller kan verplaatsen dan licht in vacuüm, zelfs informatie niet. Einstein en zijn collega’s komen er niet uit. Einstein noemt verstrengeling: “Spukhafte Fernwirkung”, spookachtige werking op afstand, en concludeert in de verhandeling van 1935 dat de kwantummechanische beschrijving van de kosmische werkelijkheid als ‘niet compleet’ moest worden beschouwd.

Destijds – en nog lang daarna – dicteerden de theorieën van relativiteit en gravitatie dat nergens in het universum iets kan bestaan dat zich sneller verplaatst dan lichtdeeltjes (kwanta) in lege ruimte (vacuüm), een snelheid die moet worden gemeten in meters per seconde (m/s). Instantaniteit kan daarmee alleen op hetzelfde punt in de ruimte plaatsvinden – het aantal meters moet nul zijn om de gewenste uitkomst – eveneens nul – te krijgen. Einstein heeft niet mogen (hoeven?) meemaken dat er in de natuurwetenschap anno 2018 geen twijfel meer over bestaat dat informatie-overdracht tussen verstrengelde deeltjes ook op (grote) afstand instantaan plaatsvindt – het principe is inmiddels meermaals empirisch (door waarneming) bewezen, voor het eerst door prof. Hanson en zijn Delftse jonge honden. Ruim tachtig jaar na de bedenkingen van Einstein et al. weten we nu zeker dat informatie in nul seconden over talloze, in principe oneindig veel meters kan worden overgedragen. Dat het zolang heeft geduurd is verklaarbaar: om als bewijs te overtuigen moet ook worden gezorgd dat het waarnemen (meten) van de tegengestelde spin van verstrengelde deeltjes eveneens instantaan is gebeurd – en dat is razend gecompliceerd. De verdienste van Hansons team is dan ook vooral dat door het ingenieuze ontwerp en de dito opstelling van hun meetapparatuur in de eerste plaats het probleem van de instantane meting wisten te overwinnen; hun artikel in Nature beschrijft dan ook vooral de waarnemingstechnieken die werden gebruikt en gaat nauwelijks over kwantumverstrengeling.

Al twee jaar na de publicatie van Hanson et al. volgt uit China een vergrotende trap. Een onderzoeksteam van de Universiteit voor Wetenschap en Technologie in Sjanghai weet, met een satelliet als meetinstrument, instantane informatie-uitwisseling tussen verstrengelde quarks op een afstand van 1200 kilometer aan te tonen (Ji-Gang et al. 2017). De Chinese onderzoekers zijn vermetel genoeg om in hun onderzoeksverslag een oeroud, maar in de natuurkunde altijd als ‘onmogelijk’ geduid begrip nieuw leven in te blazen: ze spreken van de teleportatie van informatie tussen de verstrengelde deeltjes. Teleportatie heeft wereldfaam verworven als het fenomeen dat kapitein James Kirk uit de sciencefictionserie Star Trek (1966-1969) in staat stelde om instantaan naar het sterrenschip USS Enterprise terug te keren; hij vroeg dan aan hoofdingenieur Montgomery Scott om hem weer omhoog te stralen: “Beam me up, Scotty“. Uiteraard beweert prof. Ji-Gang met de formulering ‘teleportatie van informatie’ niet dit principe eveneens op klassieke materie kan worden toegepast, laat staan op levende lijven als dat van kapitein Kirk. Wel voorspelt hij dat het onderzoek naar verstrengeling op korte termijn zal leiden tot praktische toepassingen, bijvoorbeeld in een onmogelijk meer te hacken kwantumcomputer, die ook nog eens sneller dan het licht zal zijn. Ook Hanson en het QuTech Instituut voor Nanowetenschap zijn inmiddels volop mee bezig met het implementeren van verstrengeling in praktische toepassingen. Eind 2017 publiceert het instituut over het gebruik van verstrengeling in grootschalige kwantumnetwerken. De komst van machines die instantaan informatie over oneindige afstand kunnen uitwisselen lijkt nog slechts een kwestie van tijd – die overigens nog altijd relatief is…

Te midden van het tumult rond verstrengeling rekent de Amsterdamse hoogleraar theoretische natuurkunde Erik Verlinde (1962) onverdroten verder aan een nieuwe interpretatie van materie, ruimtetijd en zwaartekracht. In feite ontwikkelt Verlinde een Hypothese van Alles, en in wetenschappelijke wandelgangen wordt al gefluisterd dat als hij die hypothese sluitend weet te krijgen en er een theorie van kan maken, hij daarmee zonder twijfel een Nobelprijs in de wacht zal slepen; sommige vakbroeders noemen hem zelfs ‘de nieuwe Einstein’, al moet hij daar zelf niets vabn hebben. Volgens Verlinde komen materie, ruimtetijd, zwaartekracht (en zelfs de leegte van een vacuüm) allemaal voort uit een en dezelfde verstrengelde structuur van krachtvelden, die oneindig en alomvattend zijn en waarin alle informatie ligt opgeslagen die nodig is om het universum alles te laten doen wat het doet; alles manifesteert zich uit deze informatie en meer is er niet nodig. Verlindes visie maakt niet alleen het universum oneindig (exit Oerknal, exit parallelle universa), maar schrapt ook de (nog altijd niet waargenomen) donkere materie (energie) uit de kosmische vergelijkingen die de klassieke natuurkunde nog altijd nodig heeft om de waargenomen bewegingen van verre sterrenstelsels en de uitdijing van het heelal adequaat te kunnen verklaren. En niet alleen in Amsterdam, maar wereldwijd wordt naarstig verder gezocht naar bruggen die geslagen kunnen worden tussen de tegenstrijdige werelden van de klassieke natuurkunde en de kwantumfysica; de snaartheorie is een voorbeeld van zo’n unificatietheorie (lees: Theorie van Alles), waaraan bijvoorbeeld de inmiddels wereldberoemde Nederlandse hoogleraar theoretische natuurkunde en directeur van het gerenommeerde Institute for Advanced Study in Princeton (VS) Robbert Dijkgraaf (1960) zijn carrière heeft gewijd. Zo schrijdt de wetenschap voort, stap voor stap langs onbekende kronkelwegen vol onvermoede uitzichten, doorkijkjes en kruisverbanden. Het zal trouwens nog wel even duren voordat een echte Theorie van Alles daadwerkelijk een leer kan worden, en zelfs dan is nog niets ook echt zeker. De hierboven al genoemde Amerikaanse kwantumfysicus Richard Feynman hield zijn studenten steevast voor: “Een wetenschapper is nooit zeker van zijn zaak. Dat weten we allemaal. We weten dat al onze verklaringen bij benadering zijn, met verschillende gradaties van zekerheid, als een verklaring wordt afgegeven is het niet de vraag of iets wel of niet waar is, maar veeleer hoe waarschijnlijk het is dat iets wel of niet waar is. Mensen zoeken naar zekerheid. Maar zekerheid bestaat niet.” Daar zullen we het mee moeten doen, nu en in de eeuwigheid.

Tekening uit Summa Logicae, een manuscript van de Engelse Franciscaner monnik William van Ockham, met opschrift: ‘Dit is broeder Ockham’ (Frater Occham iste). Bron: Wikimedia Commons.

Al in 1341 beschreef de Engelse franciscaner monnik William van Ockham (of Occam, 1288-1347) de wet van de spaarzaamheid (Latijn: lex parsimoniae), in zijn manuscript Summa Logicae, een overzicht van de toenmalige logica en taalfilosofie. Dit principe, tegenwoordig bekend als ‘Ockhams Scheermes‘, stelt dat wanneer een verschijnsel door meer dan één hypothese bevredigend verklaard kan worden, de hypothese met de minste aannames (vooronderstellingen) en entiteiten (toeters en bellen) doorgaans de juiste is. Wij zouden dat tegewoordig de elegantste oplossing noemen, of de eenvoudigste – om met Goethe te spreken: “In de beperking toont zich de meester”. Je kunt bijvoorbeeld de onzichtbare wisselwerking tussen tuinkabouters, deva’s en het rijk der planten opnemen in een hypothese die de verschijnselen van de groei en bloei in de natuur verklaart (en daarmee een heel eind komen), maar Ockhams Scheermes laat zo’n verklaring alleen toe zolang er geen hypothese zonder allerlei paranormale entiteiten voorhanden is. Vanaf het eind van de 18e tot ver in de 20e eeuw hanteren de zich met rasse schreden ontwikkelende natuurwetenschappen het scheermes waarmee Goden en geesten uit de klassieke opvattingen van hemel en aarde worden weggesneden. Het Bijbelse scheppingsverhaal wordt vervangen door een begin met een Oerknal, en volgens Erik Verlinde zelfs door een oneindig en eeuwig universum dat er altijd is geweest. Adam, Eva en alle andere mensen zijn sinds de ontdekking van de evolutie van soorten in de 19e eeuw niet meer als zodanig door God geschapen, maar stammen nu af van aapachtige wezens, die zelf uit weer andere schepselen zijn ontstaan. Niet alleen de klassieke natuurkunde ging de afgelopen tweehonderd jaar volledig op de schop, maar ook in de biologie (plant-, dier- en menskunde), de geneeskunde en de chemie is alles anders geworden. Almachtige opperwezens die alles bestieren lijken nu overal voorgoed van hun tronen gestoten, en vervangen door onafhankelijke natuurwetten die chemische reacties aansturen. Zodat nu, bijna halverwege de eerste helft van de 21e eeuw, de almachtige God die onze beschaving millennia lang heeft beheerst nu helemaal verdwenen lijkt – zelfs uit het Friese Jorwerd.

❂❂❂

2.

Carolus Linnaeus in Laplandse dracht. Schilderij door Martin Hoffman, 1737. De hier afgebeelde versie van het schilderij, dat veelvuldig werd gekopieerd, is in het bezit van het Naturalis Biodiversity Center, Leiden. Klik op de foto voor het schilderij van Museum Boerhaave in hogere resolutie, en klik hier voor een overzicht van andere kopieën.

Tijdens onze zoektocht naar Einsteins vulpen in Museum Boerhaave stuitten we op een opmerkelijk schilderij van de Zweedse arts, botanicus, zoöloog en geoloog Carolus Linnaeus (Carl von Linné; 1707-1778), net als Einstein een regelmatig bezoeker van de Lage Landen. Linnaeus was de bedenker van de eerste systematische indeling (taxonomie) van al het destijds bekende leven op Aarde: planten, dieren, mensen. Zijn levenswerk, bekend geworden als Systema Naturae (Stelsel der Natuur), vormt tot op de dag van vandaag de wetenschappelijke basis voor de manier waarop het Aardse leven in verschillende rijken, afdelingen, klassen, ordes, families, geslachten en soorten wordt onderverdeeld. Het schilderij verbeeldt Linnaeus ten voeten uit, met in de rechterhand een versgeplukt Linnaeusklokje (Linnaea borealis), zijn favoriete plantje. Dit groenblijvende lid van de kamperfoeliefamilie groeit en bloeit tot ver boven de poolcirkel, en vormt in zijn eentje een (monotypisch) geslacht dat Linnaeus in de taxonomie naar zichzelf heeft vernoemd; op bijna elke afbeelding waarop hij voorkomt is ook dit plantje wel ergens te zien. Op dit schilderij is de botanicus van top tot teen gestoken in de traditionele kleding van de Saami, nomadische rendiervolken in het Scandinavische Hoge Noorden dat vroeger Lapland (Lapponia) werd genoemd en tegenwoordig Sápmi heet. Aan Linnaeus riem hangen, naast enkele wetenschappelijke instrumenten, een jachtmes en twee buidels met symbolen die we ook tegenkomen in Scandinavische rotstekeningen uit de prehistorie; de riem zelf is daar eveneens mee versierd. Maar het schilderij trok toch vooral mijn aandacht door het voorwerp dat Linnaeus in zijn linkerhand heeft: een kleine platte trommel die is voorzien van een traditionele (en zeer specifieke) voorstelling van de Vier Werelden met de Zon als middelpunt. Die tekening onderscheidt de trom in een oogopslag van zomaar een trommel. Het gebruik van zulke trommels is van oudsher exclusief voorbehouden aan sjamanen (noaidi); het zijn de instrumenten (‘voertuigen’) waarmee zij in de Andere Werkelijkheid kunnen reizen. Deze speciaal voor (en/of door) sjamanen gebouwde en beschilderde trommels worden als bezield beschouwd, ze zijn strikt persoonlijk, niet te koop en worden ook nooit zomaar weggegeven; zo’n trommel in handen van een godsvruchtig en belijdend wetenschapper als Linnaeus is alleen al daarom uiterst curieus. Hij noemde zijn trommel een runentrom (Zweeds: ‘runebom’), etnografen uit zijn tijd spreken van ‘trolltrumma’, trollentrommels. Linnaeus bleek reuze fier op zijn exemplaar, net als op de andere Saami attributen die hij in 1732 op zijn eerste onderzoeksreis door Sápmi verzameld had. Toen hij in april 1735 naar Nederland vertrok, voor zijn promotie tot doctor in de geneeskunde aan de Universiteit van Harderwijk en de publicatie van de eerste editie van Systema Naturae, had hij zijn hele verzameling Saami spullen bij zich. Hij droeg zijn ‘Laplandse dracht’ tijdens de promotie in Harderwijk, bij colleges en voordrachten, en in Hamburg voerde hij tijdens zo’n voordracht zelfs een sjamaanse ‘seance’ met de trommel uit (N. Zorgdrager, 2008).

Noorse prent van een trommelende sjamaan en zijn hulpgeesten. De prent is onderdeel van de digitale presentatie The Northern Lights (Universiteit van Tromsø), zonder bronvermelding of datering. Het onderschrift vermeldt verder: “De missionarissen verbrandden de trommels omdat ze werden gezien als instrumenten van de Duivel. De spirituele gidsen van de sjamaan werden als kwade geesten beschouwd.”

Over de herkomst van zijn runebom blijft Linnaeus echter in het vage, zowel in het reisverslag voor de Wetenschappelijke Sociëteit als in enige andere publicatie, waarvan hij er in de loop van zijn leven nog vele het licht zal doen zien, rept hij er met geen woord over. Als hij in 1732 bij de Noorse Bergsaami (rendierhoeders) verblijft, schrijft hij alleen een losse opmerking in zijn dagboek: “Ik hoorde een vreemd verhaal van iemand die trommels bij de Lappen weghaalde, samen met bepaalde afbeeldingen. Als hij op een trommel stuitte, gaf hij de Lap opdracht hem af te staan maar de Lap weigerde.” Over het rituele gebruik van zulke trommels zitten er alleen wat losse aantekeningen in Linnaeus ongepublceerde nalatenschap, waarschijnlijk samengevat uit een niet meer te achterhalen origineel: “Dan wordt een Laps lied op de trommel geslagen Hoor het sparrenhout zingen en galmen, de goede rendierhuid dreunt, de runen hier zijn runenbanden [onleesbaar] en een toegewijd lied van de Laplander”, gevolgd door: “Een ring, een slang of een kikker wordt op de trom gelegd en hij slaat met een hamer tot hij stopt bij een of ander dier, dan voorspelt hij iets. Runentrommel Aangeschaft”. Linnaeus kreeg zijn trommel, die overigens aan de achterkant is gesigneerd door zijn oorspronkelijke eigenaar, ‘Anders Nilsson i Graan’ (uit Granbyn)2, zeer waarschijnlijk van Georg Wallin jr., zoon van de eminente en invloedrijke Lutherse bisschop Georg Wallin sr., die in 1715 door zijn vader op inspectie naar de Saami van Lycksele werd gestuurd. Daar raakt de jonge Wallin geïnteresseerd in de oude tradities van de noaidis, niet het minst in hun trommels – een ontwikkeling die kennelijk meer van de religieus-politieke toezichthouders in Saamiland overkwam. Lang niet alle geconfisqueerde heidense rituele voorwerpen blijken ook daadwerkelijk vernietigd te zijn, in de depots van vele etnografische en andere musea – in Scandinavië en elders – zijn ze in ieder geval nog altijd volop terug te vinden, vaak eeuwenoud. Linnaeus schonk zijn trommel uiteindelijk aan het Musée Nationale de France in Parijs, dat hem na verloop van tijd ruilde met het Nationaal Historisch Museum in Stockholm ruilde voor een aanzienlijke verzameling Saami kunstvoorwerpen. In 1933 verhuist de trom opnieuw: nu naar het depot van het Linnaeus Museum in Uppsala, waar hij nog altijd verblijft – onzichtbaar voor en inmiddels vrijwel onbekend bij een groter publiek.

‘De Levenswijze van de Laplanders’, illustratie in Deel I van The English Atlas, uitgegeven door Moses Pitt (1680); boven zien we een momentopname van de zomer, op de traditionele ontmoetingsplaats bij de kerk, onder een jagerskamp in de winter. Aan het waarheidsgehalte van de afgebeelde scenes kan worden getwijfeld, maar opvallend is dat zowel in de zomer als in de winter heidense rituelen zijn afgebeeld. Buiten de kerk worden ’s zomers een menselijke schedel en een drietal potten op pilaren aanbeden; ook zijn een aantal naakte gevangenen en een schavot met drie afbeeldingen van demonen en hakblokken voor onthoofdingen afgebeeld. In het winterkamp zien we bij de linkertent een noadi met zijn hulpgeest (een rendier), en een andere die met zijn trommel een sceance bij een cliënt uitvoert. Ook wordt een ritueel met een grote staande trommel uitgevoerd. Bron: Norsk Folkemuseum – Saamiblog. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Dat Linnaeus nauwelijks iets vertelt over zijn runentrommel of andere magische kunsten van de noaidi is overigens volkomen verklaarbaar. Hij is tenslotte de zoon van een zeer invloedrijke geestelijke en predikant, en ook zelf een overtuigd en belijdend christen met goede connecties in de Lutherse geestelijkheid in Zweden. Zijn reis door Sápmi maakt hij door van kerk naar kerk te trekken, en onderweg verblijft hij doorgaans in een pastorie of bij andere notabelen – dus niet in de nomadententen van de Saami zelf. De bekering tot het chistendom van deze laatste Scandinavische heidenen in de barre, spaarzaam bevolkte arctische wildernis van Sápmi lijkt in de eerste helft van de 18e eeuw trouwens een voldongen feit, zeker op papier. De traditionele ontmoetingsplaatsen, die de Saami vaak al millennia lang gebruikten voor uitwisseling, handel en (vaak rituele) samenkomsten, zijn dan in elk geval allemaal voorzien van een kerk met pastorie, een politiepost met cellenblok en een belastingkantoor.

De wereldberoemd geworden tekening van een Tunguz sjamaan, een met de Saami vergelijkbare cultuur van jagers en verzamelaars uit Noord-Siberië, gemaakt door cartograaf, verzamelaar, schrijver, diplomaat en (uiteindelijk) burgemeester van Amsterdam Nicolaes Witsen, eind 17e eeuw. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Desondanks moeten we aannemen dat ook in Linnaeus’ tijd (en ver daarna) de voorchristelijke tradities en opvattingen van de Saami, onder het oppervlak en onttrokken aan het toeziend oog van kerk en staat, toch nog springlevend waren. Dat bewijzen bijvoorbeeld de beschrijvingen en illustraties van 17e-eeuwse schrijvers en cartografen als de Engelse Moses Pitt, maker van The English Atlas, of de Nederlander Nicolaes Witsen, de cartograaf, schrijver, diplomaat en verzamelaar die zijn carrière zal voltooien als burgemeester van Amsterdam. Uit hun prenten en beschrijvingen blijkt zonneklaar dat de rituelen van traditionele nomaden als de Saami, die al in de middeleeuwen door christelijke kroniekschrijvers in Scandinavië waren opgetekend, een kleine duizend jaar na kerstening van de eerste Vikingkoningen nog lang niet zijn uitgeroeid. In veel reisbeschrijvingen en atlassen zien we afbeeldingen van noaidis met trommels; het vereren van afgodsbeelden, heidense altaren, heilige rotsen en berggeesten lijkt schering en inslag. Waarschijnlijk doet ook in Linnaeus’ tijd de omschrijving nog opgeld die de Deense geschiedschrijver en theoloog Saxo Grammaticus (Saxo de Geletterde, ~1150-~1208) van de Saami geeft in zijn zestiendelige kroniek Gesta Danorum, Daden der Denen: “Bekwame tovenaars en voortreffelijke jagers”. En ook de woorden van de Duitse missionaris, theoloog en kerkelijk kroniekschrijver Adam van Bremen (vóór 1050 – 1081/1085), auteur van de Gesta Hammaburgensis Ecclaesiae Pontificum (Daden der Bisschoppen van de Hamburgse Kerk)1 zullen vast en zeker in de 18e eeuw ook nog hout hebben gesneden: “Alle inwoners van Noorwegen zijn vrome christenen, behalve degenen die het hoge Noorden bewonen. Deze mensen zitten zo boordevol tovenarij en gegoochel dat zij beweren dat ze van iedere persoon op de wereld weten wat hij aan het doen is. Ze kunnen grote zeewezens laten stranden door simpelweg wat magische spreuken te mompelen.”

Twee illustraties uit Cérémonies et Coutumes Religieuses de Tous les Peuples du Monde, van de Frans-Nederlandse graveur Bernard Picart (1725). Boven wordt een offer gebracht aan de god Tiermes of Thora Galles (Grootvader), die bij de Vikingen bekend stond als Ðor en bij de Germanen als Donar. Onder wordt gebeden bij Sieidi of Seidda stenen: grote rotsblokken in de vorm van mensen of dieren die soms op natuurlijke wijze zijn gevormd, en soms door mensenhand uitgehakt of bijgewerkt. In Nederland zijn vergelijkbare veldkeien in een aantal hunebedden verwerkt. Bron: Saamiblog.

Het feit dat Linnaeus zich zo prominent en ten voeten uit in traditionele Laplandse dracht laat afbeelden, voorzien van heidense symboliek en met een authentieke trollentrommel in zijn hand, kan worden opgevat als een niet al te heimelijke stellingname tegen de heersende maatschappelijke (en kerkelijke) moraal van zijn tijd. Volgens die moraal werden nomadische ‘wilden’ als de Saami beschouwd als primitief en minderwaardig, en behoorde het tot de taak van beschaafde christenmensen om hen te verheffen tot godvrezende, hardwerkende en vooral nederige onderdanen van koningen en aartsbisschoppen, die zich zonder morren voegen naar het van God gegeven gezag. Die beschaving kon de wilden worden aangeleerd met kracht van argumenten en stevig aandringen, en als ze niet wilden luisteren met harde hand en zo nodig grof geweld. Als vanaf het einde van de 15e eeuw door zeevaarders in dienst van allerlei koningen steeds meer gebieden in Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Azië en tenslotte Australië onder Europees gezag worden gebracht, zien we vergelijkbare bekerings- en beschavingsoffensieven ook daar schering en inslag worden (zie deel VII, Levensruimte). Toch mogen we gevoeglijk aannemen dat een man als Linnaeus, toch een devoot christen, zich tijdens zijn reizen door Sápmi weinig gelegen liet liggen aan het beschaven der wilden. Dat heeft wellicht te maken met zijn opvatting (kennelijk eveneens gevormd door zorgvuldige waarneming), dat alles wat zich in het Aardse tranendal bevindt en afspeelt onvervreemdbaar deel uitmaakt van Gods schepping, zowel het allerkleinste als het allergrootste – en alles wat daar tussen ligt – zijn het gevolg van Zijn wil en oordeel. Dat geldt dus ook voor de Saami met hun afwijkende zeden en gewoonten; zij behoren evenzeer tot de werken Gods als het christendom of het planten- en dierenrijk, en als we dat niet kunnen begrijpen (of willen aanvaarden) dan ligt dat aan ons en niet aan de Saami. Volgens Linnaeus, strak in de leer als hij is, hoeven gewone stervelingen in feite geen oordeel te vellen over de moraliteit van andere stervelingen. Dat kan God namelijk heel goed zelf en waarschijnlijk beter: Hij straft onmiddellijk en wie goed oplet kan zelf waarnemen hoe effectief Hij daar voortdurend mee bezig is. In een verzameling notities en anekdotes onder de titel Nemesis Divina (Gerechtigde Wrake Gods, Nemesis was de Griekse wraakgodin en een dochter van Zeus) toont Linnaeus zich zo’n oplettende waarnemer. Aan de hand van Bijbelteksten en tal van praktijkvoorbeelden – waarvan een groot aantal uit zijn directe omgeving – probeert hij de onontkoombaarheid van Gods oordeel en straf inzichtelijk te maken. In deze bundel aantekeningen en anekdotes, pas een eeuw na zijn dood in druk verschenen en oorspronkelijk alleen opgeschreven als morele leidraad voor zijn zoon Carl jr. die hem uiteindelijk zal opvolgen als hoogleraar aan de Universiteit van Uppsala), trekt een stoet van (vaak notabele) echtbrekers, rovers, moordenaars, geldwolven en politieke intriganten aan de lezer voorbij. Allemaal worden ze op een of andere manier door het noodlot getroffen: ziekte, waanzin, ongeluk, verlies van bezittingen, een voortijdige dood, enzovoort; in het originele handschrift worden ze allemaal met naam en toenaam genoemd. Velen behoren tot alom gerespecteerde en beroemde Zweedse families, en Linnaeus beschouwt hun lotgevallen als onomstotelijk bewijs van Gods strikte rechtvaardigheid: Hij velt zijn oordelen zonder zich iets van menselijke naam en faam of andere opvattingen aan te trekken, zonder aanzien des persoons maakt Hij korte metten met  wat Hem onwelgevallig is. Linnaeus geloofde dat alles, dus ook iets als heidendom, deel uitmaakt van de absolute, alles beheersende Goddelijke orde waar mensen geen invloed op kunnen hebben – dus ook niets aan kunnen veranderen. Het is deze Goddelijke orde die zijn nieuwsgierigheid heeft gewekt, en die hij koste wat het kost wil doorgronden, beschrijven en ordenen – een taak waar hij dan ook zijn hele werkzame leven aan heeft gewijd.

Kalkstenen wijaltaar van de Keltisch-Germaanse vruchtbaarheidsgodin Nehalennia. Zij was de beschermvrouwe van zeelieden en handelaars en is hier in Romeinse stijl afgebeeld met de hoorn des overvloeds, een rijkgevulde fruitmand en een hond; het altaar is oorspronkelijk afkomstig uit de eveneens in Romeinse stijl gebouwde tempel voor Nehalennia in Ganuenta op Noord-Beveland, tussen 150 en 250 AD. Deze votiefsteen werd, net als vele andere afbeeldingen van de godin, vaak door vissers teruggevonden op de bodem van de Oosterschelde. Zij doen vermoeden dat de verering van Nehalennia ook in de Romeinse tijd in deze contreien nog springlevend moet zijn geweest. Dit altaar bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden en was tot voor kort te zien in het Zeeuws Museum in Middelburg. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In het eerste kwart van de 18e eeuw, als Linnaeus door Sápmi reist, zijn de christelijke bekeringsoffensieven onder de Saami pas luttele decennia eerder op stoom gekomen. Hoewel er in de middeleeuwen al sprake zou zijn van gekerstende Saami, ze worden bijvoorbeeld genoemd door Adam van Bremen, moeten we er toch van uitgaan dat veruit de meeste Saami alleen op papier van overtuigd waren  christenen waren. Dat het christendom nauwelijks tot de Saami was doorgedrongen is logisch. Zij bewonen niet alleen een barre, voor buitenstaanders moeilijk te bereizen wereld van sneeuw en ijs die ’s zomers verandert in een van muggen vergeven landschap vol moerassen en woeste smeltwaterrivieren, ze zijn ook nog eens voortdurend onderweg. Pas vanaf 1542 begint de Zweedse Vader des Vaderlands, koning Gustav I Wasa (1496-1560), werk te maken van het onderwerpen van Sápmi aan zijn gezag, onder het motto: “Al het ongebruikte land behoort tot God, aan ons en aan de Zweedse kroon, en verder aan niemand”; volgens de toenmalige opvattingen is land ongebruikt als er zich geen steden of dorpen met akkers en weiden op bevinden. In eerste instantie zijn er echter maar weinig Zweedse christenen bereid om het wilde land van de Saami voor hun koning te koloniseren, en ook het verder kerstenen van de wilden zelf komt nauwelijks van de grond.xxxx Dat verandert als in  Tot in de 17e eeuw  in zijn Zij gingen min of meer gelijk op met de pogingen van de Zweedse koning Gust maar tot Sápmi waren ze nog nauwelijks doorgedrongen. Gewijde trommels en andere rituele voorwerpen worden door politie en geestelijkheid actief opgespoord, in beslag genomen en in het openbaar verbrand; als een betrapte noaidi blijft volharden in hekserij of waarzeggerij kan hij of zij tot lange gevangenisstraf en uiteindelijk zelfs ter dood worden veroordeeld. Maar over het algemeen levert deze vorm van beschaven weinig meer op dan een camouflerend laagje christelijke schijn over springlevend blijvende heidendom in het geniep. Het veranderen (of uitroeien) van voorchristelijke spirituele gebruiken (religie), vaak overgeleverd in de loop van vele millennia, is altijd en overal een moeizaam karwei gebleken – in deel III van De Beschaver, Godes Dienst, zullen u daarvan nog tal van andere voorbeelden worden voorgeschoteld. Het opleggen van beschaving door afwijkende tot ‘het enige ware geloof’ te ‘bekeren’ is een typische uitvinding het christendom, al werd het later ook in andere godsdienstige stromingen (zoals bijvoorbeeld de islam) geïntegreerd. Een voorchristelijke veroveraar als de veldheer, consul en dictator van Rome Gaius Iulius Ceasar (100-44 v.C.) onthield zich nog van het opleggen van religieuze dwangmaatregelen toen hij de barbaarse stammen van Gallië aan het Romeinse gezag onderwierp, en ook zijn opvolgers lieten zich weinig gelegen liggen aan bekeringsdrang. Alles kon blijven zoals het was, cultuur, spiritualiteit en het lokale pantheon, zolang de betreffende barbaren zich maar nederig schikten naar de nieuwe orde en zonder morren hun belastingen betaalden – wie zich daartegen verzette werd domweg verpletterd of uitgeroeid – zie Jezus van Nazareth, die eerder om zijn politieke uitstraling (Koning der Joden) dan om zijn godsdienstige opvattingen gekruisigd werd. In bezette gebieden onder de vleugels van Rome richtten veel oude tradities zich doorgaans als vanzelf naar het model van de nieuwe machthebbers. Zo verrezen in Ganuenta, bij Colijnsplaat op de Scheldekust van Noord-Beveland, en bij Domburg op Walcheren al snel na het verschijnen van Ceasars legioenen (53 v.C.) grote tempels in Romeinse stijl voor de Keltisch-Germaanse vruchtbaarheidsgodin Nehalennia, van oudsher de beschermvrouwe van zeelieden en handelaars. Ook de grootste in Romeinse stijl gebouwde tempel ten noorden van de Alpen, in Elst bij Nijmegen, was gewijd aan de lokale (Bataafse) variant van een Germaanse god: Donar of Ðor, Hercules Magusanus in het Latijn; ook in Empel bij ‘s-Hertogenbosch stond een tempel voor deze god. Toen de kerstening van Noord-Europa aan het einde van de zesde eeuw door paus Gregorius de Grote (of de Goede) gestructureerd ter hand werd genomen, werd deze strategie niet volledig losgelaten, maar wel aangepast aan het nieuwe doel: godsdienstige verovering in plaats van militaire. Zo schreef Gregorius in juni van het jaar AD 601 een brief met instructies aan Augustinus, destijds hoofd van de missie in het Engelse Kantelberg (Canterbury): “De tempels van de idolen van dat volk moeten zo weinig mogelijk worden verwoest, maar de [heidense] beelden die zich binnen bevinden moeten verwoest worden. Laat hem [de missionaris] gezegend water nemen, er deze tempels mee besprenkelen, er altaren bouwen en relikwieën plaatsen. Omdat, als deze tempels goed gebouwd zijn, het noodzakelijk is dat zij veranderd zullen worden van de cultus van de demonen naar de dienst aan de ware God opdat, als het volk deze tempels niet verwoest ziet, zij hun vergissing vanuit het hart opgeven en, de ware God erkennend en vererend op de plaats waar zij het gewoon zijn, in goed vertrouwen samenkomen.” De instructies kwamen er in grote lijnen op neer dat de oude riten en cultusplaatsen een christelijke invulling moesten krijgen, maar verder min of meer intact moesten blijven: “Omdat zij de gewoonte hebben veel vee als offer voor demonen te slachten, moet hun in ruil een andere plechtigheid voor deze gewoonte gegeven worden. En zo op de dag van de inwijding [van de kerk] of de gedenkdagen van de heilige martelaren, wier relikwieën er geplaatst zijn, laat hen dan rond de uit tempels gevormde kerken hutten van boomtakken bouwen en de plechtigheid met godsdienstige feesten vieren.” De heidense geesten en goden moesten dan wel veranderen in christelijke entiteiten – zo werd de voormalige vruchtbaarheidsgodin Nehalennia veranderd in Maria, moeder Gods, Sterre der Zee en beschermvrouwe van zeelieden – maar hun feesten en rituele vieringen konden met een christelijke invulling blijven bestaan: “Laat hen niet aan de duivel offeren. En laat hen dieren slachten om God te eren voor hun voedsel en lof brengen aan de Schenker van alle dingen voor hun verzadiging opdat, terwijl door hen bepaalde uiterlijke vreugden worden bewaard, zij makkelijker in staat zijn te delen in de innerlijke vreugde”, schreef Gregorius. Zo werden de Germaanse lenterituelen, die van oudsher waren gericht op het afsmeken van een vruchtbaar nieuw groeiseizoen en in Germanië gepaard gingen met een groot vuur waarin het oude werd verbrand om plaats te maken voor het nieuwe, gekerstend tot het paasfeest waarbij de opstanding van Christus werd gevierd, waarbij de grote vuren bleven bestaan – op veel plaatsen op het Nederlandse en Duitse platteland tot op de dag van vandaag, net als de oude Germaanse symbolen voor vruchtbaarheid (de haas) en het nieuwe leven (eieren en kuikentjes). De oude Lichtfeesten in de donkere dagen rond midwinter, waarbij de terugkeer van het licht moest worden bevorderd door flink wat lawaai te maken om daarmee de demonen van de duisternis te verjagen, leven voort in het Oost- en Noord-Nederlandse midwinterhoornblazen. In de nachten tussen midwinter en Driekoningen wordt een lange hoorn van berkenhout aangeblazen boven de waterput, waardoor het geluid enorm wordt versterkt en tot in de wijde omgeving doordringt. Ook het wild geraas dat nog altijd onze moderne decemberdagen en de jaarwisseling kenmerkt, is gegrondvest op de oeroude (lees: heidense) traditie van het met veel kabaal en misbaar verjagen van de winterse duisternis om ruimte te maken voor de terugkeer van de lente met haar vruchtbaarheid en nieuw leven brengende zonlicht.

De heilige Bonifatius velt de aan Donar (Ðor) gewijde eik in Geismar, een grensboom tussen het al deels gekerstende Hessen en het nog heidense Nedersaksen; de leider van de onthutste groep heidenen links, de man met het mes, is een Germaanse druïde, de ‘opvolger’ van de sjamaan van eerdere jagersverzamelaar-culturen. Duitse schoolplaat uit het begin van de 20e eeuw naar een schilderij van Heinrich Maria von Hess uit 1834/44. Bron: ABC Net (Australië). Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

De eerste christelijke missionarissen, die vanaf het begin van de zevende eeuw Noord-Europa binnentrokken, bouwden hun kerken steevast op de traditionele cultusplaatsen van de heidenen, ontmoetingscentra die vaak al duizenden jaren in gebruik waren. De behoedzame dwang van Gregorius de Goede werd al snel aangevuld met rigoureuzer methoden. In de hagiografie van de Ierse missionaris Bonifatius (Mooi Aangezicht), die in de eerste helft van de achtste eeuw onder de Friezen en Chatten in het noorden van het Frankische rijk werkte, staat beschreven hoe hij op een aan de Germaanse god Donar gewijde cultusplaats op de grens van Hessen en Nedersaksen een heilige eik omhakte, om daarmee aan te tonen dat zijn God machtiger was dan Donar; het hout gebruikte hij om een aan de apostel Petrus gewijde kapel te bouwen op de plaats waar de boom en de altaren hadden gestaan. We kunnen met een gerust hart aannemen dat dergelijke daden voor de heidense Friezen bij Dokkum een motief vormden om de inmiddels hoogbejaarde missionaris in 754 alsnog dood te slaan – al valt niet uit te sluiten dat ordinaire roof van de voorraad miswijn en de gouden kruizen die Bonifatius en zijn delegatie bij zich droegen daarbij eveneens een rol hebben gespeeld.

Hoe het ook zij, het vermoorden van missionarissen betekent slechts uitstel van executie. Bonifatius’ opvolger Liudger slaagt er al aan het einde van de achtste eeuw in om de Friezen van het huidige Noord-Nederland (Drenthe, Groningen en Friesland) tot het christendom te bekeren. Van Liudger is bekend dat hij zonder scrupules heidense tempels met de grond gelijk maakte, zoals op het eiland Helgoland waar hij rond 785 de heiligdommen en gewijde bronnen van de Germaanse god van de rechtspraak Fosite verwoestte en vervolgens kerstende. Het is dan ook vast niet toevallig dat veel middeleeuwse kerken in Noord-Nederland gebouwd zijn op terpen en wierden, die het hart vormden van de lokale gemeenschappen. In Drenthe, bijvoorbeeld in Anloo of Odoorn, werd een aantal van die kerken gebouwd van (of gefundeerd op) veldkeien die hoogstwaarschijnlijk ooit deel uitmaakten van hunebedden, steencirkels of andere prehistorische bouwwerken, die al sinds de Nieuwe Steentijd (~ 7500 jaar voor heden) in gebruik waren geweest3 (zie fotobijlage Het Gekerstend Hunebed).

Het frontispice van Linnaeus’ Flora Lapponica, uitgegeven door Salomon Schouten in Amsterdam (1737), verbeeldt een landschap waarin tal van aspecten van de Saami cultuur zijn terug te vinden. Op de voorgrond zien we een in traditionele dracht gestoken figuur die een sjamaantrommel bespeelt; hij heeft de gelaatstrekken van Linnaeus zelf. Helemaal vooraan is een tweede sjamaantrommel met stok afgebeeld, rechts ernaast groeit een Linnaeusklokje. Bron: Researchgate. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Terug naar Linnaeus, de koppige waarnemer, godsvruchtig christen, bewonderaar van verkapte heidenen en liefhebber van trollentrommels. En terug naar Einstein, nieuwsgierig observator van en rekenaar aan sterren en planeten, die openlijk verklaarde dat hij de christelijke leer nogal naïef en kinderachtig vond en niets moest hebben van de God van Abraham die in de hemelen troont en de scepter zwaait over het wel en wee van de mensheid. In zijn jeugd was dat anders. Zijn enige zuster Maja Winteler-Einstein herinnert zich: “Hij was zo vurig omtrent zijn religieuze gevoelens dat hij uit zichzelf de [Joodse] religieuze voorschriften tot in elk detail volgde. Hij at bijvoorbeeld geen varkensvlees. Hij deed dat vanuit zijn geweten, niet omdat zijn familie hem het goede voorbeeld gaf. Hij bleef jarenlang trouw aan deze zelfgekozen levenswijze. Later maakten deze religieuze gevoelens plaats voor filosofische gedachten, maar een absoluut strikte loyaliteit aan zijn geweten bleef een leidend motief.” Linnaeus, immers zoon van een dominee, had dat goede voorbeeld wel en bleef het zijn hele leven volgen. Toch volgde ook hij uitsluitend zijn geweten en liet hij zich weinig gelegen liggen aan de starre kerkelijke dogma’s van zijn tijd. Dat deed hij niet alleen door te koketteren met een sjamaantrommel en zijn ‘Lappendracht’, maar ook in zijn wetenschappelijke werk. Zo verscheen in 1735 in Leiden de eerste editie van zijn later wereldberoemd geworden Systema Naturae (Indeling van de Natuur), twaalf pagina’s in dubbel folio waarin hij planten en dieren op grond van hun uiterlijke kenmerken indeelt in rijken, klassen, ordes, geslachten en soorten; elke soort krijgt een eigen naam van twee woorden die zowel het geslacht als de soort aangeven: het Linnaeusklokje heet voortaan Linnaea borealis en de mens Homo sapiens. De Systema Naturae zou uiteindelijk dertien edities krijgen (de laatste verscheen 1788, tien jaar na zijn dood) en telde uiteindelijk tien delen met in totaal ruim 6250 pagina’s. Dit levenswerk van Linnaeus, en dan vooral zijn systematische wijze van naamgeving aan de levende soorten op Aarde, vormt tot op de dag van vandaag de wetenschappelijke standaard.

De taxonomische klasse der Quadrupedia en de orde der Anthropomorpha in de eerste editie van Linnaeus’ Systema Naturae. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

De eerste editie van Systema Naturae baart meteen veel opschudding, vooral in theologische kringen. Het werk opent met een indeling van het Dierenrijk (Regnum Animale). In de klasse der Viervoeters (Quadrupedia), volgens Linnaeus herkenbaar aan ‘een harig lijf met vier poten, de vrouwen zijn levendbarend en geven melk (lactiferae)’, staat bovenaan de orde der Anthropomorpha, dieren ‘met mensachtig uiterlijk’, waaronder de geslachten Homo (mensen), Simia (apen) en Badrypus (drietenige luiaards) vallen. Voor het eerst in de geschreven geschiedenis raakt de mens zijn unieke plaats in de schepping kwijt en wordt hij dier met de dieren, eerstgenoemd weliswaar, maar toch. Linnaeus verweert zich tegen het kerkelijk misbaar door fijntjes op te merken dat hij slechts de natuur beschreef zoals hij die had waargenomen en opgemeten, en betoogde dat de zuiver anatomische verschillen die hij tussen mensen en dieren had gevonden te klein waren om een apart rijk voor de mens te rechtvaardigen. Hij schreef zijn criticasters terug: “Ik daag u en de wereld uit mij een generiek verschil tussen mensen en Simia te tonen dat voortvloeit uit de principes van de Natuurlijke Historie. Ik heb er niet één gevonden. Kon iemand me er maar één noemen! Als ik de mens een Simia had genoemd of andersom, zou ik alle theologen tegen me gekregen hebben. Misschien had ik dat moeten doen, bij gratie van de wetten van dit vak.”.

Anthropomorpha die volgens Linnaeus als Paradoxa met een mensachtige gestalte moesten worden geclassificeerd: wel ooit beschreven, maar nooit goed bestudeerd. V.l.n.r.: Troglodyta Bontii, Lucifer Aldrovandi, Satyrus Tulpii, Pygmaeus Edwardi. De tekening is van Linnaeus’ leerling Christian Emmanuel Hoppius, in: Amoenitates Academicae, Stockholm 1763. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In Systema Naturae deelt Linnaeus Homo sapiens in vijf ondersoorten in. Het zeldzaamst noemt hij Homo ferus (‘wilde mens’), in de wildernis door beesten grootgebrachte kinderen zoals de Litouwse berenjongen, de Hessense en Pyrenese wolfskinderen en ook de tweeling Romulus en Remus, die volgens de legende gezoogd werd door een wolvin en later de stad Rome zou stichten. De vier andere ondersoorten, geen van allen zeldzaam, zijn ingedeeld op grond van hun (continentale) afkomst en huidskleur: achtereenvolgens Homo europaeus albus, Europees wit (zachtaardig en inventief), americanus rufus, Amerikaans rood (koppig, vrolijk en opvliegend), asiaticus luridus, Aziatisch vaalgeel (bleek, hebzuchtig en gemakkelijk afgeleid), en africanus niger, Afrikaans zwart (flegmatiek, uitgeslapen en nalatig). In deze eerste editie benoemt Linnaeus behalve de klassen der viervoeters (zoogdieren), vogels, amfibieën, vissen, insecten en wormen nog een extra – ongenummerde – groep van wezens, die hij weliswaar nooit heeft gezien maar waarvan het bestaan in oude literatuur wordt beschreven: de Paradoxa of fabeldieren. Hij noemt de hydra, phoenix, eenhoorn en de draak, maar twijfelt tegelijkertijd openlijk aan hun bestaan. Toen de burgemeester van Hamburg hem eens vol trots het stoffelijk overschot van een zevenkoppige hydra toonde, herkende hij het geval meteen als een verzameling aan elkaar geplakte onderdelen van wezels, slangen en andere beesten; Linnaeus vermoedde dat het ooit was samengesteld door monniken die het Beest uit het Bijbelboek Openbaringen aanschouwelijk hadden willen maken. Aanvankelijk deelde Linnaeus ook vier mensachtige Anthropomorpha in bij de Paradoxa. Zo is daar de ‘nachtmens’ Troglodyta Bontii, anatomisch moeilijk te onderscheiden van Homo sapiens en in de eerste eeuw na Christus beschreven door Plinius de Oudere, die hem troglodytes, grotbewoner had genoemd – troglodytes zal later de geslachtnaam worden voor de chimpansee. Een ander fabeldier met mensachtig uiterlijk is de ‘mens met een staart’ Lucifer Aldrovandi, die in 1645 als ‘vreemd gevormde aap’ was afgebeeld door de Italiaanse natuurvorser Ulysse Aldrovandi. Ook zien we de ‘kromme aap met harige benen onder een kale buik’ Satyr Tulpii, die moet zijn gebaseerd op het verslag van de ontleding van een ‘Indische satyr’ door de geneesheer en latere burgemeester van Amsterdam Prof. Nicolaes Tulp. Tulp kennen we ook als de docent die op het schilderij ‘De Anatomische Les‘ van Rembrandt van Rijn de arm van een ter dood gebrachte misdadiger ontleedt, maar in dit geval lag waarschijnlijk een orang-oetangvrouw op zijn snijtafel, die door een hoge VOC-ambtenaar uit Oost-Indië was meegenomen, als geschenk voor de menagerie van stadhouder Frederik Hendrik, en niet lang na haar komst in het veel te koude ‘moederland’ overleed. Tenslotte is er nog de ‘harige aap met harige kop en omgedraaide armen’ Pygmæus Edwardi, die waarschijnlijk een gorillavrouw is geweest. Pas veel later zal blijken dat Linnaeus hier geen fabeldieren, maar de meest directe verwanten van Homo sapiens heeft beschreven, die tegenwoordig een apart geslacht (superfamilie) vormen binnen de orde der Primaten (Linnaeus’ Simia): de mensapen van Afrika en Azië, die in het 18e-eeuwse Europa over het algemeen alleen in oude geschriften en plaatselijke legenden opdoken, verhalen die hooguit werden aangevuld met de sporadische waarnemingen van in het oerwoud ronddwalende (of verdwaalde) avonturiers en ontdekkingsreizigers. De ‘Indische satyr’ die zo’n tragisch einde vond op de snijtafel van professor Tulp moet een zeldzame uitzondering zijn geweest.

❅❅❅

3.

Redactionele spotprent van Charles Darwin, op 22 maart 1871 afgebeeld als aapmens in het satirische tijdschrift The Hornet (De Horzel) naar aanleiding van het verschijnen van diens boek over de afstamming van de mens, The Descent of Man. Het onderschrift luidt: “Een hooggeplaatste orang-oetang. Een bijdrage aan onnatuurlijke historie.” Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Linnaeus mag dan de eerste zijn geweest die in de 18e eeuw openlijk betwistte dat de mens door God buiten (en boven) de orde van de andere schepselen op Aarde was geplaatst, maar het zou nog meer dan honderd jaar duren voordat dit kerkelijk keurslijf door de wetenschap daadwerkelijk aan flarden werd gescheurd. Dat gebeurde vooral door publicaties van de Britse natuuronderzoeker Charles Robert Darwin (1809-1882), die in zijn revolutionaire studie naar de afkomst van de mens doodleuk beweerde dat Homo sapiens niet alleen bij de apen moest worden ingedeeld, maar zelfs rechtstreeks van hen afstamde (The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex; in het Nederlands vertaald als: De Afstamming van de Mens, en Selectie in Relatie tot Sekse, beiden verschenen in 1871. Zie over Darwins evolutieleer verder deel II van De Beschaver, Omwenteling, De Erfgenaam). Het bijna twee millennia in marmer gehouwen beeld van God en Zijn schepping verkruimelde nog verder door het werk van Einstein, zijn vrienden en opvolgers: in de eerste helft van de 20e eeuw de algemene relativiteitstheorieën, de kwantumfysica en de oerknal; de erfelijkheidsleer (genetica) die volgde uit het steeds beter begrijpen van de functies van DNA maakten uiteindelijk gehakt van alle oude dogma’s omtrent het leven. Toch maakte deze reeks van wetenschappelijke ontdekkingen (die tot op de dag van vandaag voortduurt) geen einde aan de religieuze gevoelens van de mens. Zelfs Einstein bleef geloven, en verklaarde eens: “Ik geloof in de God van Spinoza, die zich openbaart in een ordelijke harmonie van alles wat bestaat, niet in een God die zich bemoeit met het lot en handelen van mensen.” “God dobbelt niet”, zo wist hij ook, en hij geloofde dat mensen: “In de ogen van God allen even wijs – en even idioot zijn”. God veranderde slechts van vorm, hij werd even relatief als de ruimtetijd. Hij kon niet worden uitgesloten, stond ook niet in de weg, maar was voor het verklaren van de loop der dingen niet meer noodzakelijk of zelfs maar relevant. Nog een keer Einstein: “Wat me werkelijk interesseert, is of God een keuze had toen hij de wereld schiep”.

In de 21e eeuw begint God, nu in de oude vorm van Groot Mysterie, zelfs weer in de schepping terug te keren. Hij blijkt wel degelijk te dobbelen, althans volgens de kosmoloog, wiskundige en fysicus Stephen Hawking (1942-2018): “Einstein had het fout toen hij zei: ‘God dobbelt niet.’ De bestudering van zwarte gaten doet vermoeden dat God niet alleen met dobbelstenen speelt, maar dat hij ons soms in verwarring brengt door ze te gooien waar wij ze niet kunnen zien.” Ook Hawking: “Ik ben niet religieus in de normale zin. Ik geloof dat het universum beheerst wordt door de wetten van de wetenschap. Die wetten werden misschien bepaald door God, maar God grijpt niet in om deze wetten te breken”. Op een vraag of het universum door God geschapen was, antwoordde hij met een wedervraag: “Als er ooit een Schepper was, wie heeft dan die Schepper geschapen?” Het Groot Mysterie leeft kennelijk, en is zelfs in de harde natuurwetenschappen nog altijd onderwerp van discussie.

De Groenlandse sjamaan Angaangaq Angakkorsuaq Lyberth tijdens een ceremonie op en rond het hunebed van Balloo in Drenthe (2011), onder het motto: “Het Leven zelf is een ceremonie die het waard is om gevierd te worden met een ceremonie.” Foto: Josien Krosenbrink (Miste). Klik op de foto voor hogere resolutie.

“Zie je nou wel?”, zeggen de laatste sjamanen als die harde wetenschappers opnieuw een stukje mysterieuze werkelijkheid weten bloot te leggen. Want ze zijn er nog steeds, de overlevende heidenen die zich wisten te handhaven in de laatste resten wildernis aan de randen van onze beschaving. De laatste tientallen jaren komen ze weer tevoorschijn om hun stem te laten horen: met waarschuwingen aan het adres van de moderne (lees vooral: westerse) en inmiddels wereldwijd dominante beschavingen met hun drang naar eeuwige groei en opvattingen over hoe het menselijk leven moet worden ingericht om die groei te bewerkstelligen en behouden. Deze laatste min of meer authentiek gebleven heidenen op Aarde willen niet langer lijdzaam toezien hoe hun traditionele waarneming van de natuurlijke loop der dingen en van hun oorspronkelijke plaats daarin steeds verder verdwijnt in de altijd hongerige maag van wat wij beschaving noemen. Zij zien hoe hun ooit wilde leefgebieden steeds verder worden opgeslokt door mijnbouw, oliewinning, houtkap en plantages, of door duurzame projecten als waterkrachtcentrales of zonneparken. Zij willen niet worden opgeslokt in die vaart der volkeren, en voorspellen intussen: “Pas als de laatste boom geveld is zullen jullie ontdekken dat je geld niet kunt eten”. Het zijn deze, en andere wijsheden van de laatste sjamanen op (onze) Aarde die in de volgende hoofdstukken van De Beschaver een belangrijke rode draad zullen vormen.

❉❉❉


1. Deze Gesta Hammaburgensis Ecclaesiae Pontificum, een belangrijke bron voor de Scandinavische geschiedenis tussen het optreden van de eerste missionarissen in 788 en de jaren waarin Adam deze kronieken schreef, van 1073 tot 1076.

2. De Zweedse etnograaf Ernst Mauritz Manken beschrijft deze Anders Nilsson in zijn monografie over de trommels van de Saami (Die Lappische Zaubertrommel: Eine Ethnologische Monographie, 1938): “Anders Nilsson Pont die woont in de buurt van Sorsele maar daar nooit naar de kerk gaat”.

3. Onder Nederlandse archeologen bestaat consensus over het feit dat megalithische bouwwerken als hunebedden in de laatste fase van het neolithicum (Nieuwe Steentijd) in onbruik raakten. Zij baseren die stelling op het feit dat ze bij opgravingen van hunebedden alleen aardewerk van de Trechterbekercultuur aantroffen, en niet van de latere culturen die vanaf zo’n 4500 jaar voor heden ontstonden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat deze plekken daarmee ook hun functie van ontmoetings- en/of cultusplaats voor de verschillende gemeenschappen in de regio verloren. Een berg opeengestapelde enorme veldkeien (Drents: ‘stienbult’ of ‘stienbarg’) zal hoe dan ook in alle tijden tot de verbeelding hebben gesproken. Zie ook deel II, Omwenteling, De Voedseltemmer.

 

Verder kijken en meer lezen:

Presentatie van prof. Erik Verlinde over zijn hypothesen omtrent donkere materie, donkere energie en zwaartekracht (Engelstalig).

Samenvatting door Arnold Jan Scheer van zijn documentaire Wild Geraas (2016), over de voorchristelijke oorsprong van het Sinterklaasfeest. Met veel kabaal, duistere demonen, echte Zwarte Pieten en het gebruik van de roe.

Stephen Hawking: A Brief History of Time. Een publieksvriendelijk geschreven overzicht van nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten over ruimtetijd, zwarte gaten, wormgaten, de geschiedenis van het universum en veel meer. In het Nederlands vertaald onder de titel: Een Korte Geschiedenis van de Tijd.

Brian Greene: The Fabric of the Cosmos: Space, Time, and the Texture of Reality is eveneens een zeer toegankelijk boek over de tot op heden ontraadselde geheimen van de kosmos en de Theorie van Alles. In het Nederlands vertaald als: De Ontrafeling van de Kosmos, Over de Zoektocht Naar de Theorie van Alles.

Carolus Linnaeus: Reis door Lapland 1732 (Iter Lapponicum). Nederlandse vertaling van de dagboeken die Linnaeus bijhield op zijn reizen door Sápmi (Lapland), met een inleiding van vertaler Ger Meesters. Redactie: Jeanette van Leeuwen.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.