I. Inleiding:
De Stamvader.

Een caleidoscopische zwerftocht langs de grondvesters van technologie
via de patriarch van de systematische indeling van levende soorten
naar de aartsvaderen van christelijke beschaving.

Een zekere hoeveelheid tegenspraak is voor de mens van grote waarde.
Vliegers stijgen op tegen de wind in, niet met de wind mee.

Lewis Mumford, historicus, wetenschapsfilosoof,
literair criticus en schrijver (1895-1990).

 

1.

 

We kunnen onze problemen niet oplossen met hetzelfde denkwerk
dat we gebruikten om ze te laten ontstaan.

Albert Einstein

 

De vulpen waarmee Albert Einstein zijn relativiteitstheorieën berekende. In 1921, het jaar waarin hij de Nobelprijs voor natuurkunde ontving, schonk Einstein de pen aan zijn speciale vriend en inspirator, de Oostenrijks-Nederlandse natuurkundige prof. Paul Ehrenfest, opvolger van Hendrik Lorentz aan de Rijksuniversiteit Leiden. Op het briefje schreef Ehrenfest: “Deze vulpen heeft Einstein jarenlang gebruikt en in ieder geval in de jaren van 1912 tot 1921 – zodat zijn ontwerpen en berekeningen over de algemene relativiteitstheorie en zwaartekracht in dit tijdsbestek met deze pen geschreven zijn.” Bron: Museum Boerhaave via Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Op een zomerse dag in de herfst van 2015 bezocht ik met een oude kameraad de tentoonstelling Einstein & Friends, in het Leidse Museum Boerhaave, het destijds nog aangenaam rommelige maar inmiddels duurzaam gerestaureerde en geheel vernieuwde museum dat zich tegenwoordig de schatkamer van de wetenschap noemt en nu een officieel Rijksmuseum is geworden. Einstein & Friends was de laatste expositie die voorafging aan de verbouwing, en wij gingen er vooral heen omdat we de groots aangekondigde publiekstrekker wilden zien: de vulpen waarmee Albert Einstein (1879-1955) een eeuw eerder de wiskundige vergelijkingen had opgeschreven die zijn ooit revolutionaire theorieën over zwaartekracht en de relativiteit van tijd en ruimte moesten onderbouwen. Aan het daadwerkelijk vinden van deze vulpen ging een buitengewoon interessante ontdekkingsreis vooraf. Op zoek naar de trap naar de zolderverdieping, waar de spullen van Einstein en zijn vrienden zouden zijn uitgestald, raakten we voortdurend de weg kwijt. Dat vonden we geen probleem. We dwaalden door volgestouwde maar verder verlaten zaaltjes en keken onze ogen uit naar Maagdenburger halve bollen, reusachtige kwikthermometers en barometers, glimmende telescopen, primitieve microscopen, mechanische planetaria, beschilderde globes van hemel en aarde, portretten van geleerden uit lang vervlogen tijden, elektriseermachines, pompen, motoren, chirurgisch gereedschap en ontleedmessen, menselijke lichaamsdelen op sterk water en nog talloze andere instrumenten en voorwerpen waarvan ons doel en functie te enen male boven de pet gingen – maar geen nood, hun intrinsieke schoonheid maakte alles goed. Na deze avontuurlijke zwerftocht langs de antieke wonderen der wetenschap vonden we tenslotte de trap naar zolder, en de expositie waarvoor we gekomen waren. Voor we bij de apotheose uitkwamen – de vulpen – passeerden we tientallen vitrines die bijna allemaal gevuld waren met vergeelde aantekeningen in moeilijk te ontcijferen handschriften, of met in druk verschenen publicaties die waren opengeslagen op de pagina’s waar Einstein of zijn vrienden lange, voor leken ondoorgrondelijke formules in de marges hadden gekrabbeld. Dit deel van de tentoonstelling leek voornamelijk gericht op kenners van de moderne wiskunde en natuurwetenschap, en dat waren wij nauwelijks. Maar gelukkig was er meer. De wanden van de zolderverdieping waren bedekt met talloze foto’s van Albert Einstein en zijn hooggeleerde Leidse vriendenclub. Veel van die foto’s gaven de indruk van een vrolijke, vrijgevochten groep zelfbewuste hemelbestormers, jong en oud gebroederlijk door elkaar, die zich in kennelijk ontspannen sfeer bezig hielden met het volledig opnieuw uitvinden van de natuurwetenschap.

Paul Ehrenfest en Albert Einstein met op schoot Paul jr. De foto is genomen in de huiskamer van Ehrenfest in Leiden, waar de boezemvrienden vaak duetten speelden (Einstein speelde viool). Als Einstein in Leiden was, logeerde hij steevast bij Ehrenfest. Foto: NEMO Kennislink. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Einstein hield van Leiden, hij noemde de stad ‘dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde’ waar hij kon ontsnappen aan het soms stuitende chauvinisme en nationalisme van de Duitse academische wereld aan het begin van de 20e eeuw. In 1911 bezoekt hij de stad voor het eerst, op uitnodiging van Leidse studenten die hem hadden gevraagd een lezing te verzorgen aan deze oudste universiteit van Nederland, in 1575 opgericht door de stadhouder van Holland, prins Willem ‘De Zwijger’ van Oranje. Einstein had de uitnodiging aanvaard omdat hij bij dan de gelegenheid zou hebben om de befaamde hoogleraar theoretische natuurkunde Hendrik Lorentz (1853-1928) te ontmoeten, die in 1902 met Pieter Zeeman (1865-1943) een Nobelprijs deelde voor hun onderzoek naar een effect van magnetische velden op licht, het Zeemaneffect. Ook wilde Einstein graag een bezoek brengen aan het cryologisch laboratorium van de zo mogelijk nog beroemdere hoogleraar toegepaste natuurkunde Heike Kamerlingh Onnes (1853-1926). In dit lab, dat destijds bekendstond als ‘de koudste plek op Aarde’, ontdekte Kamerlingh Onnes het principe van supergeleiding, slaagde hij er voor het eerst in om helium vloeibaar te maken (bij -269 °C); daarna wist hij nog de laagste temperatuur te bereiken die ooit op Aarde was gemeten: minder dan één graad boven het absolute nulpunt (-273,15 °C of 0 °K) – in 1913 zal ook Kamerlingh Onnes een Nobelprijs ontvangen voor zijn ‘onderzoek naar de eigenschappen van materie bij lage temperaturen’. Einstein beschouwt Lorentz en Kamerlingh Onnes als de briljantste natuurkundigen van hun tijd, en tijdens die eerste ontmoeting in 1911 blijkt dat gevoel wederzijds te zijn. Er ontstaat een collegiale vriendschap die al snel leidt tot intensieve uitwisseling en innige samenwerking. Vanaf dat moment is Einstein met grote regelmaat in Leiden te vinden. Op verzoek van zijn boezemvriend Paul Ehrenfest (1880-1933), als hoogleraar theoretische natuurkunde inmiddels de opvolger van Lorentz, aanvaardt hij in 1920 een aanstelling als bijzonder hoogleraar namens het Leids Universiteits Fonds, en verzorgt hij enkele malen per jaar gastcolleges. Het was ook Ehrenfest aan wie hij na het winnen van de Nobelprijs in 1921 zijn vulpen naliet. Einstein wint de prijs voor zijn onderzoek aan het foto-elektrisch effect, het principe waarop onze moderne sensoren en zonnepanelen zijn gebaseerd; niet voor de relativiteitstheorieën waarmee hij pas later beroemd zou worden, omdat die dermate bizar leken dat ze in de wetenschap van 1921 nog lang niet algemeen waren geaccepteerd. Een andere geleerde vriend die we vaak op de foto’s aan de zolderwanden van Museum Boerhaave zien, is de wiskundige en astronoom Willem de Sitter (1872-1934), destijds directeur van de Leidse sterrenwacht waar Einstein talloze uren doorbracht met discussies over een of andere kosmologische constante die helemaal niet constant kan zijn, of waar hij, in eenzaamheid en vanuit een speciale stoel, met de grote telescoop de kosmos bestudeerde. Pas later zal bijken dat deze Leidse vriendengroep de basis legde voor een groot deel van het steeds verder voortschrijdende natuurwetenschappelijk inzicht dat tegenwoordig de kern van onze moderne, technologisch georiënteerde beschaving vormt.

In de week voorafgaand aan ons bezoek aan Einsteins vulpen publiceert het eerbiedwaardige wetenschappelijk tijdschrift Nature een artikel dat wereldwijd de voorpagina’s haalt. Een onderzoeksgroep onder leiding van de Delftse hoogleraar Ronald Hanson (Instituut QuTech) had vastgesteld dat twee verstrengelde deeltjes, in dit geval elektronen die zich op een afstand van zo’n 1300 meter van elkaar bevinden, inderdaad het – volgens de klassieke natuurkunde onmogelijke – gedrag vertonen dat al de tijd van Einstein was berekend door onderzoekers in het toen nog splinternieuwe vakgebied van de kwantumfysica (of kwantummechanica), maar nog altijd niet door waarneming aangetoond (Hanson et al., 2015). Kwantumfysica is de tak van de natuurwetenschap die het gedrag van het allerkleinste onderzoekt en beschrijft: lichtdeeltjes (fotonen), elektronen, protonen en quarks (de bouwstenen van atomen), allerlei soorten bosonen en meer. In 1900 was het bestaan van dergelijke deeltjes voor het eerst aangekaart door de Duitse natuurkundige Max Planck (1858-1947), die ze ook de naam kwantum (meervoud: kwanta) geeft. Hanson borduurt niet alleen voort op het werk van bovengenoemde Leidse kameraden. Geleerden als het echtpaar Pierre (1859-1906) en Marie Curie (geboren Skłodowska, 1867-1934) en Louis duc de Broglie (1892-1987) in Frankrijk, Niels Bohr (1885-1962) in Denemarken, Werner Heisenberg (1901-1976) in Duitsland, Richard Feynman (1918-1988) in de Verenigde Staten en nog heel wat anderen in de (voornamelijk westerse) wereld hebben hun tanden al eerder stukgebeten op de (soms bizarre) wetten van de kwantumfysica. Het begon met de ontdekking dat atomen, lange tijd gedefinieerd als de kleinst mogelijke, homogene en ondeelbare eenheden van alle vormen van elementaire materie, desondanks ook zelf weer zijn opgebouwd uit nog veel kleinere elementaire eenheden, die zich bovendien compleet anders gedragen dan de atomen waarvan ze deel uitmaken en volledig andere eigenschappen hebben. Het kwantumniveau lijkt zich zelfs niets aan te trekken van de klassieke wetten van de Newtoniaanse mechanica. Kwanta kunnen gelijktijdig zowel materie met massa als golfbeweging zonder massa zijn. Ze zijn op hetzelfde moment op verschillende plaatsen aanwezig, en hun plaats en toestand worden alleen manifest als ze worden waargenomen (gemeten). Ze kunnen zodanig met elkaar verbonden (verstrengeld) worden dat ze zelfs op enorme onderlinge afstanden toch gelijktijdig (instantaan) op elkaar reageren. De ontdekking van kwantumgedrag opent nieuwe deuren naar een andere werkelijkheid achter de klassieke natuurkunde, een wereld die pas aan het licht kwam toen zij kon worden waargenomen, lees: gemeten. Nadat Max Planck in 1900 op basis van waarnemingen de eerste kwantumhypothese had geformuleerd, regende het fonkelnieuwe theorieën die niet alleen de fundamentele gedragingen van atomen moesten verklaren, maar ook de kosmische orde en het ontstaan van het universum. Die theorieën waren afgeleid uit sluitende berekeningen, feitelijke waarnemingen en zorgvuldige metingen, en werden getoetst aan de resultaten van experimenten in de harde werkelijkheid. Filosofische of religieuze redeneringen, Bijbelverhalen, mythen en legenden, onzichtbare (lees: onmeetbare) scheppers en andere entiteiten, ze leken allemaal irrelevant geworden en niet langer nodig om de loop der dingen te verklaren. Voor het eerst in de geschiedenis van mens en beschaving leek het erop dat het universum, met alles erop en eraan en erin, zonder hulp of ingrijpen van goden of God kon zijn ontstaan, en kan voortbestaan.

De werkkamer van Albert Einstein in Princeton (VS). Bij commentaar op de rommel repliceerde hij: “Als een rommelig bureau een teken is van een rommelige geest, waarvan is dan een leeg bureau een teken?”. Bron: Goed.is. Klik op de foto voor een andere opname in hogere resolutie en zoek de verschillen.

Volgens de klassieke natuurkunde bestaat het waarneembare (meetbare) altijd, ook als het niet direct wordt waargenomen. Dat klinkt logisch: op het moment dat iemand Einsteins bureau op een gevoelige plaat vastlegt, bevriest hij een tastbare werkelijkheid die niet zomaar verdwijnt als de fotograaf naar huis gaat om in zijn donkere kamer de foto af te drukken. We nemen voetstoots aan dat de op die foto vastgelegde werkelijkheid alleen kan veranderen door een actie van buitenaf: bijvoorbeeld als de tastbare Einstein zijn kantoor binnenstapt en de pijp, de inktpot of iets anders verplaatst. In de klassieke natuurkunde wordt tastbare materie met massa, of het nu een enkel atoom op Aarde is of een enorm zwart gat in het centrum van een melkwegstelsel, beschreven als manifestatie van één en dezelfde, dus letterlijk universele basisvorm die ‘energie’ wordt genoemd. Alle energie, op Aarde en in de kosmos, is onderworpen aan natuurwetten waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn. Een van die wetten gebiedt dat energie niet verloren kan gaan, maar wel van het ene materiële voorwerp op het andere kan worden overgedragen; de gevolgen van zulke overdrachten nemen wij waar als de loop der dingen. Einstein wist dit concept, dat alles kan worden herleid tot interactie van energie, samen te vatten in de wiskundige formule die hem onsterfelijk zou maken: E=mc2. E staat in die vergelijking voor energie, m voor massa, c is de lichtsnelheid in vacuüm, een constante van 299.792.458 meter per seconde. Een andere wet uit de klassieke natuurkunde stelt dat deze snelheid van het licht, die alleen kan worden bereikt in totale leegte, tevens een maximumsnelheid is – sneller zou onmogelijk zijn. Daarnaast had Max Planck vastgesteld dat zowel energie als massa, ruimte en tijd – joules, grammen, meters en seconden – allemaal uit kwanta bestaan; deze kleinste Planck-eenheden hebben een constante waarde en zijn ondeelbaar. Deze kwanta met overal en altijd dezelfde waarde leken aldus de universele bouwstenen van alles wat er in de kosmos gebeurt en valt waar te nemen. Al deze kennis werd in de loop van de 20e eeuw met elkaar in samenhang gebracht, in vergelijkingen gevat en getoetst aan waarnemingen, gedaan in aardse laboratoria of met telescopen en ruimtevaartuigen opgevangen in de kosmische werkelijkheid; tal van ooit mysterieuze verschijnselen konden zo eindelijk worden ontrafeld en verklaard. De kruisbestuiving van klassieke natuurkunde en kwantumfysica leidde eveneens tot de ontwikkeling van steeds geavanceerdere (en complexere) instrumenten waarmee nieuwe, tot dan toe alleen in theorie beschreven fenomenen konden worden waargenomen (of juist gefalsificeerd); voorbeelden zijn de radiotelescoop, de elektronenmicroscoop en de deeltjesversneller. Oude theorieën verdwenen naar de prullenbak en werden vervangen door nieuwe hypothesen – die vervolgens weer regelmatig door andere onderzoekers werden ontkracht. Een groot aantal van de hierboven genoemde geleerden ontvangt de Nobelprijs voor Natuurkunde voor al dit werk. Pierre Curie, de medeontdekker van het radioactief verval – kwantumfysica bij uitstek – moet de prijs in 1903 delen met zijn partner (in huwelijk en onderzoek) Marie en met Henri Becquerel, die in 1896 het verschijnsel van radioactiviteit had ontdekt; Marie Curie is daarmee de eerste vrouw aan wie deze prestigieuze prijs wordt toegekend. Pierre loopt het winnen van een eigen prijs mis als hij in 1906 in Parijs bij het oversteken struikelt en onder een rijdende koets terechtkomt. Hij is op slag dood (een Nobelprijs kan niet postuum worden gewonnen), maar Marie zet het onderzoek naar radioactieve elementen voort en ontvangt vijf jaar later een eigen Nobelprijs voor de scheikunde – de eerste wetenschapper die twee Nobelprijzen in verschillende disciplines ontving, en tot op heden ook de enige (de Amerikaanse chemicus, biochemicus en vredesactivist Linus Pauling kreeg ook twee verschillende Nobelprijzen: in 1954 voor de scheikunde, en in 1962 voor de vrede. De laatste prijs kreeg hij echter niet voor zijn wetenschappelijk onderzoek, maar voor activisme tegen oorlog en kernwapens.) Prof. Ronald Hanson (1976) is nu weliswaar nog wat jong voor deze prestigieuze onderscheiding, maar als hij zo doorgaat zal het er wellicht ooit van komen, althans, als hij niet voortijdig struikelt en onder een Delftse sneltram belandt – een voertuig dat zonder inzicht in kwantummechanica niet zou hebben bestaan.

Toegepaste kwantumtechnologie in de kinderschoenen: dashboard van een Volkswagen uit 1959 met daarin een kwartsklok en een Blaupunkt transistorradio (gebouwd vanaf 1969). Bron: Classiccult. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Al dat voortrazend inzicht in de mysteriën van de natuur heeft vergaande consequenties gehad, niet alleen in de wetenschap maar ook ver daarbuiten. Er konden compleet nieuwe vakgebieden door ontstaan: elektrotechniek, kernfysica, materiaalkunde, chemie, farmacie en veel meer. Overal werden met de nieuwe kennis niet alleen wetenschappelijk instrumentarium, maar praktische maatschappelijke toepassingen ontwikkeld. Zonder kennis van de (kwantummechanische) wijze waarop elektronen zich door verschillende materialen bewegen (in de volksmond noemen we die bewegingen ‘elektriciteit’), zouden de mogelijkheden van zogenaamde halfgeleiders niet zijn ontdekt; cruciaal voor het ontwikkelen van de diodes en transistors die een loodzware, elektriciteit vretende kast vol kwetsbare, gloeiendhete glazen buizen veranderden in de kleine, handzame transistorradio die aan een simpele batterij (ook kwantumfysica) genoeg had: gemakkelijk mee te nemen naar het strand, schokbestendig en eenvoudig in te bouwen in het dashboard van de auto – in den beginne was dat vaak een Volkswagen, destijds per definitie een Kever, omdat de Duitse firma Blaupunkt als eerste zo’n compacte (en gepatenteerde) autoradio met buitenantenne speciaal voor dit autotype ontwierp – over de markante geschiedenis van de Volkswagen (en van Blaupunkt) zult u meer kunnen lezen in deel IV van De Beschaver, Handelsgeest, De Fabrikant). De steeds verdere verfijning van de halfgeleidertechnologie maakt het na verloop van tijd mogelijk om steeds grotere hoeveelheden geïntegreerde elektronische schakelingen op een steeds kleiner glasplaatje te plaatsen: dat zijn de chips waarmee onze computers, mobiele telefoons en tal van andere ‘slimme’ apparaten tegenwoordig met bijna de lichtsnelheid berekeningen kunnen uitvoeren, waarvan de uitkomsten bijna even snel wereldwijd verspreid kunnen worden; ook het internet zou niet hebben bestaan zonder inzicht in de wetten van de kwantumfysica. Kwantumgedrag ligt aan de basis van lasertechniek, medische scans, radiologie, satellietnavigatie, nanotechnologie, en ook van nucleaire energie en kernwapens; over dat laatste aspect van wetenschappelijke vooruitgang zult u meer lezen in deel V, Oorlogskunst, De Maarschalk. Hoe het ook zij, we kunnen vaststellen dat anno 2018 ruwweg een derde van het bruto nationaal inkomen in de zogenoemde ‘ontwikkelde industrielanden’ domweg niet zou worden verdiend als het bestaan van kwanta onbekend was gebleven. We moeten eveneens consteren dat zowel de wereldeconomie als de moderne beschaving er dan heel anders zouden hebben uitgezien. Hoe anders zullen we nooit weten. Nieuwe ontdekkingen kunnen nu eenmaal niet worden teruggedraaid, net zo min als de maatschappelijke toepassingen die erop volgen: stofzuigers, koelkasten, wasmachines, automobielen, vliegtuigen, melkrobots, ziekenhuizen enzovoort. Eenmaal ontdekt en toegepast laten voortschrijdend inzicht en de bijbehorende uitvindingen zich nauwelijks (of niet) meer uit een beschaving verdringen, dat gebeurt alleen als er iets wordt ontdekt dat nóg beter blijkt te werken dan voorgaande verworvenheden. Dat laatste aspect, de gevolgen van nieuwe ontdekkingen die grote veranderingen in beschavingen (kunnen) veroorzaken, zult u nog regelmatig tegenkomen in de verhalen en betogen van De Beschaver.

Impressie van de wijze waarop de zwaartekracht van Aarde de ruimtetijd vervormt. Op de tekening is ook de in 2004 gelanceerde satelliet afgebeeld, die deze tot dan alleen nog theoretisch berekende vervorming in de werkelijkheid moest nameten. Einstein, de oorspronkelijke bedenker, zag zijn gelijk postuum bevestigd: ruimtetijd bestaat en wordt vervormd door zwaartekracht. Bron: NASA. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In de eerste decennia van de 20e eeuw leek een wetenschappelijke Theorie van Alles binnen handbereik te komen: elegante, algemeen geldende verklaringen voor alle mysteries in het universum, gebaseerd op eeuwige, onwrikbare natuurwetten en keiharde constanten, zonder dat moest worden teruggevallen op de interventie van onmeetbare hogere machten. Deze ultieme wensdroom van veel natuurkundigen kreeg al in 1935 een flinke opdoffer toen een wetenschappelijk betoog van Einstein et al. de paradox van verstrengeling naar voren bracht. Na lang rekenen, waarbij ze tussendoor ook de theorie van de wormgaten onder de loep namen – een fenomeen dat tijdreizen in het universum (of zelfs tussen universa) mogelijk zou maken – komen Einstein (inmiddels hoogleraar aan Harvard University in de Verenigde Staten) en zijn collega’s Boris Podolsky (1896-1966) en Nathan Rosen (1909-1995) tot de conclusie dat verstrengeling onverenigbaar is met de inmiddels goeddeels geaccepteerde theorieën van zwaartekracht en relativiteit uit de klassieke natuurkunde. Toch vormt het concept van verstrengeling een cruciale hoeksteen in het gebouw van de kwantumfysica. Het stelt dat verstrengelde deeltjes altijd en overal elkaars tegenpool moeten zijn, zelfs als ze zich op enorme afstand van elkaar bevinden. Dat betekent dat als het ene deeltje zich in toestand A bevindt, bijvoorbeeld een specifieke (meetbare) spin vertoont, het andere deeltje altijd en op hetzelfde moment in toestand min A verkeert (dus in gelijke, maar tegengestelde spin). Dat concept kan alleen werken als de informatie over de toestand van het ene deeltje door het andere instantaan – dus met een reistijd van nul seconden – wordt waargenomen. De relativiteitstheorie gebiedt daarentegen dat niets zich sneller kan verplaatsen dan licht in vacuüm, zelfs informatie niet. Einstein en zijn collega’s komen er niet uit. Einstein noemt verstrengeling: “Spukhafte Fernwirkung”, spookachtige werking op afstand, en concludeert in de verhandeling van 1935 dat de kwantummechanische beschrijving van de kosmische werkelijkheid als ‘niet compleet’ moest worden beschouwd.

Destijds – en nog lang daarna – dicteerden de theorieën van relativiteit en gravitatie dat nergens in het universum iets kan bestaan dat zich sneller verplaatst dan lichtdeeltjes (kwanta) in lege ruimte (vacuüm), een snelheid die moet worden gemeten in meters per seconde (m/s). Instantaniteit kan daarmee alleen op hetzelfde punt in de ruimte plaatsvinden – het aantal meters moet nul zijn om de gewenste uitkomst – eveneens nul – te krijgen. Einstein heeft niet mogen (hoeven?) meemaken dat er in de natuurwetenschap anno 2018 geen twijfel meer over bestaat dat informatie-overdracht tussen verstrengelde deeltjes ook op (grote) afstand instantaan plaatsvindt – het principe is inmiddels meermaals empirisch (door waarneming) bewezen, voor het eerst door prof. Hanson en zijn Delftse jonge honden. Ruim tachtig jaar na de bedenkingen van Einstein et al. weten we nu zeker dat informatie in nul seconden over talloze, in principe oneindig veel meters kan worden overgedragen. Dat het zolang heeft geduurd is verklaarbaar: om als bewijs te overtuigen moet ook worden gezorgd dat het waarnemen (meten) van de tegengestelde spin van verstrengelde deeltjes eveneens instantaan is gebeurd – en dat is razend gecompliceerd. De verdienste van Hansons team is dan ook vooral dat door het ingenieuze ontwerp en de dito opstelling van hun meetapparatuur in de eerste plaats het probleem van de instantane meting wisten te overwinnen; hun artikel in Nature beschrijft dan ook vooral de waarnemingstechnieken die werden gebruikt en gaat nauwelijks over kwantumverstrengeling.

Al twee jaar na de publicatie van Hanson et al. volgt uit China een vergrotende trap. Een onderzoeksteam van de Universiteit voor Wetenschap en Technologie in Sjanghai weet, met een satelliet als meetinstrument, instantane informatie-uitwisseling tussen verstrengelde quarks op een afstand van 1200 kilometer aan te tonen (Ji-Gang et al. 2017). De Chinese onderzoekers zijn vermetel genoeg om in hun onderzoeksverslag een oeroud, maar in de natuurkunde altijd als ‘onmogelijk’ geduid begrip nieuw leven in te blazen: ze spreken van de teleportatie van informatie tussen de verstrengelde deeltjes. Teleportatie heeft wereldfaam verworven als het fenomeen dat kapitein James Kirk uit de sciencefictionserie Star Trek (1966-1969) in staat stelde om instantaan naar het sterrenschip USS Enterprise terug te keren; hij vroeg dan aan hoofdingenieur Montgomery Scott om hem weer omhoog te stralen: “Beam me up, Scotty“. Uiteraard beweert prof. Ji-Gang met de formulering ‘teleportatie van informatie’ niet dit principe eveneens op klassieke materie kan worden toegepast, laat staan op levende lijven als dat van kapitein Kirk. Wel voorspelt hij dat het onderzoek naar verstrengeling op korte termijn zal leiden tot praktische toepassingen, bijvoorbeeld in een onmogelijk meer te hacken kwantumcomputer, die ook nog eens sneller dan het licht zal zijn. Ook Hanson en het QuTech Instituut voor Nanowetenschap zijn inmiddels volop mee bezig met het implementeren van verstrengeling in praktische toepassingen. Eind 2017 publiceert het instituut over het gebruik van verstrengeling in grootschalige kwantumnetwerken. De komst van machines die instantaan informatie over oneindige afstand kunnen uitwisselen lijkt nog slechts een kwestie van tijd – die overigens nog altijd relatief is…

Te midden van het tumult rond verstrengeling rekent de Amsterdamse hoogleraar theoretische natuurkunde Erik Verlinde (1962) onverdroten verder aan een nieuwe interpretatie van materie, ruimtetijd en zwaartekracht. In feite ontwikkelt Verlinde een Hypothese van Alles, en in wetenschappelijke wandelgangen wordt al gefluisterd dat als hij die hypothese sluitend weet te krijgen en er een theorie van kan maken, hij daarmee zonder twijfel een Nobelprijs in de wacht zal slepen; sommige vakbroeders noemen hem zelfs ‘de nieuwe Einstein’, al moet hij daar zelf niets vabn hebben. Volgens Verlinde komen materie, ruimtetijd, zwaartekracht (en zelfs de leegte van een vacuüm) allemaal voort uit een en dezelfde verstrengelde structuur van krachtvelden, die oneindig en alomvattend zijn en waarin alle informatie ligt opgeslagen die nodig is om het universum alles te laten doen wat het doet; alles manifesteert zich uit deze informatie en meer is er niet nodig. Verlindes visie maakt niet alleen het universum oneindig (exit Oerknal, exit parallelle universa), maar schrapt ook de (nog altijd niet waargenomen) donkere materie (energie) uit de kosmische vergelijkingen die de klassieke natuurkunde nog altijd nodig heeft om de waargenomen bewegingen van verre sterrenstelsels en de uitdijing van het heelal adequaat te kunnen verklaren. En niet alleen in Amsterdam, maar wereldwijd wordt naarstig verder gezocht naar bruggen die geslagen kunnen worden tussen de tegenstrijdige werelden van de klassieke natuurkunde en de kwantumfysica; de snaartheorie is een voorbeeld van zo’n unificatietheorie (lees: Theorie van Alles), waaraan bijvoorbeeld de inmiddels wereldberoemde Nederlandse hoogleraar theoretische natuurkunde en directeur van het gerenommeerde Institute for Advanced Study in Princeton (VS) Robbert Dijkgraaf (1960) zijn carrière heeft gewijd. Zo schrijdt de wetenschap voort, stap voor stap langs onbekende kronkelwegen vol onvermoede uitzichten, doorkijkjes en kruisverbanden. Het zal trouwens nog wel even duren voordat een echte Theorie van Alles daadwerkelijk een leer kan worden, en zelfs dan is nog niets ook echt zeker. De hierboven al genoemde Amerikaanse kwantumfysicus Richard Feynman hield zijn studenten steevast voor: “Een wetenschapper is nooit zeker van zijn zaak. Dat weten we allemaal. We weten dat al onze verklaringen bij benadering zijn, met verschillende gradaties van zekerheid, als een verklaring wordt afgegeven is het niet de vraag of iets wel of niet waar is, maar veeleer hoe waarschijnlijk het is dat iets wel of niet waar is. Mensen zoeken naar zekerheid. Maar zekerheid bestaat niet.” Daar zullen we het mee moeten doen, nu en in de eeuwigheid.

Tekening uit Summa Logicae, een manuscript van de Engelse Franciscaner monnik William van Ockham, met opschrift: ‘Dit is broeder Ockham’ (Frater Occham iste). Bron: Wikimedia Commons.

Al in 1341 beschreef de Engelse franciscaner monnik William van Ockham (of Occam, 1288-1347) de wet van de spaarzaamheid (Latijn: lex parsimoniae), in zijn manuscript Summa Logicae, een overzicht van de toenmalige logica en taalfilosofie. Dit principe, tegenwoordig bekend als ‘Ockhams Scheermes‘, stelt dat wanneer een verschijnsel door meer dan één hypothese bevredigend verklaard kan worden, de hypothese met de minste aannames (vooronderstellingen) en entiteiten (toeters en bellen) doorgaans de juiste is. Wij zouden dat tegewoordig de elegantste oplossing noemen, of de eenvoudigste – om met Goethe te spreken: “In de beperking toont zich de meester”. Je kunt bijvoorbeeld de onzichtbare wisselwerking tussen tuinkabouters, deva’s en het rijk der planten opnemen in een hypothese die de verschijnselen van de groei en bloei in de natuur verklaart (en daarmee een heel eind komen), maar Ockhams Scheermes laat zo’n verklaring alleen toe zolang er geen hypothese zonder allerlei paranormale entiteiten voorhanden is. Vanaf het eind van de 18e tot ver in de 20e eeuw hanteren de zich met rasse schreden ontwikkelende natuurwetenschappen het scheermes waarmee Goden en geesten uit de klassieke opvattingen van hemel en aarde worden weggesneden. Het Bijbelse scheppingsverhaal wordt vervangen door een begin met een Oerknal, en volgens Erik Verlinde zelfs door een oneindig en eeuwig universum dat er altijd is geweest. Adam, Eva en alle andere mensen zijn sinds de ontdekking van de evolutie van soorten in de 19e eeuw niet meer als zodanig door God geschapen, maar stammen nu af van aapachtige wezens, die zelf uit weer andere schepselen zijn ontstaan. Niet alleen de klassieke natuurkunde ging de afgelopen tweehonderd jaar volledig op de schop, maar ook in de biologie (plant-, dier- en menskunde), de geneeskunde en de chemie is alles anders geworden. Almachtige opperwezens die alles bestieren lijken nu overal voorgoed van hun tronen gestoten, en vervangen door onafhankelijke natuurwetten die chemische reacties aansturen. Zodat nu, bijna halverwege de eerste helft van de 21e eeuw, de almachtige God die onze beschaving millennia lang heeft beheerst nu helemaal verdwenen lijkt – zelfs uit het Friese Jorwerd.

❂❂❂

2.

 

In de wetenschap der natuur moeten de beginselen
van waarheid bevestigd worden door waarneming.

Carolus Linnaeus

 

Carolus Linnaeus in Laplandse dracht. Schilderij door Martin Hoffman, 1737. De hier afgebeelde versie van het schilderij, dat veelvuldig werd gekopieerd, is in het bezit van het Naturalis Biodiversity Center, Leiden. Klik op de foto voor het schilderij van Museum Boerhaave in hogere resolutie, en klik hier voor een overzicht van andere kopieën.

Tijdens onze zoektocht naar Einsteins vulpen in Museum Boerhaave stuitten we op een opmerkelijk schilderij van de Zweedse arts, botanicus, zoöloog en geoloog Carolus Linnaeus (Carl von Linné; 1707-1778), net als Einstein een regelmatig bezoeker van de Lage Landen. Linnaeus was de bedenker van de eerste systematische indeling (taxonomie) van al het destijds bekende leven op Aarde: planten, dieren, mensen. Zijn levenswerk, bekend geworden als Systema Naturae (Stelsel der Natuur), vormt tot op de dag van vandaag de wetenschappelijke basis voor de manier waarop het Aardse leven in verschillende rijken, afdelingen, klassen, ordes, families, geslachten en soorten wordt onderverdeeld. Het schilderij verbeeldt Linnaeus ten voeten uit, met in de rechterhand een versgeplukt Linnaeusklokje (Linnaea borealis), zijn favoriete plantje. Dit groenblijvende lid van de kamperfoeliefamilie groeit en bloeit tot ver boven de poolcirkel, en vormt in zijn eentje een (monotypisch) geslacht dat Linnaeus in de taxonomie naar zichzelf heeft vernoemd; op bijna elke afbeelding waarop hij voorkomt is ook dit plantje wel ergens te zien. Op dit schilderij is de botanicus van top tot teen gestoken in de traditionele kleding van de Saami, nomadische rendiervolken in het Scandinavische Hoge Noorden dat vroeger Lapland (Lapponia) werd genoemd en tegenwoordig Sápmi heet. Aan Linnaeus riem hangen, naast enkele wetenschappelijke instrumenten, een jachtmes en twee buidels met symbolen die we ook tegenkomen in Scandinavische rotstekeningen uit de prehistorie; de riem zelf is daar eveneens mee versierd. Maar het schilderij trok toch vooral mijn aandacht door het voorwerp dat Linnaeus in zijn linkerhand heeft: een kleine platte trommel die is voorzien van een traditionele (en zeer specifieke) voorstelling van de Vier Werelden met de Zon als middelpunt. Die tekening onderscheidt de trom in een oogopslag van zomaar een trommel. Het gebruik van zulke trommels is van oudsher exclusief voorbehouden aan sjamanen (noaidi); het zijn de instrumenten (‘voertuigen’) waarmee zij in de Andere Werkelijkheid kunnen reizen. Deze speciaal voor (en/of door) sjamanen gebouwde en beschilderde trommels worden als bezield beschouwd, ze zijn strikt persoonlijk, niet te koop en worden ook nooit zomaar weggegeven; zo’n trommel in handen van een godsvruchtig en belijdend wetenschapper als Linnaeus is alleen al daarom uiterst curieus. Hij noemde zijn trommel een runentrom (Zweeds: ‘runebom’), etnografen uit zijn tijd spreken van ‘trolltrumma’, trollentrommels. Linnaeus bleek reuze fier op zijn exemplaar, net als op de andere Saami attributen die hij in 1732 op zijn eerste onderzoeksreis door Sápmi verzameld had. Toen hij in april 1735 naar Nederland vertrok, voor zijn promotie tot doctor in de geneeskunde aan de Universiteit van Harderwijk en de publicatie van de eerste editie van Systema Naturae, had hij zijn hele verzameling Saami spullen bij zich. Hij droeg zijn ‘Laplandse dracht’ tijdens de promotie in Harderwijk, bij colleges en voordrachten, en in Hamburg voerde hij tijdens zo’n voordracht zelfs een sjamaanse ‘seance’ met de trommel uit (N. Zorgdrager, 2008).

Noorse prent van een trommelende sjamaan en zijn hulpgeesten. De prent is onderdeel van de digitale presentatie The Northern Lights (Universiteit van Tromsø), zonder bronvermelding of datering. Het onderschrift vermeldt verder: “De missionarissen verbrandden de trommels omdat ze werden gezien als instrumenten van de Duivel. De spirituele gidsen van de sjamaan werden als kwade geesten beschouwd.”

Over de herkomst van zijn runebom blijft Linnaeus echter in het vage, zowel in het reisverslag voor de Wetenschappelijke Sociëteit als in enige andere publicatie, waarvan hij er in de loop van zijn leven nog vele het licht zal doen zien, rept hij er met geen woord over. Als hij in 1732 bij de Noorse Bergsaami (rendierhoeders) verblijft, schrijft hij alleen een losse opmerking in zijn dagboek: “Ik hoorde een vreemd verhaal van iemand die trommels bij de Lappen weghaalde, samen met bepaalde afbeeldingen. Als hij op een trommel stuitte, gaf hij de Lap opdracht hem af te staan maar de Lap weigerde.” Over het rituele gebruik van zulke trommels zitten er alleen wat losse aantekeningen in Linnaeus ongepublceerde nalatenschap, waarschijnlijk samengevat uit een niet meer te achterhalen origineel: “Dan wordt een Laps lied op de trommel geslagen Hoor het sparrenhout zingen en galmen, de goede rendierhuid dreunt, de runen hier zijn runenbanden [onleesbaar] en een toegewijd lied van de Laplander”, gevolgd door: “Een ring, een slang of een kikker wordt op de trom gelegd en hij slaat met een hamer tot hij stopt bij een of ander dier, dan voorspelt hij iets. Runentrommel Aangeschaft”. Linnaeus kreeg zijn trommel, die overigens aan de achterkant is gesigneerd door zijn oorspronkelijke eigenaar, ‘Anders Nilsson i Graan’ (uit Granbyn)1, zeer waarschijnlijk van Georg Wallin jr., zoon van de eminente en invloedrijke Lutherse bisschop Georg Wallin sr., die in 1715 door zijn vader op inspectie naar de Saami van Lycksele werd gestuurd. Daar raakt de jonge Wallin geïnteresseerd in de oude tradities van de noaidis, niet het minst in hun trommels – een ontwikkeling die kennelijk meer van de religieus-politieke toezichthouders in Saamiland overkwam. Lang niet alle geconfisqueerde heidense rituele voorwerpen blijken ook daadwerkelijk vernietigd te zijn, in de depots van vele etnografische en andere musea – in Scandinavië en elders – zijn ze in ieder geval nog altijd volop terug te vinden, vaak eeuwenoud. Linnaeus schonk zijn trommel uiteindelijk aan het Musée Nationale de France in Parijs, dat hem na verloop van tijd ruilde met het Nationaal Historisch Museum in Stockholm ruilde voor een aanzienlijke verzameling Saami kunstvoorwerpen. In 1933 verhuist de trom opnieuw: nu naar het depot van het Linnaeus Museum in Uppsala, waar hij nog altijd verblijft – onzichtbaar voor en inmiddels vrijwel onbekend bij een groter publiek.

‘De Levenswijze van de Laplanders’, illustratie in Deel I van The English Atlas, uitgegeven door Moses Pitt (1680); boven zien we een momentopname van de zomer, op de traditionele ontmoetingsplaats bij de kerk, onder een jagerskamp in de winter. Aan het waarheidsgehalte van de afgebeelde scenes kan worden getwijfeld, maar opvallend is dat zowel in de zomer als in de winter heidense rituelen zijn afgebeeld. Buiten de kerk worden ’s zomers een menselijke schedel en een drietal potten op pilaren aanbeden; ook zijn een aantal naakte gevangenen en een schavot met drie afbeeldingen van demonen en hakblokken voor onthoofdingen afgebeeld. In het winterkamp zien we bij de linkertent een noadi met zijn hulpgeest (een rendier), en een andere die met zijn trommel een sceance bij een cliënt uitvoert. Ook wordt een ritueel met een grote staande trommel uitgevoerd. Bron: Norsk Folkemuseum – Saamiblog. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Dat Linnaeus nauwelijks iets vertelt over zijn runentrommel of andere magische kunsten van de noaidi is overigens volkomen verklaarbaar. Hij is tenslotte de zoon van een zeer invloedrijke geestelijke en predikant, en ook zelf een overtuigd en belijdend christen met goede connecties in de Lutherse geestelijkheid in Zweden. Zijn reis door Sápmi maakt hij door van kerk naar kerk te trekken, en onderweg verblijft hij doorgaans in een pastorie of bij andere notabelen – dus niet in de nomadententen van de Saami zelf. De bekering tot het christendom van deze laatste Scandinavische heidenen (verwant aan ‘etnisch’, afgeleid van heiðni, heithni: ‘het oorspronkelijke geloof’; Grieks: εθνικος, ethnikos: ‘het volk eigen’; Latijn: ethnicus) in de barre, spaarzaam bevolkte arctische wildernis van Sápmi lijkt in de eerste helft van de 18e eeuw trouwens een voldongen feit, zeker op papier. De traditionele ontmoetingsplaatsen, die de Saami vaak al millennia lang gebruikten voor uitwisseling, handel en (vaak rituele) samenkomsten, zijn dan in elk geval allemaal voorzien van een kerk met pastorie, een politiepost met cellenblok en een belastingkantoor.

De wereldberoemd geworden tekening van een Tunguz sjamaan, een met de Saami vergelijkbare cultuur van jagers en verzamelaars uit Noord-Siberië, gemaakt door cartograaf, verzamelaar, schrijver, diplomaat en (uiteindelijk) burgemeester van Amsterdam Nicolaes Witsen, eind 17e eeuw. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Desondanks moeten we aannemen dat ook in Linnaeus’ tijd (en ver daarna) de voorchristelijke tradities en opvattingen van de Saami, onder het oppervlak en onttrokken aan het toeziend oog van kerk en staat, toch nog springlevend waren. Dat bewijzen bijvoorbeeld de beschrijvingen en illustraties van 17e-eeuwse schrijvers en cartografen als de Engelse Moses Pitt, maker van The English Atlas, of de Nederlander Nicolaes Witsen, de cartograaf, schrijver, diplomaat en verzamelaar die zijn carrière zal voltooien als burgemeester van Amsterdam. Uit hun prenten en beschrijvingen blijkt zonneklaar dat de rituelen van traditionele nomaden als de Saami, die al in de middeleeuwen door christelijke kroniekschrijvers in Scandinavië waren opgetekend, een kleine duizend jaar na kerstening van de eerste Vikingkoningen nog lang niet zijn uitgeroeid. In veel reisbeschrijvingen en atlassen zien we afbeeldingen van noaidis met trommels; het vereren van afgodsbeelden, heidense altaren, heilige rotsen en berggeesten lijkt schering en inslag. Waarschijnlijk doet ook in Linnaeus’ tijd de omschrijving nog opgeld die de Deense geschiedschrijver en theoloog Saxo Grammaticus (Saxo de Geletterde, ca. 1150 – ca. 1208) van de Saami geeft in zijn zestiendelige kroniek Gesta Danorum, Daden der Denen: “Bekwame tovenaars en voortreffelijke jagers”. En ook de woorden van de Duitse missionaris, theoloog en kerkelijk kroniekschrijver Adam van Bremen (vóór 1050 – 1081/1085), auteur van de Gesta Hammaburgensis Ecclaesiae Pontificum (Daden der Bisschoppen van de Hamburgse Kerk)2 zullen vast en zeker in de 18e eeuw ook nog hout hebben gesneden: “Alle inwoners van Noorwegen zijn vrome christenen, behalve degenen die het hoge Noorden bewonen. Deze mensen zitten zo boordevol tovenarij en gegoochel dat zij beweren dat ze van iedere persoon op de wereld weten wat hij aan het doen is. Ze kunnen grote zeewezens laten stranden door simpelweg wat magische spreuken te mompelen.”

Twee illustraties uit Cérémonies et Coutumes Religieuses de Tous les Peuples du Monde, van de Frans-Nederlandse graveur Bernard Picart (1725). Boven wordt een offer gebracht aan de god Tiermes of Thora Galles (Grootvader), die bij de Vikingen bekend stond als Ðor en bij de Germanen als Donar. Onder wordt gebeden bij Sieidi of Seidda stenen: grote rotsblokken in de vorm van mensen of dieren die soms op natuurlijke wijze zijn gevormd, en soms door mensenhand uitgehakt of bijgewerkt. In Nederland zijn vergelijkbare veldkeien in een aantal hunebedden verwerkt. Bron: Saamiblog.

Het feit dat Linnaeus zich zo prominent en ten voeten uit in traditionele Laplandse dracht laat afbeelden, voorzien van heidense symboliek en met een authentieke trollentrommel in zijn hand, kan worden opgevat als een niet al te heimelijke stellingname tegen de heersende maatschappelijke (en kerkelijke) moraal van zijn tijd. Volgens die moraal werden nomadische ‘wilden’ als de Saami beschouwd als primitief en minderwaardig, en behoorde het tot de taak van beschaafde christenmensen om hen te verheffen tot godvrezende, hardwerkende en vooral nederige onderdanen van koningen en aartsbisschoppen, die zich zonder morren voegen naar het van God gegeven gezag. Die beschaving kon de wilden worden aangeleerd met kracht van argumenten en stevig aandringen, en als ze niet wilden luisteren met harde hand en zo nodig grof geweld. Als vanaf het einde van de 15e eeuw door zeevaarders in dienst van allerlei koningen steeds meer gebieden in Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Azië en tenslotte Australië onder Europees gezag worden gebracht, zien we vergelijkbare bekerings- en beschavingsoffensieven ook daar schering en inslag worden (zie deel VII, Levensruimte). Toch mogen we gevoeglijk aannemen dat een man als Linnaeus, toch een devoot christen, zich tijdens zijn reizen door Sápmi weinig gelegen liet liggen aan het beschaven der wilden. Dat heeft wellicht te maken met zijn opvatting (kennelijk eveneens gevormd door zorgvuldige waarneming), dat alles wat zich in het Aardse tranendal bevindt en afspeelt onvervreemdbaar deel uitmaakt van Gods schepping, zowel het allerkleinste als het allergrootste – en alles wat daar tussen ligt – zijn het gevolg van Zijn wil en oordeel. Dat geldt dus ook voor de Saami met hun afwijkende zeden en gewoonten; zij behoren evenzeer tot de werken Gods als het christendom of het planten- en dierenrijk, en als we dat niet kunnen begrijpen (of willen aanvaarden) dan ligt dat aan ons en niet aan de Saami. Volgens Linnaeus, strak in de leer als hij is, hoeven gewone stervelingen in feite geen oordeel te vellen over de moraliteit van andere stervelingen. Dat kan God namelijk heel goed zelf en waarschijnlijk beter: Hij straft onmiddellijk en wie goed oplet kan zelf waarnemen hoe effectief Hij daar voortdurend mee bezig is. In een verzameling notities en anekdotes onder de titel Nemesis Divina (Gerechtigde Wrake Gods, Nemesis was de Griekse wraakgodin en een dochter van Zeus) toont Linnaeus zich zo’n oplettende waarnemer. Aan de hand van Bijbelteksten en tal van praktijkvoorbeelden – waarvan een groot aantal uit zijn directe omgeving – probeert hij de onontkoombaarheid van Gods oordeel en straf inzichtelijk te maken. In deze bundel aantekeningen en anekdotes, pas een eeuw na zijn dood in druk verschenen en oorspronkelijk alleen opgeschreven als morele leidraad voor zijn zoon Carl jr. die hem uiteindelijk zal opvolgen als hoogleraar aan de Universiteit van Uppsala), trekt een stoet van (vaak notabele) echtbrekers, rovers, moordenaars, geldwolven en politieke intriganten aan de lezer voorbij. Allemaal worden ze op een of andere manier door het noodlot getroffen: ziekte, waanzin, ongeluk, verlies van bezittingen, een voortijdige dood, enzovoort; in het originele handschrift worden ze allemaal met naam en toenaam genoemd. Velen behoren tot alom gerespecteerde en beroemde Zweedse families, en Linnaeus beschouwt hun lotgevallen als onomstotelijk bewijs van Gods strikte rechtvaardigheid: Hij velt zijn oordelen zonder zich iets van menselijke naam en faam of andere opvattingen aan te trekken, zonder aanzien des persoons maakt Hij korte metten met wat Hem onwelgevallig is. Linnaeus geloofde dat alles, dus ook iets als heidendom, deel uitmaakt van de absolute, alles beheersende Goddelijke orde waar mensen geen invloed op kunnen hebben – dus ook niets aan kunnen veranderen. Het is deze Goddelijke orde die zijn nieuwsgierigheid heeft gewekt, en die hij koste wat het kost wil doorgronden, beschrijven en ordenen – een taak waar hij dan ook zijn hele werkzame leven aan heeft gewijd.

17-eeuwse ingang van de zilvermijn in de Nasaberg (Nasafjäll). Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

In het eerste kwart van de 18e eeuw, als Linnaeus door Sápmi reist, zijn de christelijke bekeringsoffensieven onder de Saami pas luttele decennia eerder op stoom gekomen. Hoewel er in de middeleeuwen al sprake zou zijn van gekerstende Saami, ze worden bijvoorbeeld genoemd door Adam van Bremen, moeten we er toch van uitgaan dat veruit de meeste Saami alleen op papier van overtuigd waren christenen waren. Dat het christendom nauwelijks tot de Saami was doorgedrongen is logisch. Zij bewonen niet alleen een barre, voor buitenstaanders moeilijk te bereizen wereld van sneeuw en ijs die ’s zomers verandert in een van muggen vergeven landschap vol moerassen en woeste smeltwaterrivieren, ze zijn ook nog eens voortdurend onderweg, achter de rendierkuddes aan. Pas vanaf 1542 begint de Zweedse Vader des Vaderlands, koning Gustav I Wasa (1496-1560), werk te maken van het onderwerpen van Sápmi aan zijn gezag, onder het motto: “Al het ongebruikte land behoort tot God, aan ons en aan de Zweedse kroon, en verder aan niemand” – volgens de toenmalige opvattingen is land ongebruikt als er zich geen steden of dorpen met akkers en weiden op bevinden; rondzwervende wilde dieren of mensen tellen niet mee. In eerste instantie blijken er maar weinig Zweedse christenen bereid om het wilde land van de Saami voor hun koning te koloniseren, en van het gestructureerd kerstenen van de nomaden zelf komt het nauwelijks. Dat verandert in 1634, als in de berg Nasa (Nasafjäll) in de Pite Lappmark (in het zuiden van de huidige provincie Norrbotten) zilvererts wordt ontdekt. Volgens de Zweedse Rijkskanselier Axel Oxenstierna (1583-1654) is het God zelf die heeft toegestaan dat dit zilver werd ontdekt, zodat Zijn woord nu ook in Lapland kan worden verspreid en er scholen kunnen worden gesticht. Toen na enige tijd bleek dat de mijn een fiasco was (in de 24 jaar van zijn bestaan werd er slechts 861 kilo zilver uit gewonnen), werd er toch op aangedrongen hem open te houden, opdat: “Het dan mogelijk zal blijven om de Lappen daadwerkelijk Godvrezend te houden zodat zij hun afgoderij zullen verlaten”. Ook wordt verondersteld dat Saami door voortdurend contact met Zweedse kolonisten en mijnwerkers ‘moediger’ zullen worden, en sterker als ze alleen nog ‘Zweeds voedsel’ zullen eten. Saami worden dan wel gezien als ongeschikt voor het werk in de mijn zelf, want ‘zwak, wispelturig, langzaam en niet gewend aan hard werken’, maar ze zijn goed genoeg om (onder dwang) te worden ingezet voor het transport, met sleden en rendieren, van het gedolven erts naar de zestig kilometer oostwaarts gelegen smelterij in Silbojokk (Zilverbeek); als de Saami daarvoor al betaald kregen dan was het schamel en in natura: meel, zout, tabak en sterke drank. Die gedwongen extra werkzaamheden trekken een zware wissel op het toch al arbeidsintensieve en tijdrovende hoeden van de rendieren, de jacht en de visvangst; feitelijk de enige mogelijkheden voor de Saami in hun levensonderhoud kunnen voorzien omdat door het korte groeiseizoen in het Hoge Noorden landbouw en veeteelt daar (vrijwel) niet mogelijk zijn. Heel wat Saami zien weliswaar kans om uit handen van de ronselaars te blijven door op tijd met hun kuddes naar Noorwegen uit te wijken, maar voor degenen die achterblijven is werkweigering geen optie. Onwilligheid wordt zwaar gestraft: “We bonden ze aan boomstammen, gooiden ze een paar keer in de stroomversnelling en haalden ze dan omhoog om het water weer uit hun mond te laten lopen, zodat iedereen die in de mijn werkte zich weer bewust was van de situatie”, staat in een gerechtelijke verklaring die werd opgetekend nadat de mijn in 1659 tijdens een invasie van Noorse troepen was geplunderd en verwoest. De zware tol die de gedwongen ertstransporten tussen 1635 en 1659 van de Saami eisten, was goed zichtbaar. De route tussen Nasafjäll en Silbojokk werd in die jaren beschreven als: “Aan weerszijden bedekt met verbleekte rendierskeletten”.

Kalkstenen wijaltaar van de Keltisch-Germaanse vruchtbaarheidsgodin Nehalennia. Zij was de beschermvrouwe van zeelieden en handelaars en is hier in Romeinse stijl afgebeeld met de hoorn des overvloeds, een rijkgevulde fruitmand en een hond; het altaar is oorspronkelijk afkomstig uit de eveneens in Romeinse stijl gebouwde tempel voor Nehalennia in Ganuenta op Noord-Beveland, tussen 150 en 250 AD. Deze votiefsteen werd, net als vele andere afbeeldingen van de godin, vaak door vissers teruggevonden op de bodem van de Oosterschelde. Zij doen vermoeden dat de verering van Nehalennia ook in de Romeinse tijd in deze contreien nog springlevend moet zijn geweest. Dit altaar bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden en was tot voor kort te zien in het Zeeuws Museum in Middelburg. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Na de eerste vondst in 1634 worden op steeds meer plaatsen in Sápmi metaalertsen ontdekt: zilver, lood, ijzer, nikkel. Steeds meer kolonisten en gelukzoekers trekken naar het Hoge Noorden, met in hun kielzog de priesters en de ambtenaren. Overal waar ze komen worden kerken gebouwd en scholen gesticht; op steeds meer plaatsen in Sápmi worden de spirituele gezangen (joiks) van de noadis verboden, hun trommels en andere rituele voorwerpen worden actief opgespoord, in beslag genomen en in het openbaar verbrand. Als betrapte noaidis blijven volharden in hekserij of waarzeggerij kunnen zij tot lange gevangenisstraffen en uiteindelijk zelfs ter dood worden veroordeeld. Maar hoe draconisch ook, in het algemeen levert dit beschavingsoffensief weinig meer op dan een camouflagenet van christelijke schijn, dat een stiekem springlevend gebleven heidendom bedekt. Het veranderen (of uitroeien) van voorchristelijke spirituele gebruiken (religie), vaak overgeleverd in de loop van vele millennia, is tenslotte altijd en overal een moeizaam karwei gebleken (in deel III van De Beschaver, Godes Dienst, zullen u daarvan nog tal van andere voorbeelden worden voorgeschoteld). Het opleggen van beschaving door aanhangers van andere religies tot een ‘enig waar geloof’ te ‘bekeren’ is een typische uitvinding het christendom – al werd het later ook in andere godsdienstige stromingen (zoals bijvoorbeeld de islam) geïntegreerd. Voorchristelijke veroveraars van West-Europa, zoals de veldheer, consul, imperator en dictator van Rome Gaius Iulius Ceasar (100-44 v.C.) en zijn opvolgers (die zich Augustus noemden, de Verhevene), onthielden zich van het onder dwang opleggen van de eigen religieuze gebruiken toen zij de barbaarse stammen van Gallië, Brittannië en delen van Germanië aan het Romeinse gezag onderwierpen. De leiders van de onderworpen stammen kregen een (eeuwigdurend) verdrag voorgelegd, een foedus, dat vaststelde hoeveel troepen er aan de Romeinse legioenen moesten worden geleverd en hoeveel belasting er moest worden betaald. Ondertekenaars van de foedus en hun onderdanen kregen de status van foederati, leden van de federatie, weliswaar geen volwaardig Romeins staatsburger, maar ze genoten wel de bescherming van Rome en werden in elk geval niet verpletterd of uitgeroeid zoals doorgaans gebeurde met degenen die zich bleven verzetten. Bij de foederati mocht alles verder blijven zoals het was: cultuur, spirituele tradities, het lokale pantheon, zolang de barbaren zich maar schikten naar de nieuwe orde en zonder morren voldeden aan hun verplichtingen uit de foedus. Wie de goden van zijn voorouders wilde aanbidden werd geen strobreed in de weg gelegd – in de geromaniseerde Joodse staat Judea werd Jezus (Aramees: Yeshua, ישוע) van Nazareth in de eerste plaats om zijn politieke uitstraling (Koning der Joden) en niet om zijn godsdienstige vernieuwingsdrang gekruisigd. In bezette gebieden onder de vleugels van Rome richtten veel oude tradities zich desondanks als vanzelf naar het model van de nieuwe machthebbers, niet in de laatste plaats onder invloed van Romeinse kolonisten die zich daar al snel vestigden: bestuurders, handelaars en kooplieden, en natuurlijk de Romeinse veiligheidstroepen die rust en orde moesten handhaven. Al snel na het eerste verschijnen van Ceasars legioenen rond 53 v.C. verrezen bijvoorbeeld in Ganuenta, bij Colijnsplaat op de Scheldekust van Noord-Beveland, en bij Domburg op Walcheren grote tempels in Romeinse stijl voor de Keltisch-Germaanse vruchtbaarheidsgodin Nehalennia, traditioneel de beschermvrouwe van zeelieden en handelaars. Zelfs de grootste in Romeinse stijl gebouwde tempel ten noorden van de Alpen, in Elst bij Nijmegen, was gewijd aan een lokale (Bataafse) variant van een Germaanse god: Donar, ᚦᛟᚾᚨᚱ of Ðor, Hercules Magusanus in het Latijn; ook in Empel bij ‘s-Hertogenbosch stond een tempel voor deze god van donder en bliksem die de mensen beschermde tegen het kwaad.

Voor we de Romeinen aan het woord laten keren we nog even terug naar terug naar Linnaeus, de koppige waarnemer, godsvruchtig christen, bewonderaar van verkapte heidenen en liefhebber van trollentrommels. En terug naar Einstein, nieuwsgierig observator van en rekenaar aan sterren en planeten, die openlijk verklaarde dat hij de christelijke leer nogal naïef en kinderachtig vond en niets moest hebben van de God van Abraham die in de hemelen troont en de scepter zwaait over het wel en wee van de mensheid. In zijn jeugd was dat anders. Zijn enige zuster Maja Winteler-Einstein herinnert zich: “Hij was zo vurig omtrent zijn religieuze gevoelens dat hij uit zichzelf de [Joodse] religieuze voorschriften tot in elk detail volgde. Hij at bijvoorbeeld geen varkensvlees. Hij deed dat vanuit zijn geweten, niet omdat zijn familie hem het goede voorbeeld gaf. Hij bleef jarenlang trouw aan deze zelfgekozen levenswijze. Later maakten deze religieuze gevoelens plaats voor filosofische gedachten, maar een absoluut strikte loyaliteit aan zijn geweten bleef een leidend motief.” Linnaeus, immers zoon van een dominee, had dat goede voorbeeld wel en bleef het zijn hele leven volgen. Toch volgde ook hij uitsluitend zijn geweten en liet hij zich weinig gelegen liggen aan de starre kerkelijke dogma’s van zijn tijd. Dat deed hij niet alleen door te koketteren met een sjamaantrommel en zijn ‘Lappendracht’, maar ook in zijn wetenschappelijke werk. Zo verscheen in 1735 in Leiden de eerste editie van zijn later wereldberoemd geworden Systema Naturae (Indeling van de Natuur), twaalf pagina’s in dubbel folio waarin hij planten en dieren op grond van hun uiterlijke kenmerken indeelt in rijken, klassen, ordes, geslachten en soorten; elke soort krijgt een eigen naam van twee woorden die zowel het geslacht als de soort aangeven: het Linnaeusklokje heet voortaan Linnaea borealis en de mens Homo sapiens. De Systema Naturae zou uiteindelijk dertien edities krijgen (de laatste verscheen 1788, tien jaar na zijn dood) en telde uiteindelijk tien delen met in totaal ruim 6250 pagina’s. Dit levenswerk van Linnaeus, en dan vooral zijn systematische wijze van naamgeving aan de levende soorten op Aarde, vormt tot op de dag van vandaag de wetenschappelijke standaard.

De taxonomische klasse der Quadrupedia en de orde der Anthropomorpha in de eerste editie van Linnaeus’ Systema Naturae. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

De eerste editie van Systema Naturae baart meteen veel opschudding, vooral in theologische kringen. Het werk opent met een indeling van het Dierenrijk (Regnum Animale). In de klasse der Viervoeters (Quadrupedia), volgens Linnaeus herkenbaar aan ‘een harig lijf met vier poten, de vrouwen zijn levendbarend en geven melk (lactiferae)’, staat bovenaan de orde der Anthropomorpha, dieren ‘met mensachtig uiterlijk’, waaronder de geslachten Homo (mensen), Simia (apen) en Badrypus (drietenige luiaards) vallen. Voor het eerst in de geschreven geschiedenis raakt de mens zijn unieke plaats in de schepping kwijt en wordt hij dier met de dieren, eerstgenoemd weliswaar, maar toch. Linnaeus verweert zich tegen het kerkelijk misbaar door fijntjes op te merken dat hij slechts de natuur beschreef zoals hij die had waargenomen en opgemeten, en betoogde dat de zuiver anatomische verschillen die hij tussen mensen en dieren had gevonden te klein waren om een apart rijk voor de mens te rechtvaardigen. Hij schreef zijn criticasters terug: “Ik daag u en de wereld uit mij een generiek verschil tussen mensen en Simia te tonen dat voortvloeit uit de principes van de Natuurlijke Historie. Ik heb er niet één gevonden. Kon iemand me er maar één noemen! Als ik de mens een Simia had genoemd of andersom, zou ik alle theologen tegen me gekregen hebben. Misschien had ik dat moeten doen, bij gratie van de wetten van dit vak.”.

Anthropomorpha die volgens Linnaeus als Paradoxa met een mensachtige gestalte moesten worden geclassificeerd: wel ooit beschreven, maar nooit goed bestudeerd. V.l.n.r.: Troglodyta Bontii, Lucifer Aldrovandi, Satyrus Tulpii, Pygmaeus Edwardi. De tekening is van Linnaeus’ leerling Christian Emmanuel Hoppius, in: Amoenitates Academicae, Stockholm 1763. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In Systema Naturae deelt Linnaeus Homo sapiens in vijf ondersoorten in. Het zeldzaamst noemt hij Homo ferus (‘wilde mens’), in de wildernis door beesten grootgebrachte kinderen zoals de Litouwse berenjongen, de Hessense en Pyrenese wolfskinderen en ook de tweeling Romulus en Remus, die volgens de legende gezoogd werd door een wolvin en later de stad Rome zou stichten. De vier andere ondersoorten, geen van allen zeldzaam, zijn ingedeeld op grond van hun (continentale) afkomst en huidskleur: achtereenvolgens Homo europaeus albus, Europees wit (zachtaardig en inventief), americanus rufus, Amerikaans rood (koppig, vrolijk en opvliegend), asiaticus luridus, Aziatisch vaalgeel (bleek, hebzuchtig en gemakkelijk afgeleid), en africanus niger, Afrikaans zwart (flegmatiek, uitgeslapen en nalatig). In deze eerste editie benoemt Linnaeus behalve de klassen der viervoeters (zoogdieren), vogels, amfibieën, vissen, insecten en wormen nog een extra – ongenummerde – groep van wezens, die hij weliswaar nooit heeft gezien maar waarvan het bestaan in oude literatuur wordt beschreven: de Paradoxa of fabeldieren. Hij noemt de hydra, phoenix, eenhoorn en de draak, maar twijfelt tegelijkertijd openlijk aan hun bestaan. Toen de burgemeester van Hamburg hem eens vol trots het stoffelijk overschot van een zevenkoppige hydra toonde, herkende hij het geval meteen als een verzameling aan elkaar geplakte onderdelen van wezels, slangen en andere beesten; Linnaeus vermoedde dat het ooit was samengesteld door monniken die het Beest uit het Bijbelboek Openbaringen aanschouwelijk hadden willen maken. Aanvankelijk deelde Linnaeus ook vier mensachtige Anthropomorpha in bij de Paradoxa. Zo is daar de ‘nachtmens’ Troglodyta Bontii, anatomisch moeilijk te onderscheiden van Homo sapiens en in de eerste eeuw na Christus beschreven door Plinius de Oudere, die hem troglodytes, grotbewoner had genoemd – troglodytes zal later de geslachtnaam worden voor de chimpansee. Een ander fabeldier met mensachtig uiterlijk is de ‘mens met een staart’ Lucifer Aldrovandi, die in 1645 als ‘vreemd gevormde aap’ was afgebeeld door de Italiaanse natuurvorser Ulysse Aldrovandi. Ook zien we de ‘kromme aap met harige benen onder een kale buik’ Satyr Tulpii, die moet zijn gebaseerd op het verslag van de ontleding van een ‘Indische satyr’ door de geneesheer en latere burgemeester van Amsterdam Prof. Nicolaes Tulp. Tulp kennen we ook als de docent die op het schilderij ‘De Anatomische Les‘ van Rembrandt van Rijn de arm van een ter dood gebrachte misdadiger ontleedt, maar in dit geval lag waarschijnlijk een orang-oetangvrouw op zijn snijtafel, die door een hoge VOC-ambtenaar uit Oost-Indië was meegenomen, als geschenk voor de menagerie van stadhouder Frederik Hendrik, en niet lang na haar komst in het veel te koude ‘moederland’ overleed. Tenslotte is er nog de ‘harige aap met harige kop en omgedraaide armen’ Pygmæus Edwardi, die waarschijnlijk een gorillavrouw is geweest. Pas veel later zal blijken dat Linnaeus hier geen fabeldieren, maar de meest directe verwanten van Homo sapiens beschreef die tegenwoordig een apart geslacht (superfamilie) vormen binnen de orde der Primaten (Linnaeus’ Simia): de mensapen van Afrika en Azië, die in het 18e-eeuwse Europa over het algemeen alleen in oude geschriften en plaatselijke legenden opdoken, verhalen die hooguit werden aangevuld met de sporadische waarnemingen van in het oerwoud ronddwalende (of verdwaalde) avonturiers en ontdekkingsreizigers. De ‘Indische satyr’ die zo’n tragisch einde vond op de snijtafel van professor Tulp moet een zeldzame uitzondering zijn geweest.

Redactionele spotprent van Charles Darwin, op 22 maart 1871 afgebeeld als aapmens in het satirische tijdschrift The Hornet (De Horzel) naar aanleiding van het verschijnen van diens boek over de afstamming van de mens, The Descent of Man. Het onderschrift luidt: “Een hooggeplaatste orang-oetang. Een bijdrage aan onnatuurlijke historie.” Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Linnaeus mag dan de eerste zijn geweest die in de 18e eeuw openlijk betwistte dat de mens door God buiten (en boven) de orde van de andere schepselen op Aarde was geplaatst, maar het zou nog meer dan honderd jaar duren voordat dit kerkelijk keurslijf door de wetenschap daadwerkelijk aan flarden werd gescheurd. Dat gebeurde vooral door publicaties van de Britse natuuronderzoeker Charles Robert Darwin (1809-1882), die in zijn revolutionaire studie naar de afkomst van de mens doodleuk beweerde dat Homo sapiens niet alleen bij de apen moest worden ingedeeld, maar zelfs rechtstreeks van hen afstamde (The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex; in het Nederlands vertaald als: De Afstamming van de Mens, en Selectie in Relatie tot Sekse, beiden verschenen in 1871. Zie over Darwins evolutieleer verder deel II van De Beschaver, Omwenteling, De Erfgenaam). Het bijna twee millennia in marmer gehouwen beeld van God en Zijn schepping verkruimelde nog verder door het werk van Einstein, zijn vrienden en opvolgers: in de eerste helft van de 20e eeuw de algemene relativiteitstheorieën, de kwantumfysica en de oerknal; de erfelijkheidsleer (genetica) die volgde uit het steeds beter begrijpen van de functies van DNA maakten uiteindelijk gehakt van alle oude dogma’s omtrent het leven. Toch maakte deze reeks van wetenschappelijke ontdekkingen (die tot op de dag van vandaag voortduurt) geen einde aan de religieuze gevoelens van de mens. Zelfs Einstein bleef geloven, en verklaarde eens: “Ik geloof in de God van Spinoza, die zich openbaart in een ordelijke harmonie van alles wat bestaat, niet in een God die zich bemoeit met het lot en handelen van mensen.” “God dobbelt niet”, zo wist hij ook, en hij geloofde dat mensen: “In de ogen van God allen even wijs – en even idioot zijn”. God veranderde slechts van vorm, hij werd even relatief als de ruimtetijd. Hij kon niet worden uitgesloten, stond ook niet in de weg, maar was voor het verklaren van de loop der dingen niet meer noodzakelijk of zelfs maar relevant. Nog een keer Einstein: “Wat me werkelijk interesseert, is of God een keuze had toen hij de wereld schiep”.

❁❁❁

3.

 

Denken is de grote vijand van perfectie. De gewoonte tot diepzinnige reflectie,
zo ben ik gedwongen te zeggen, is de dodelijkste van alle gewoonten
die door de beschaafde mens zijn gevormd.

Constantijn I de Grote

 

Het Romeinse Rijk (rood) en haar vazallen (roze) na de laatste uitbreidingen door keizer Trajanus in oostelijke richting, 117 n.C.; groter dan dit zal het niet meer worden. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Tot en met de tweede eeuw n.C. weet Rome haar gezag op te leggen (en te bewaren) in een rijk dat zich vanaf 117 uitstrekt over het huidige Engeland en Wales, Europa ten zuiden van (ruwweg) de Rijn en de Donau, Turkije, Armenië en het Midden-Oosten tot in Saudi-Arabië, Egypte en over een brede strook langs de gehele Afrikaanse Middellandse Zeekust (zie ook deel VII, Levensruimte, De Imperator). Deze periode van (relatieve) rust en orde wordt wel de Pax Romana (‘Romeinse Vrede’) genoemd, maar dat betekent allerminst dat de onderworpen barbaren niet regelmatig de macht op de proef stellen die deze nieuwe orde moet handhaven: de uitstekend georganiseerde en met ijzeren vuist gedisciplineerde Romeinse legioenen. Een sprekend voorbeeld is de revolte, in 61 n.C., van een aantal Keltische stamhoofden in Brittannië, die onder leiding van de Iceense koningin Boadicea (of Boudicca, † 63) kans zien om de Romeinse vestingstad Camulodunum (Colchester) en de handelsstad Londinium (Londen) leeg te plunderen en met de grond gelijk te maken. De Keltische strijdmacht van veelal naakte, blauw geschilderde krijgers kan uiteindelijk door de tactisch superieure legioenen van de Romeinse gouverneur en ijzervreter Gaius Seutonius Paulinus worden verslagen, waarna de opstandige stammen genadeloos worden uitgeroeid en hun landerijen verwoest – de Romeinen zijn gespecialiseerd in het toepassen van de tactiek van de verschroeide aarde om hun Pax Romana te handhaven.

Reliëf op de Boog van Titus in Rome; afgebeeld is de triomfantelijke intocht van de troepen die de Joodse opstand hebben neergeslagen en nu hun buit aan de Romeinse burgerij tonen. Te zien is het absolute topstuk: de uit de Tweede Tempel geroofde zevenarmige gouden kandelaar, de Menora. Foto: Dnalor 01. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Een ander voorbeeld is de bijna vier jaar durende Joodse Opstand in Judea en Galilea (66-70 n.C.). Deze rebellie, een van de vele in een gebied waar het feitelijk voortdurend onrustig is, begint in het toenmalige Romeinse bestuurscentrum Caesarea (zie verderop), als baldadige Griekse kooplui Joodse gelovigen provoceren door heidense offers brengen bij de ingang van de synagoge. Even later geeft de Romeinse procurator (belastingontvanger) in Jeruzalem zijn soldaten opdracht de Joodse Tempel (streng verboden terrein voor niet-Joden, Goj) binnen te vallen en de kas te plunderen – collectegelden die bestemd waren voor het uitvoeren van de eredienst. In eerste instantie weten de opstandelingen de Romeinse garnizoenen in Caesarea en Jeruzalem te verslaan, waarna keizer Nero (37-68) besluit in te grijpen. Hij roept de in ongenade gevallen veldheer Vespasianus (9-79), die in 43 met zijn legioen een doorslaggevende rol had vervuld bij de Romeinse verovering en bezetting van Brittannië, opnieuw onder de wapenen en stuurt hem met 60.000 soldaten (vier legioenen) naar Palestina om orde op zaken te stellen. In 68 heeft Vespasianus na een bloedige veldtocht het grootste deel van Galilea en Judea weer onder Romeins gezag kunnen brengen; de overlevende rebellen hebben zich teruggetrokken in Jeruzalem, waar Zeloten na een bikkelharde interne burgeroorlog de macht hebben gegrepen; de Zeloten vormen een streng orthodoxe stroming binnen het Jodendom die alleen het gezag van de Joodse God JHWH (Hebreeuws: היהוה, Jahweh of Jehova, letterlijk: Ik Ben Die Ik Ben) erkent en daarom het gezag van de heidense Romeinse keizers en hun goj-vazallen als godslasterlijk beschouwen. Vespasianus belegert Jeruzalem, maar tijdens het beleg bereikt hem het bericht dat Nero door de Senaat tot zelfmoord is gedwongen – zijn waanzinnige schrikbewind is zelfs de militaristische Romeinse elite teveel geworden. Vespasianus draagt het opperbevel van de belegering over aan zijn zoon Titus en vertrekt spoorslags naar Rome, waar na de dood van Nero een bloedige strijd om de opvolging is uitgebroken. Een jaar en vier vermoorde keizers later roept Vespasianus zichzelf tot keizer uit en weet hij niet alleen zijn rivalen te vgerslaan, maar ook zijn nieuwe status met goedkeuring van de Senaat te bestendigen. Intussen heeft Titus Jeruzalem veroverd. De stad wordt leeggeplunderd en verwoest, inclusief de Tweede Tempel waarvan tegenwoordig alleen nog de Westmuur rest (zie ook deel VI, Schemering, De Dwingeland). Titus trekt verder op naar de vesting Massada, waar de laatste Joodse opstandelingen zich hebben teruggetrokken. Ook Massada valt en wordt verwoest, de daar verzamelde rebellen plegen zelfmoord door van de rotsen te springen als de Romeinen binnendringen. De opstand heeft tussen de 600.000 en 1,3 miljoen Joden het leven gekost, en zo’n 100.000 overlevenden worden verkocht op de slavenmarkten van het Midden-Oosten – waar de prijzen door die buitensporig grote aanvoer dramatisch kelderen. Tien jaar na het neerslaan van de opstand en de verwoesting van Jeruzalem wordt in Rome een triomfboog gebouwd, de Boog van Titus, waarop tot op de dag van vandaag is te zien hoe de massief gouden Menora, de zevenarmige kandelaar uit de Tweede Tempel, triomfantelijk door de straten van Rome wordt gedragen. De Joodse tempelschatten – ook de Menora – worden tentoongesteld in een speciaal voor dit doel gebouwde Vredestempel (Templum Pacis), gewijd aan Pax, de godin van de vrede – de Romeinen hadden immers in Palestina de vrede hersteld. De rest van de buitengewoon rijke oorlogsbuit gebruikt Vespasianus voor de wederopbouw van het door brand en burgeroorlog danig gehavende Rome, en daarna blijft er nog genoeg over voor de bouw van het destijds ongeëvenaard grote amfitheater dat we tegenwoordig kennen als het – nog altijd wereldberoemde – Colosseum, dat na voltooiing in 80 door Vespasianus’ zoon (en inmiddels opvolger) Titus wordt ingewijd en plaats biedt aan ruim 50.000 bezoekers – bijna evenveel als de Amsterdamse Johan Cruijff Arena.

Rembrandt Harmensz van Rijn: De Bataafse Eed (1661-1662). In 1660 kreeg Rembrandt opdracht van het Amsterdamse stadsbestuur een schilderij te maken voor het nieuw gebouwde Stadhuis, tegenwoordig het Paleis op de Dam. Het moest onderdeel worden van een serie van twaalf schilderijen, die met elkaar de Bataafse Opstand in beeld moesten brengen, naar analogie van de Opstand die de Nederlanden onafhankelijk van de Habsburgse kroon had gemaakt (de 80-jarige Oorlog). Het woeste schilderij van Rembrandt, het grootste dat hij ooit schilderde (5×5 meter), heeft echter slechts enkele dagen in het Stadhuis gehangen. Rembrandt beeldde Batavenleider Civilis frontaal af als de eenogige, koninklijk geklede maar duidelijk barbaarse krijgsheer die de Romeinse geschiedschrijver Tacitus ooit beschreven had. Op het schilderij zweren Civilis en zijn kompanen na een gewijde maaltijd (Sacrum Nemus) in het heilige Schakerbos de traditionele Germaanse (lees: heidense) eed van trouw: het kruisen der zwaarden boven een gouden kelk. De Amsterdamse burgemeesters hadden geen goed woord over voor het schilderij, te wild, te duister, ongepast. Na een paar dagen lieten ze het verwijderen en stuurden het zonder omhaal of betaling terug naar de schilder. Rembrandt sneed er in arren moede de hoofdvoorstelling uit, bracht daarop nog enkele toevoegingen aan en wist dit schilderij alsnog voor een bodemprijs te verkopen. Na vele omzwervingen raakte het uiteindelijk in bezit van het Nationalmuseum in Stockholm, waar het nog altijd verblijft. Boven: Renbrandts werktekening voor het originele schilderij; onder het overgebleven restant van het schilderij zelf. Bron: Wikimedia Commons en Wikimedia Commons. Klik op de afbeeldingen voor hogere resoluties.

Ook in de Lage Landen van Germania Inferior (Neder-Germanië, het huidige zuiden van Nederland, Oost-België en het noordwestelijk deel van het Duitse Rijnland) tarten Germaanse edelen het corrupte gezag van de alom gehate Nero. Vanaf 65, vier jaar na de opstand van koningin Boadicea in Brittannië, keren steeds meer prominente Romeinse bestuurders in Gallië, Hispanië en Germanië zich tegen diens schrikbewind, wat in 68 leidt tot een burgeroorlog die Rome op haar grondvesten doet schudden. Al spoedig acht de Senaat de situatie onhoudbaar geworden. Nero wordt afgezet en tot vijand van het volk verklaard; ten overstaan van het cohort dat hem komt arresteren, pleegt hij op 9 juni 68 zelfmoord. Dat maakt geen einde aan de burgeroorlog. Onmiddellijk breekt een strijd om de macht uit, die pas op 21 december 69 wordt beslecht als Vespasianus het keizerschap heeft veroverd. De revolte in de Lage Landen, tegenwoordig bekend als de Bataafse Opstand, was in feite een onderdeel van deze burgeroorlog. Niet alleen de Bataven (of Batavieren) in het land van Maas en Waal, maar ook de Cananefaten langs de Noordzeekust, de Friezen en de Chauken in Noordwest-Duitsland grijpen de gelegenheid aan om in opstand te komen. De Bataafse leider van deze opstand, Gaius Julius Civilis, ook bekend als Claudius Civilis of gewoon Civilis, is een geval apart. Hij was niet alleen een barbaarse edelman, maar ook officier bij de Bataafse Ruiters, een zeer gevreesde cavalerie-afdeling van het Romeinse leger die bekend stond als de ‘Bataafse Horden’ – Civilis en zijn ruiters droegen in Brittannië nog een doorslaggevend steentje bij toen daar de opstand van koningin Boadicea werd neergeslagen. Ook de Bataafse ruiters vochten naakt en beschilderd, ze konden in volle galop tientallen pijlen per minuut afschieten – waarvan meer dan de helft doel trof. Civilis had op grond van zijn verdiensten het Romeins staatsburgerschap gekregen, hij blijft trouw aan keizer Nero totdat deze kort voor zijn gedwongen aftreden Civilis’ broer Paulus ten onrechte van ontrouw en verraad beschuldigt en laat executeren. Voor Civilis is dat de druppel die de emmer doet overlopen, hij zoekt wraak en neemt zijn toevlucht tot dubbelspel. Enerzijds belooft hij zijn Romeinse broodheren dat hij de snel om zich heen grijpende opstanden in de Lage Landen zal neerslaan, waar lokale edelen van de Germaanse stammen openlijk oproepen tot het weigeren van belastingbetaling en militaire dienst, maar anderzijds sluit hij zich heimelijk aan bij de opstandelingen. Een Germaans rebellenleger weet vervolgens de Romeinse vestingen in Matila (bij Leiden), Castellum Albaniana (Alphen aan den Rijn), Traiectum (Utrecht), Fectio (Vechten bij Bunnik) en Laurium (Woerden) te verwoesten. Ten zuidwesten van het huidige Arnhem komt het tot een eerste treffen met niet erg gemotiveerde Romeinse soldaten, die in de pan worden gehakt. De rebellen trekken verder naar het zuiden en veroveren de geromaniseerde Bataafse hoofdstad Oppidum Batavorum (later Noviomagum, Nijmegen); de stad gaat in vlammen op en de Romeinen worden teruggeslagen tot voorbij Ceuclum (Cuijk). Terwijl in Rome de strijd om Nero’s definitieve opvolging onverminderd voortwoedt, kiest Civilis, inmiddels de onbetwiste leider van de opstand, partij voor de latere winnaar Vespasianus. In diens naam omsingelt het Germaanse leger de vesting Castra Vetera (bij Xanten in het huidige Noordrijn-Westfalen), waarin de gevluchte Romeinen zich hebben teruggetrokken. Tijdens het beleg organiseert Civilis plundertochten richting Trier, Keulen en Moers, en de slecht gedisciplineerde, ongemotiveerde versterkingen die Rome nog in het veld heeft bieden nauwelijks weerstand. Als Vespasianus tenslotte in Rome als eindoverwinnaar uit de strijd komt, besluit hij dat het genoeg is geweest. Civilis mag dan inmiddels een zelfverklaard aanhanger van de nieuwe keizer zijn, maar in de ogen van veel Romeinse bevelhebbers in Germanië is en blijft hij een ordinaire verrader – ook Vespasianus zelf lijkt die mening toegedaan. Hij stuurt in elk geval zijn beste generaal (en schoonzoon), Quintus Petillius Cerialis, met vier in de oorlog geharde legioenen naar het noorden; Cerialis was in 63 Civilis’ commandant toen zij de opstand van koningin Boadicea neersloegen, en eind 69 hadden zijn troepen Rome ingenomen en zo de weg vrijgemaakt voor Vespasianus’ keizerschap. Bij Xanten aangekomen weet hij het Germaanse beleg te breken en de opstandelingen te verslaan. Civilis geeft zich over en sindsdien is niets meer van hem vernomen, net als zijn illustere Gallische voorganger Vercingetorix is hij waarschijnlijk ter dood gebracht. Daarmee is de Pax Romana in Germania Inferior in ere hersteld en zal hij, althans in West-Europa, bijna twee eeuwen min of meer standhouden.

Vanaf het jaar 101 weet keizer Trajanus (53-117) met de verovering en inlijving van Dacia (Roemenië, 106), Nabatea (Jordanië en het noorden van het Arabisch schiereiland, 113), Armenia (113) en Mesopotamia (Irak, 116) het Romeinse rijk nog één keer uit te breiden. Veel groter dan dit zal het niet meer worden, alleen Trajanus’ opvolgers Hadrianus (76-138) en Antonius Pius (86-161) zien nog kans om in Brittannië de grens nog een paar honderd kilometer naar het noorden op te schuiven. Deze tweede eeuw n.C. staat bekend als de periode van de ‘Goede Keizers’, waarin het – zeker in het westelijk deel van het rijk – relatief rustig blijft; handel, economie en zelfs het toerisme tieren welig. Grote opstanden als de Joodse of de Bataafse blijven uit, en hoewel vooral de oostelijke grensgebieden regelmatig worden geteisterd door invallen, bijvoorbeeld door de Parthen vanuit het huidige Iran, weet Rome haar vrede (lees: militaire gezag) toch goed te handhaven. Maar uiteindelijk gaat het weer mis. De laatste ‘Goede Keizer’, Marcus Aurelius (121-180) wordt opgevolgd door zijn zoon Commodus (161-192), die opnieuw een waar schrikbewind voert – volgens Romeinse geschiedschrijvers is hij zelfs erger dan Nero of diens voorganger Caligula. Commodus laat zich leiden door foute adviseurs, hij wordt beticht van vriendjespolitiek en corruptie, en laat in 183 zelfs zijn echtgenote executeren op beschuldiging van overspel, terwijl hij er zelf een harem met 300 vrouwen op nahoudt. Dit gaat zelfs de senatoren in Rome, die toch wel wat gewend zijn, te ver: op 31 december 192 wordt de keizer in hun opdracht vermoord. Meteen breekt een bloedige machtsstrijd uit, die al in de zomer van 193 (het ‘Vijfkeizerjaar‘) uitmondt in een grote burgeroorlog die pas in 197 door keizer Septimius Severus kan worden beslist. Aan het begin van de derde eeuw wordt in buurland Perzië de macht van de Parthen overgenomen door de machtige Sassaniden, die de oorlog met Rome in verhevigde vorm voortzetten: in 241 hebben zij Armenië, Syrië en delen van Mesopotamië veroverd. De legioenen die nodig zijn om een verdere opmars van de Sassaniden te stuiten worden onttrokken aan de bewaking van de Rijn-Donaugrens met onafhankelijk Germanië, waarna verschillende Germaanse stammen kans zien om door Rome beheerste gebieden binnen te vallen en leeg te plunderen. Handelstransport, veruit de belangrijkste levensader van het rijk, wordt steeds gevaarlijker waardoor de economie in elkaar stort. Omdat er steeds meer militairen nodig zijn om de orde te herstellen – legioenen zijn peperduur – ontstaat al snel gierende inflatie. Hongerige soldaten deserteren, gaan muiten en plunderen, legerleiders en legioenen keren zich tegen elkaar, officieren worden door hun eigen manschappen vermoord, roversbendes teisteren de handelsroutes en het platteland, in grote delen van het rijk heerst anarchie en van Pax Romana is nauwelijks meer sprake. Keizers worden aan de lopende band afgezet en/of geliquideerd, en in 260 valt het rijk zelfs in drie delen uiteen: het Palmyrese keizerrijk in het oosten omvat het huidige Anatolië (Turkije), de Levant en Egypte, het Gallisch keizerrijk in het westen strekt zich uit over Gallië, Brittannië, het noorden van Hispanië en Germania Inferior; de rest blijft onder het gezag van de keizer in Rome. En hoewel die keizer, Aurelianus (ca. 214-275), in de jaren rond 271 kans ziet grote delen van de afgescheiden provincies weer in zijn macht te krijgen, is deze crisis de eerste opmaat naar het einde van de Romeinse macht in Europa. Economie en handel blijven teruglopen, de hyperinflatie kan niet worden gestopt en de onveiligheid blijft. Stedelingen vluchten naar het platteland en zoeken bescherming bij grootgrondbezitters die wél bescherming tegen de rovers en muiters kunnen bieden. De voorheen uitgestrekte, open steden veranderen in zwaar ommuurde vestingen, en overal ontstaan zelfvoorzienende, de facto zelfstandige eilanden die kenmerkend zullen worden voor de periode die volgt op de definitieve ineenstorting van het West-Romeinse rijk in de eerste helft van vijfde eeuw: het begin van de Middeleeuwen (zie daarvoor deel VI, Schemering, De Rover).

Reliëf van het altaar van consul Domitius Ahenobarbus uit het einde van de 2de eeuw v.C., waarop een offerstier naar het altaar wordt geleid, een ceremonie die nog vier eeuwen lang in het Romeinse rijk zal worden uitgevoerd. Het reliëf is afkomstig van het aan de oorlogsgod Mars gewijde Campo Marzio (Marsveld) in Rome, en wordt tegenwoordig tentoongesteld in het Louvre in Parijs. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In november 284 wordt consul en legerleider Diocles, na de moord op keizer Numerianus, door zijn soldaten uitgeroepen tot keizer Diocletianus, en ziet hij kans om deze macht met instemming van de Senaat te bestendigen. Diocletianus voert tal van structurele hervormingen in, zowel op militair terrein als in de politiek, handel en economie en in de religie. Het leger wordt niet alleen fors uitgebreid, maar ook in twee delen gesplitst: grenstroepen die het rijk tegen invallen van barbaren moeten bewaken, en speciale legioenen die snel kunnen worden ingezet om opstanden neer te slaan – snelle interventietroepen avant la lettre. Er worden voor het hele rijk geldende maximumprijzen voor goederen en diensten ingevoerd, die moeten worden afgerekend in een nieuw stelsel van gouden, zilveren en bronzen munten dat de door inflatie sterk ontwaarde denarius vervangt. Om die hervormingen te kunnen betalen worden de belastingen verhoogd en wordt het stelsel van handhavende en controlerende bureaucratieën efficiënter gemaakt en uitgebreid. Ook het politieke bestuur gaat flink op de schop. Diocletianus benoemt op grote schaal vertrouwelingen op sleutelposten. Een keizer is niet langer primus inter pares, de eerste onder gelijken die in Rome verantwoording aan de Senaat moeten afleggen. Hij verdeelt de bestuursmacht in het rijk onder vier heersers, een tetrarchie. Er komen twee keizers, die augusti worden genoemd: Diocletianus neemt zelf het oostelijk deel van het rijk voor zijn rekening, zijn legeraanvoerder Maximianus wordt augustus van het westen. De augusti besteden het bestuur over een deel van hun grondgebied uit aan hun beoogde opvolger, de caesari (‘onderkeizers’) die ze zelf benoemen. Er worden ook twee nieuwe hoofdsteden (bestuurscentra) aangewezen: Mediolanum (tegenwoordig Milaan) voor het westen en Nicomedia (het huidige İzmit in Turkije) voor het oosten; daardoor wordt de macht van de Senaat – die in Rome blijft – flink ingeperkt. Tenslotte bepaalt Diocletianus per decreet dat de traditionele religieuze gebruiken, de verering van al dan niet lokale goden en godinnen (inclusief de semi-goddelijke augusti en caesari) voortaan in het hele rijk de enige religieuze norm zullen zijn. Deelname aan de vaak dagelijkse ceremonies en offerandes in de tempels en amfitheaters wordt verplicht, weigeraars als (vooral) christenen lopen een grote kans niet alleen have en goed maar ook hun hoofd te verliezen. Met dit decreet komt voor het eerst in het hele rijk een systematisch georganiseerde christenvervolging op gang: christelijke gebedsruimtes worden verwoest, bisschoppen, presbyters en vele anderen worden geëxecuteerd of vermoord en hun bezittingen verbeurd verklaard. Het brengen van dierenoffers aan de goden vormt niet alleen een essentieel onderdeel van de Romeinse spiritualiteit, maar ook van de vleesdistributie. Varkens, runderen en schapen worden eerst ritueel geslacht, waarna de priesters uit de gesteldheid van organen als hart, longen en lever de toekomst lezen. Dat orgaanvlees wordt vervolgens geroosterd en aan de goden voorgeschoteld, de rest van het karkas (het spiervlees) wordt verdeeld onder (of verkocht aan) de aanwezigen zodat arm en rijk ervan kunnen eten. Deze traditie bestond al sinds mensenheugenis en gold als een zekere – voor de ‘gewone man’ vaak de enige – manier om in de behoefte aan hoogwaardige dierlijke eiwitten en vetten te voorzien (zie ook deel II, Omwenteling, De Voedseltemmer). Christenen gooien letterlijk roet in het eten van dat distributiesysteem als ze weigeren het vlees van de aan heidense goden geofferde dieren te eten: ze stellen daarmee een essentieel onderdeel van de voedselvoorziening op de proef. Of dat argument heeft meegespeeld in Diocletianus’ besluit om systematische vervolging van christenen te bevelen weten we niet, wel is in zijn decreten vastgelegd dat aanhoudende weigering om offervlees te eten gold als doorslaggevend criterium bij het vaststellen of iemand werkelijk volhardde in zijn of haar christelijke overtuiging, en dus ter dood moest worden gebracht.

Twee fresco’s in het Apostolisch Paleis, het officiële woon- en werkpaleis van de paus in Rome, gedateerd tussen 1520 en 1524. Boven: Constantijn krijgt het visioen van het kruis, voorafgaand aan de slag bij de Milvische Brug, door (de School van) Raphaël (1483-1520). Onder: de Slag bij de Milvische Brug door Giulio Romano (1499-1546). Op beide fresco’s is Constantijn afgebeeld met een gouden stralenkroon, harnas en mantel, waarmee hij sprekend lijkt op de Romeinse zonnegod Sol Invictus. Boven het fresco van het visioen is een afbeelding van de Zuil van Constantijn als Sol Invictus in Constantinopel aangebracht, en een militaire standaard achter de toekomstige augustus draagt onder een kruis eveneens een afbeelding van Sol. Saillant detail: op het fresco van de veldslag draagt Constantijns tegenstander, de met paard en al te water geraakte usurpator Maxentius (rechts voor), eveneens een stralenkroon. Bronnen: Wikimedia Commons en Wikimedia Commons. Klik op de afbeeldingen voor hogere resolutie.

Hoe goed bedoeld en weldoordacht ook, Diocletianus’ reorganisaties maken geen einde aan de voortdurende rivaliteit binnen de militaire elites die het rijk inmiddels al meer dan honderd jaar teisteren – en ook niet aan de bijbehorende economische en sociale malaise. In 305 besluiten de moegestreden augusti Maximianus en Diocletianus afstand van hun tronen te doen. In het westen wordt Maximianus’ caesar Constantius de Bleke, die op dat moment in Caledonië (Schotland) verwikkeld is in het terugslaan van de Picten die heel Brittannië onder de voet dreigen te lopen, verheven tot augustus van het westen. Binnen twee jaar na zijn benoeming wordt Constantius ziek en komt hij te overlijden, waarna de soldaten zijn meevechtende zoon en generaal Constantijn (niet de caesar) tot de nieuwe augustus bombarderen. De in Gallië en Brittannië gestationeerde legioenen erkennen Constantijn meteen als de nieuwe heerser, in Hispanië wordt hij afgewezen. De oostelijke augustus Galerius beslecht het conflict door Diocletianus’ oorspronkelijke caesar, Severus, alsnog tot augustus van het westen te benoemen; Constantijn wordt benoemd tot zijn caesar. Meteen na deze benoeming laat Constantijn de veldtocht in Brittannië over aan zijn generaals en vertrekt hij naar Gallië waar ook dringend orde op zaken moet worden gesteld. Die provincie, ooit rijk en welvarend, wordt nog altijd geteisterd door de naweeën van de crisis die begon in het Vijfkeizerjaar 193. Hele landstreken zijn er ontvolkt geraakt, steden liggen in puin, en tot overmaat van ramp zijn de Frankische stammen in opstand gekomen. Net als Gaius Iulius, meer dan drie eeuwen eerder de naamgever van zijn pasverworven ambt, is Constantijn zich een vastberaden militair en meedogenloze commandant, verliezen is geen optie voor een rechtgeaard Romeins veldheer, en slaagt erin de Franken te temmen door er zoveel mogelijk af te slachten. Constantijns hoofddoel is herstel van rust en orde in het rijk, en zijn draconische optreden in Gallië en Germania Inferior heeft succes. Langs de Rijngrens keert de rust voorlopig weer, en vervolgens trekt hij op naar hartland Italië – Constantijn ambieert het hoogste ambt, de troon van augustus, en neemt geen genoegen met de positie van caesar. Hij trekt met zijn legioenen de Alpen over – Rome is zijn hoofddoel – en weet al onderweg zijn rivalen, de al dan niet zelfbenoemde ceasari en augusti, te verjagen of te verslaan, allemaal op één na. In 312 arriveert de legermacht bij de Pons Milvius (de Milvische Brug), de laatste hindernis op de weg naar de macht, die verdedigd wordt door de (ruimschoots in de meerderheid zijnde) legioenen van zijn laatst overgebleven tegenstander, de usurpator (overweldiger) Maxentius. Volgens de legende heeft Constantijn in de nacht voorafgaand aan de naderende slag een droomvisioen, waarin een hemelse stem hem aanraadt te strijden onder een labarum, een militair vaandel waarop de Griekse letters Chi (Χ) en Rho (Ρ), beginletters van het woord Kristos (ΧΡΙΣΤΟΣ, Latijn: Christus) samensmelten tot één symbool: ☧. Constantijn zou na die droom zijn soldaten opdracht hebben gegeven dit Chi-Rho-symbool op hun schilden aan te brengen. Constantijn wint de slag om de Milvische Brug, met meer geluk dan wijsheid. Maxentius valt in de rivier en verdrinkt, zijn troepen raken in verwarring en slaan op de vlucht, daarna is de weg vrij is om als de onbetwiste augustus van het westen aan het hoofd van zijn legioenen triomfantelijk naar Rome te marcheren. Een jaar later bekrachtigt hij in Mediolanum een bondgenootschap met de – nog niet onbetwiste – augustus van het oosten, Licinius, die in de strijd tegen Maxentius een medestander was, het wordt bezegeld met een huwelijk tussen Licinius en Constantijns halfzuster Constantia. Bij die gelegenheid vaardigen de augusti een gezamenlijk decreet uit, waarin wordt benadrukt dat binnen het gehele rijk de vrijheid heerst om alle goden te kunnen vereren die men wenselijk acht – dus nadrukkelijk ook de christelijke (zie onder). Maar al snel daarna bekoelt de goede verstandhouding tussen beide augusti. Alletwee azen ze op alleenheerschappij, en zo’n anderhalf jaar na de bezegeling van hun bondgenootschap staan de legers van Constantijn en Licinius tegenover elkaar. De veldslag eindigt onbeslist, er komt een wapenstilstand en daarna worden de keizers afgeleid door Germaanse invallen in het westen en Gotische in het oosten, maar in 317 staan ze opnieuw tegenover elkaar. Constantijn wint, Licinius mag augustus blijven maar wordt wel gedwongen zijn pas benoemde caesar Valens te executeren. Hij zint op wraak en vaardigt een aantal wetten uit om christenen dwars te zitten – en daarmee Constantijn, die hun immers goedgezind is. Constantijn duldt geen tegenspraak en ontketent een burgeroorlog tegen zijn voormalige bondgenoot, die hij in 324 uiteindelijk in zijn voordeel kan beslechten. Zowel Licinius als diens nieuwe caesar, Martinianus, worden tot aftreden gedwongen, ter dood veroordeeld en een halfjaar later geëxecuteerd. Daarmee is Constantijn sinds lange tijd weer alleenheerser: augustus van het rijk in west en oost. In de canonieke kerkgeschiedenis (lees: propaganda) komt hij tot ons als keizer Constantijn I de Grote, ook bekend als Imperator Caesar Flavius Valerius Aurelius Constantinus Augustus; hij zou de eerste christelijke keizer van het Romeinse rijk zijn geweest. Hij wordt gezien als de dertiende apostel van Christus, en in orthodoxe stromingen van het christendom is hij als grondlegger van hun kerken zelfs heilig verklaard.

Bronzen munten van Constantijn I (de Grote). Boven: munt geslagen in Lyon (315-316 AD), met op de muntzijde een afbeelding van Sol Invictus. Onder: munten uit Constantinopel, geslagen in 327-328 AD, met op de muntzijde de keizerlijke militaire standaard (vexillum). Op munten voor het nog goeddeels heidense West-Romeinse rijk indentificeerde Constantijn zich met Sol, in het Oosten met haar omvangrijke christelijke minderheid plaatste hij zijn militaire standaard (vexillum), waarvan de traditionele adelaar met opschrift SPQR (Senatus Populusque Romanus, De Senaat en het Volk van Rome) is vervangen door het Griekse Christussymbool ΧΡ (Chi-Ro). Het vaandel zelf draagt afbeeldingen van Constantijn I en zijn zonen, Constantijn II en III. De standaard doorboort een slang, die in de vroeg-christelijke mythologie de personificatie van het kwaad was geworden. In het voorchristelijke Midden-Oosten werden de meeste goden op een of andere manier met de slang geassocieerd, die stond voor vruchtbaarheid, genezing (de esculaap), vernieuwing en wedergeboorte. Deze associatie kan Constantijn onmogelijk zijn ontgaan: hier verplettert Christus de oude goden. Bronnen: boven VCoins; onder Serpentarium Mundi. Klik op de afbeeldingen voor hogere resoluties.

Op die legendes rond Constantijn als eerste christelijke keizer van het Romeinse rijk valt echter veel af te dingen, we kunnen zonder omhaal stellen dat hij gewoon een despotische en heidense keizer was, die hooguit voor het eerst veel – maar zeker niet alle – christenen toestond hun eigen gang te gaan; zolang ze maar netjes belasting betaalden, geen amok maakten en zich schikten naar de grillen van de keizer. Om te beginnen was hij het absolute tegendeel van iemand die na een klap op zijn wang zijn vijand ook de andere toekeert, Constantijn bleef zijn leven lang volledig toegewijd aan het door Jezus veroordeelde oog om oog, tand om tand principe (zie Mattheüs 5:38-39) – overigens de enige manier waarop een sterveling in Rome augustus kon worden en blijven. Tijdgenoten noemen Constantijn een verwijfde ijdeltuit vol eigendunk, en zoals het een Romeinse ijzervreter betaamt was hij tevens meedogenloos wreed, wraakzuchtig, genadeloos en een sluwe, geslepen strateeg – militair en politiek. Hij hield ervan zichzelf en zijn wapens met juwelen te behangen, en liet zich daar graag mee afbeelden. In 326 beschuldigt Constantijns tweede vrouw Fausta zijn oudste zoon (en caesar) uit een eerder huwelijk, Crispus, ervan dat hij haar zou hebben verkracht en/of tot een liefdesaffaire gedwongen, waarop Constantijn Crispus ter dood laat veroordelen en zijn nagedachtenis vervloeken (damnatio memoriae). Als de beschuldiging later vals blijkt laat hij vervolgens Fausta in de thermen (het badhuis) levend koken. Overigens wordt Crispus’ nagedachtenis daarna niet in ere hersteld en blijven Fausta’s eigen zonen, Constantijn, Constantius en Constans, alledrie caesar – verderop kunt u lezen wat daarvan de ellendige gevolgen waren. Naast deze onchristelijke levenshouding zijn er ook verder nauwelijks aanwijzingen die erop duiden dat Constantijn zich om andere dan zuiver opportunistische (lees: politieke) redenen aan het christendom heeft verbonden. In de bijna drie eeuwen die lagen tussen Jezus’ kruisdood en vermeende wederopstanding en de slag bij de Milvische Brug, had het christendom miljoenen aanhangers geworven. Niet alleen de oostelijke delen van het rijk, met name Klein-Azië en de Levant (Palestina), maar ook Afrika, vooral Egypte (Alexandrië) en de streken rond het oude Carthago, Italië (Rome en omstreken), het zuiden van Hispanië en Gallië telden inmiddels grote gemeenschappen van christenen; hier en daar maken zij tijdens Constantijns visioen bij de Milvische brug zelfs de meerderheid van de bevolking uit, en op dat moment hangt gemiddeld zo’n tien procent van alle inwoners van het rijk, barbaren en staatsburgers, de leer van Jezus’ apostelen aan. Met de verheffing van het christendom tot gelijkwaardig aan de heidense cultussen binnen het rijk, zoals door hem en Lucianus in Mediolanum verordonneerd, verzekert Constantijn zich in één klap van de steun van miljoenen onderdanen. In politiek-strategisch opzicht is dit decreet, het Edict van Milaan, dan ook een meesterzet: de augusti verwerven er de dankbaarheid van christenen mee zonder de loyaliteit van hun overtuigd heidense officieren en soldaten te verliezen. Na de overwinning op Maxentius bij de Milvische Brug brengt Constantijn geen dankoffers aan de christelijke God die hem de overwinning zou hebben bezorgd, maar wel aan de oude, vertrouwde goden onder wier bescherming zijn legioenen hun eerdere overwinningen hadden behaald: de Zonnegod Sol Invictus (zie onder), oppergod Jupiter, de reddende god Apollo (eveneens geassocieerd met de zon), en waarschijnlijk ook nog aan oorlogsgod Mars. De bewoordingen van het Edict van Milaan mogen dan wel uitsluitend religieus van aard lijken, maar dat moeten we toch vooral toeschrijven aan de destijds nog volledige verstrengeling van politiek en godsdienst. Het originele edict is trouwens niet bewaard gebleven. Wel heeft de christelijke kerkhistoricus, bisschop (en raadsman van Constantijn) Eusebius van Ceasarea (ca. 263 – ca. 339) in zijn belangrijkste werk, de Historia Ecclesiastica (Geschiedenis van de Kerk), een diplomatieke brief aan de stadhouders van het oostelijke rijksdeel opgenomen van de (eveneens christelijke) schrijver Lactantius (ca. 250 – 320), waarin de inhoud van het decreet lijkt te zijn opgenomen – waarschijnlijk in eigen (lees: verchristelijkte) bewoordingen. Lactantius stond niet alleen bekend als een fel tegenstander van de klassieke Griekse (heidense) wijsbegeerte van Aristoteles, Plato en Socrates (zie deel III, Godes Dienst, Het Orakel), maar stak ook graag de draak met de verschillende heidense cultussen uit zijn tijd. Het kan dus zomaar zijn dat Lactantius in de door Eusebius opgevoerde brief een geparafraseerde versie van het Edict heeft weergegeven toen hij schreef: “…Daarom hebben Wij [Constantijn en Licinius] aan de christenen en aan alle andere mensen de vrijheid geschonken om die godsdienst uit te oefenen die ieder voor zich verkiest. Welke Godheid er ook moge zetelen in de hemel, moge Hij daarom tevredengesteld en goed gezind zijn jegens Ons en allen die zich onder Ons gezag bevinden. Wij hebben dan ook na heilzame en correcte overweging gemeend dit als een gelegenheid te beschouwen die Wij niemand mogen ontzeggen, of hij nu zijn geest richt op de religie der christenen of op de religie die hij voor zichzelf de meest geschikte acht, zodat de Hoogste Godheid Die wij in de vrijheid van onze geest dienen, in alles Zijn gewone gunst en welwillendheid kan verlenen. (…) Wij hebben dat besloten opdat geen enkele cultus of religie door Ons toedoen zou kunnen schijnen tekort te zijn gedaan.” (Bron: Historiek.net, lemma Edict van Milaan.) Parafrasering of niet, uit deze tekst moeten we afleiden dat het decreet weliswaar aanhang aan het christelijk geloof in het hele rijk legaliseert, maar dan toch alleen naast de enorme verscheidenheid van andere, heidense opvattingen die sinds mensenheugenis de norm zijn geweest.

Reconstructietekening van de Zuil van Constantijn met het standbeeld van Sol Invectus annex Constantijn zelf in Constantinopel, door de Duitse architect en kunsthistoricus Cornelius Gurlitt (1850-1938) in zijn standaardwerk ‘Die Baukunst Konstantinopels’. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Dat Constantijns mythische bekeringsvisioen bij de Milvische Brug vooral strategisch en nauwelijks religieus gemotiveerd moet zijn geweest, blijkt ook uit het feit dat hij het grootste deel van zijn verdere leven geïnspireerd bleef door de cultus van Sol Invictus (Onoverwinnelijke Zon), die werd beschouwd als de beschermer van soldaten. Die cultus was omstreeks 274 door de eerdergenoemde keizer Aurelianus nieuw leven ingeblazen, als poging om de door hem herstelde eenheid van het rijk te bestendigen en de aandacht af te leiden van de economische en sociale crises die nog lang niet bezworen waren. Het vereren van de Zon als zelfstandige godheid was voor Aurelianus’ keizerschap weliswaar niet onbekend, maar in het westen was hij toch de mindere van Grieks-Romeinse goden als Jupiter (Zeus, de oppergod), Apollo (wel een zonnegod maar niet de Zon zelf), diens tweelingzuster Diana (Artemis, godin van de jacht), Venus (Aphrodite, verbonden met de liefde), Ceres (Demeter, godin van vruchtbaarheid en landbouw) of oorlogsgod Mars (Ares); ook was Sol ondergeschikt aan Germaans-Keltische equivalenten als Oðin (Wodan), Freyr, Frigg (Freya), Hertha, Nehalennia of Ðonar. In de oostelijke delen van het rijk was de Zonnecultus daarentegen wel prominent gebleven; in Egypte was hij zelfs oppergod (Ra) aan wie een complete stad was gewijd die door de Grieken Heliopolis werd genoemd (Stad van de Zon, nu een buitenwijk van Caïro met dezelfde naam die is afgeleid van de Griekse zonnegod Helios). Ook in de Levant bevond zich een Heliopolis (het huidige Ba’albek in Oost-Libanon) dat talloze pelgrims trok; naast de oude Fenicische en Kanaänitische god Baäl – de ‘Meester’ of ‘Heer’, heerser over onder andere storm en onweer, vruchtbaarheid en oorlog en vaak ook geassocieerd met de zon – werden daar Jupiter en Venus eveneens in grote tempels vereerd. Aurelianus, de keizer die in 271 kans had gezien om tijdens de crisis van de derde eeuw het in drie delen uiteengevallen rijk te verenigen en alles op alles stelde om die eenheid te bestendigen, schaarde met de nieuwe cultus dus een grote verscheidenheid aan zonnegoden onder een noemer: Sol Invictus, en probeerde zelfs om er een staatsgodsdienst van te maken (wat overigens niet lukte). Wel krijgen in 274 Sols priesters, zonder uitzondering vooraanstaande senatoren, dezelfde status als de priesters van oppergod Jupiter; een prominenter priesterstatus was er niet. Daarnaast beval Aurelianus per decreet dat voortaan elke vier jaar meerdaagse spelen ter ere van Sol Invictus moesten worden georganiseerd – alles ter bevordering van de eenheid binnen het rijk. De innovatie werkt. De cultussen van Sol (en zijn spelen) worden razend populair, en ook Constantijn ziet bijna vijftig jaar en tien keizers later het belang van Sol Invictus’ cultus als bindende factor voor het rijk. Net als Aurelius vereenzelvigt hij zich met de zonnegod door op de munten die hij laat slaan zijn eigen beeltenis met de karakteristieke stralenkrans van Sol te tooien. In 321, negen jaar na zijn vermeende bekering tot het christendom bij de Milvische Brug, voert hij (ook nu per decreet) voor het hele rijk een algemene rustdag in ter ere van Sol: Dies Solis (Zondag). In 328 verplaatst Constantijn het machtscentrum van het rijk van Rome naar een nieuwgebouwde stad aan de Bosporus, die verrijst op de restanten van het in 193 door Septimus Severus (145-211) verwoeste Byzantium – Constantijn noemt deze splinternieuwe hoofdstad naar zichzelf: Constantinopel (tegenwoordig Istanbul). Op het eveneens naar zichzelf vernoemde centrale plein, het Forum Constantini (Forum van Constantijn), wordt te zijner ere een ruim 35 meter hoge zuil opgericht, met bovenop een verguld standbeeld met de stralenkrans van Sol Invictus rond het hoofd; volgens sommige bronnen is het beeld gestolen, hetzij uit een Atheense of zelfs Trojaanse tempel, of misschien uit Heliopolis (Ba’albek), en voor het op de zuil wordt gezet is het eerst van Constantijns gelaatstrekken voorzien – van zoveel eigendunk kan zelfs de mythische Narcissus, die zich verloor in de bewondering van zijn eigen spiegelbeeld, nog wat lessen trekken.

Boven: bovenste deel van een stele afkomstig uit de cavaleriekazerne van de keizerlijke Praetoriaanse Garde in Rome, gedateerd tussen 150 en 200 AD. Afgebeeld zijn de zonnegod Sol Invictus (links), maangodin Luna (midden) en oppergod Jupiter (rechts). Onder: een mozaïek van Christus die ten hemel vaart, voorzien van de stralenkrans en de paarden waarmee ook Sol Invictus doorgaans werd afgebeeld; de paarden trekken dan de wagen waarmee de zon zijn dagelijkse tocht langs het firmament maakt. Het mozaïek is eind derde of begin vierde eeuw (dus ver na de dood van Constantijn) aangebracht op het plafond van een mausoleum op de Vaticaanse necropolis, waar ook de apostel Petrus zou zijn begraven. Bronnen: Goede Keizers, Slechte Keizers (boven) en Ethika Politika (onder). Klik op de foto’s voor hogere resoluties.

Door de expliciete legitimering van het christendom in het Edict van Milaan maakt Constantijn het niet alleen mogelijk dat de miljoenen christenen in het rijk hun geloof nu in alle openheid kunnen belijden, eveneens krijgt hij greep op de inhoud van de leer zelf. Zoals eerder al opgemerkt zijn politiek en religie ook in de 4e eeuw nog loten aan dezelfde stam, en die stam is nu Constantijn de Grote, imperator augustus en alleenheerser over alles en iedereen. Toen Constantijn de keizerstroon naar Constantinopel verplaatste liet hij het enige orgaan dat zijn macht nog kon bedreigen, de Senaat, in Rome achter – die werd daarmee gereduceerd tot een tamelijk machteloos regionaal orgaan, een soort gemeenteraad. Van de steun van het andere bastion dat hem ten val zou kunnen brengen, het leger, had hij zich verzekerd door zijn militaire overwinningen: op Maxentius, Licinius en alle anderen die zich tegen zijn verheven status durfden te keren. Vrijwel meteen na de verhuizing naar Constantinopel begint Constantijn die absolute macht ook over de religies van het rijk te executeren. Niet alleen Sol Invictus en zijn priesters profiteren, maar de aanhangers van Christus, inmiddels van De Gezalfde uitgegroeid tot De Verlosser en Zoon van God evenzeer. De door Constantijns voorganger Diocletianus bevolen, systematische vervolging van het christendom komt tot stilstand en de slachtoffers worden waar mogelijk gerehabiliteerd en schadeloos gesteld. De kerk krijgt de geconfisqueerd gelden en goederen terug, en ook vrijstelling van bepaalde belastingen. De keizer benoemt christenen op hoge posten, bouwt kerken naar het voorbeeld van de basilica – een gebouw met meerdere schepen dat oorspronkelijk gebruikt werd als markthal, beursgebouw en rechtszaal – en begiftigt bisdommen met land en andere rijkdommen. De eerste christelijke basiliek verrijst in Constantinopel zelf (deze Hagia Eirene staat er nog steeds en is tegenwoordig een museum en concertzaal); een ander voorbeeld is de oorspronkelijke basiliek van Sint Pieter (Simon Petrus) in Rome, in opdracht van Constantijn gebouwd op de (veronderstelde) plek waar deze apostel na diens kruisiging onder Nero (zie onder) zou zijn begraven. Bij het beschouwen van deze – tot dan inderdaad ongekende – steun van een augustus aan het christendom mogen we zijn politiek-strategische motieven niet uit het oog verliezen. Christenen stonden erom bekend dat ze zich niet snel verzetten tegen het bevoegd gezag en ook zonder morren hun belastingen betaalden. Immers, zoals de apostel Paulus in zijn brief aan de christelijke gemeenschap in Rome had geschreven over de wereldlijke machthebbers: “Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.” (Romeinen 13:1-2, statenvertaling) En dan: “Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil. Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, dien gij de eer schuldig zijt.” (Romeinen 13:5-7, statenvertaling) – zonder twijfel een levenshouding die de dragers van het Romeinse gezag over de recalcitrante barbaarse horden konden waarderen.

Dit fresco uit ca. 1304 van Giotto di Bondone (ca. 1267-1337) in de Kapel van Scrovegni in Padua (Italië) verbeeldt de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena na zijn opstanding uit de dood, zoals beschreven in de Bijbelse evangeliën. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Die gehoorzaamheid aan een onbetwistbaar – want van God gegeven – bevoegd gezag, hoe tiranniek of kwaadaardig ook, was eeuwenlang een belangrijk kernpunt in de christelijke leringen, net als de verplichting om zonder morren de van hogerhand opgelegde schatting (belasting) te betalen. Of die leerstellingen daadwerkelijk onderdeel uitmaakten van Jezus’ oorspronkelijke verkondigingen is echter de vraag – er zijn talloze aanwijzingen (en zelfs bewijzen) dat we hier te maken hebben met wat tegenwoordig ‘nepnieuws’ wordt genoemd. Om dat te begrijpen moeten we proberen de oorspronkelijke leringen van Jezus te reconstrueren, en dat is een bijna onmogelijke opgave. Van zijn daden en predikingen is om te beginnen geen enkel ooggetuigenverslag uit de eerste hand overgeleverd – wat logisch is omdat destijds meer dan 99% van de bevolking – inclusief Jezus en zijn volgelingen – de schrijfkunst niet machtig was. De mens Jezus werd omstreeks het jaar 3 voor Christus geboren in een klein dorpje in Galilea, Nazareth, en groeide op in het gezin van timmerman Jozef. We mogen aannemen dat hij, zoals destijds gebruikelijk, zijn vader als timmerman opvolgde en dat ambacht bleef uitoefenen totdat hij rond het jaar 27 met preken begon. Joods Palestina, en zeker Galilea, was in die jaren een broeinest van religieuze en politieke onrust. Jezus was ook zeker niet de enige prediker en wonderdoener die door zijn volgelingen als de Messias (letterlijk: De Gezalfde, afgeleid van het Hebreeuwse woord Masjiach, משיח; Grieks: Christos, Χριστός; Latijn: Christus) werd vereerd; van tien andere tijdgenoten van Jezus zijn de namen overgeleverd, maar het kunnen er zomaar veel meer zijn geweest. De komst van zo’n Messias was in lang vervlogen tijden al door profeten uit de Joodse heilige boeken (de Tenach 3, תנ”ך) voorspeld. Er is dan overigens geen sprake van een zoon van God, in de Joodse orthodoxie wordt een dergelijke opvatting dan ook als (extreme) blasfemie opgevat, zoals bijvoorbeeld duidelijk wordt gemaakt in de tekst van een oeroud Jiddisch lied dat gezongen wordt op Sederavond, tijdens de gezamenlijke maaltijd die traditioneel genuttigd op de avond voor Pesach (zie onder): “Wos die Ejns bedajt: Ejner is der Gott. Un Gott is ejner un wejter kejner”: Wat de Eén betekent: Eén is God. En God is één en verder geen.

Saul en David, schilderij uit het atelier van Renbrandt van Rijn en vervaardigd tussen 1650 en 1670; het werk is opgezet door Rembrandts gezellen en afgewerkt door de meester zelf (collectie Mauritshuis ‘s-Gravenhage). De jonge David, dan nog schaapherder, streelt met zijn harpspel de verscheurde ziel van de door ‘een boze geest Gods’ bezeten koning Saul, die tot tranen geroerd is en zijn ogen droogt aan het gordijn. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Volgens de Joodse traditie zal de Messias een door JHWH gezonden, maar toch vooral menselijke afstammeling zijn uit het ooit roemruchte Huis van David. David, eveneens door JHWH uitgekozen als de stamvader van een Israëlitische koningsdynastie, was oorspronkelijk een schaapherder in de velden rond zijn geboorteplaats Bethlehem. Dan stuurt JHWH zijn hogepriester en profeet Samuël eropuit om David in het diepste geheim alvast tot de nieuwe koning te zalven, als beoogd opvolger van de getormenteerde koning Saul die van zijn geloof is gevallen. David wordt vervolgens door de van ‘een boze geest Gods’ bezeten Saul aan het hof ontboden om hem met zijn betoverende harpspel tot ontspanning te brengen (1 Samuël 16:14-23; Oude Testament), en krijgt prompt een aanstelling als wapendrager van de koning. Als een grote Filistijnse legermacht het koninkrijk van Saul bedreigt, weet David in een tweegevecht hun sterkste kampvechter, de reus Goliat, met een steen uit zijn slinger te doden: “Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.” (zie 1 Samuël 17). Uit dankbaarheid ‘adopteert’ de koning David als zijn zoon, maar later raken de jaloerse Saul en de inmiddels razend populaire David ernstig gebrouilleerd. David moet vluchten, maar na de dood van Saul en veel verwikkelingen later (waaronder verraad en een bloedige oorlog tegen de Filistijnen) wordt hij uiteindelijk toch tot nieuwe koning van het verenigde Israël uitgeroepen (2 Samuël 1-5). Als koning brengt David vrede, rechtvaardigheid en voorspoed. Hijzelf regeert veertig jaar en wordt opgevolgd door zijn (bijna even roemruchte) zoon Salomo, waarvan gezegd wordt dat hij de Eerste Joodse Tempel in Jeruzalem bouwde. Na Salomo, die eveneens veertig jaar regeerde en in de Tenach geroemd wordt om zijn wijsheid, breekt een burgeroorlog uit en valt het verenigde koninkrijk Israël uiteen, maar afstammelingen van David bezetten daarna de troon van het koninkrijk Judea nog tot circa 600 v.C., als de Babylonische koning Nebukadnezar II Jeruzalem bezet, de Tempel van Salomo verwoest en een groot deel van het Joodse volk in ballingschap naar Babylon voert. De Bijbelse profetieën verkondigen dat ooit een door JHWH gezonden Messias, een afstammeling van David, opnieuw de troon van een verenigd Israël zal bezetten om de door Hem bevolen orde herstellen. Jesaja en andere profeten in de Tenach voorspellen niet alleen de komst van deze nieuwe koning, maar ook de maatregelen die hij zal nemen, zoals het verslaan van vreemde (lees: niet-Joodse) overheersers, het verjagen van een corrupte elite, het zuiveren van de leer, en ook het instellen van een nieuw Sanhedrin (Hebreeuws: סַנְהֶדְרִין, afgeleid van het Griekse συνέδριον, synedrion, wat ‘samen zitten’ betekent; in het Latijn ‘synedrium’), de Joodse Hoge Raad onder leiding van de hogepriester die ook tijdens de Romeinse bezetting haar rechtsmacht goeddeels had behouden; zo mocht het Sanhedrin doodvonnissen uitvoeren door middel van steniging of onthoofding, alleen voor kruisiging was bekrachting door het Romeinse oppergezag nodig. De eerder genoemde predikers, die in het bezette land van de Israëlieten net als Jezus vaak luidkeels hun apocalyptische boodschappen verkondigden, zagen zichzelf soms als deze Messias, of kregen dat etiket (net als Jezus) door hun volgelingen opgeplakt. Zowel het Sanhedrin als de Romeinse machthebbers beschouwden die Messiaanse bewegingen (waarschijnlijk terecht) als een bedreiging van zowel hun eigen positie als van de openbare orde, als ze teveel aanhangers kregen werden zulke Messiassen dan ook steevast opgepakt, gemarteld en in het openbaar ter dood gebracht; gezien zijn snel groeiende populariteit in Galilea (en daarbuiten) was het dan ook onvermijdelijk dat ook Jezus dit lot uiteindelijk beschoren was. Meestal was de dreiging van zo’n Messiaanse beweging met de executie van de leider geweken, maar met de Jezusbeweging werkte dat niet. Immers, zijn metgezellen en volgelingen verklaarden dat hij uit de dood was opgestaan en in levende lijve aan hun verschenen, en zagen dat als het ultieme bewijs dat hij niet zomaar de Messias was, maar zelfs de zoon van God. Met alle gevolgen van dien, en de rest is geschiedenis.

Naakte Jongeling op de Vlucht Tijdens de Gevangenneming van Christus, ongesigneerde tekening van onbekende datum naar een schilderij van Antonio da Correggio uit 1522 (Quadernia di Poesia e Arte). De jongeling, volgens de overlevering Marcus de Evangelist wordt door een soldaat bij de mantel gegrepen, maar weet te ontsnappen door het kleed van zich af te schudden. Rechts is te zien hoe de discipel Judas Iskariot Jezus’ identiteit prijsgeeft aan de gewapende mannen die hem komen arresteren door hem op de wang te kussen. Links boven op de tekening (niet op het originele schilderij) zoeken de discipelen een veilig heenkomen of slaan op de vlucht. Bron: Veilinghuis Gonelli. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

De documenten die niet alleen vertellen over Jezus en de inhoud van zijn leringen, maar ook de tand des tijds hebben doorstaan, zijn niet de originelen – dat geldt voor zowel teksten die ruim vier eeuwen na de kruisiging het Nieuwe Testament van de christelijke Bijbel zullen halen als voor de talloze apocriefen die niet werden gecanoniseerd. We beschikken alleen nog over afschriften, door kopiisten met de hand overgeschreven kopieën van kopieën van kopieën enzovoort, destijds de enige manier om teksten te vermeerderen en verder te verspreiden. Tussen een verdwenen origineel en de oudste bewaard gebleven kopie liggen altijd tientallen jaren en vaak zelfs meerdere eeuwen – of zelfs een millennium. De handschriften (manuscripten) die het tijdperk van de drukkunst (vanaf een kleine 1500 jaar na christus) wel wisten te halen, zijn ook nog eens zelden compleet; vaak betreft het niet veel meer dan een fragment van één bladzijde uit een veel langere tekst. Een sprekend voorbeeld van de problemen die dit met zich meebrengt is het oudste evangelie in het Nieuwe Testament (afgeleid van het Griekse ‘euangelion’, εὐαγγέλιον, Blijde of Goede Boodschap), toegeschreven aan Johannes Marcus en waarschijnlijk omstreeks het jaar 70 in Rome voor het eerst opgeschreven, volgens veel Bijbelgeleerden in elk geval na de gedwongen zelfmoord van christenmoordenaar Nero begin juni 68, en waarschijnlijk ook na de verwoesting van Jeruzalem en de Joodse Tempel, twee jaar later tijdens de hierboven al beschreven Joodse Opstand. Hoewel de naam van de oorspronkelijke auteur nergens in de bewaard gebleven kopieën van dit evangelie wordt vermeld, is de toeschrijving aan Marcus in kerkelijke kring nauwelijks omstreden (zie verderop). Volgens deze canonieke kerkgeschiedenis maakte de jonge Marcus al tijdens Jezus leven deel uit van diens beweging. Het huis van zijn moeder in Jeruzalem werd na de kruisiging en opstanding een ontmoetingsplaats waar de eerste christenen kwamen bidden, en Marcus zelf wordt geïdentificeerd met degene die, op de avond vóór Jezus’ arrestatie in de Hof van Gethsemane, twee vooruitgezonden discipelen naar het huis bracht waar de gezamelijke maaltijd zou plaatsvinden die we kennen als het Laatste Avondmaal. Marcus wordt eveneens vereenzelvigd met de jongeman die, meteen na Jezus’ arrestatie, aan gevangenneming weet te ontsnappen door zijn gewaad af te werpen en naakt op de vlucht te slaan, samen met de andere discipelen – een verhaal dat overigens alleen in dit evangelie voorkomt: “En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem. En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.” (Marcus 14:51-52). Jezus’ voormalige discipelen trekken, na diens kruisdood, opstanding en hemelvaart, als apostelen de wereld in om een Blijde Boodschap te verkondigen aan iedereen die het horen wil: Jezus is opgestaan uit de dood; hij kan nu niet meer iemand anders dan de Messias zijn en zelfs de zoon van God, door Hem gezonden om de zonden van de gehele mensheid op zich te nemen en verlossing te brengen door te sterven aan het kruis. Marcus zou met de zojuist bekeerde Paulus – die volhoudt dat Jezus ook aan hem verschenen is – en diens rechterhand Barnabas mee naar Klein-Azië zijn gereisd. Paulus en Marcus krijgen onderweg ruzie, waarover precies blijft onduidelijk, maar de sfeer is kennelijk dermate verziekt dat Marcus besluit het gezelschap te verlaten en terug te keren naar Jeruzalem (zie verder deel III, Godes Dienst, De Prelaat). Daar zou hij de leerling, metgezel en tolk van Simon Petrus zijn geworden, een van de oorspronkelijke discipelen van Jezus en diens belangrijkste vertrouweling. Oftewel: als deze Johannes Marcus inderdaad de auteur van dit evangelie was, moet hij hebben beschikt over informatie uit de eerste hand: zowel over Jezus’ leven en werken, diens lijdensweg, de herrijzenis uit de dood en alles wat daarna nog volgde. Zou je denken.

De oudste, min of meer complete versies van het Marcusevangelie zijn bewaard gebleven in de Codex Sinaiticus en de Codex Vaticanus, beide handschriften dateren uit de tweede helft van de vierde eeuw en veel Bijbelgeleerden nemen aan dat ze aan de hand van verschillende originelen en onafhankelijk van elkaar in hetzelfde Egyptische scriptorium vervaardigd zijn. De inhoud van beide teksten is verre van identiek: de Britse Bijbelgeleerde en tekstcriticus Herman C. Hoskier (1864-1938) vond alleen al in het Marcusevangelie 567 significante verschillen tussen de twee handschriften, die niet waren terug te voeren op simpele fouten of verschrijvingen. Soms waren die verschillen ontstaan omdat kopiisten in de loop der jaren ten behoeve van hun specifieke doelgroepen (of opdrachtgevers) andere bewoordingen gebruikten of verduidelijkingen aanbrachten zonder daarmee de tekst inhoudelijk geweld aan te doen; in andere gevallen werden regels (en zelfs hele verhalen) toegevoegd, weggelaten – of er later bijgeschreven. Waar het de laatste twaalf verzen van het Marcusevangelie betreft, het verhaal van Jezus’ opstanding uit de dood, zijn verschijnling aan de discipelen en zijn tenhemelopneming (in het Nieuwe Testament Marcus 16:9-20), is echter vooral een buitengewoon curieuze overeenkomst relevant: deze verhalen zijn weggelaten, al is er wel een witruimte voor uitgespaard; kennelijk wisten de kopiïsten wel dat er nog wat moest komen, maar ontbraken de regels in de voorliggende teksten die ze moesten overschrijven. In beide manuscripten eindigt het evangelie dan ook met het verhaal van de drie vrouwen, waaronder Maria Magdalena, die drie dagen na de kruisiging met specerijen naar Jezus’ graftombe gaan om zijn lichaam te ‘zalven’ (zie verderop). Bij het graf zien ze tot hun ontsteltenis dat de ‘zeer grote steen’ voor de ingang ‘is afgewenteld’. In het graf treffen zij een jongeling ‘bekleed met een lang wit kleed’, die zegt: “Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.” Dan volgt de slotregel (vers 8): “En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.” Einde verhaal.

In het Nieuwe Testament (en in veel, maar zeker niet in alle geschreven kopieën van het Marcusevangelie die hebben overleefd) gaat het verhaal wel degelijk verder. Nadat de vrouwen van het lege graf zijn weggevlucht verschijnt de herrezen Jezus in levende lijve, eerst aan Maria Magdalena en daarna ook aan de andere oorspronkelijke discipelen: eerst aan twee niet bij name genoemden, en vervolgens ook aan de anderen die inmiddels naar Galilea zijn gevlucht. Jezus roept hen op zijn leer ‘over de gehele wereld en onder alle creaturen’ te verspreiden, en voegt daaraan toe: “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken. Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.” In het voorlaatste vers wordt Jezus tenslotte opgenomen in de hemel om daar te zetelen aan de rechterhand van God, en sluit het verhaal met vers 20: “En zij [de discipelen, nu apostelen], uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.”

Dit cruciale slot ontbreekt niet alleen in de bovengenoemde twee manuscripten, maar ook in een aanzienlijk aantal van de (meestal) oudere fragmenten die van het slot van het Marcusevangelie bewaard zijn gebleven, en in een enkel geval is het er in een ander handschrift alsnog bijgeschreven. Bovendien verschillen deze twaalf verzen zowel in stijl als in taalgebruik van de tekst die eraan voorafgaat, en al met al is er genoeg reden om aan te nemen dat het verhaal van de opstanding en de verschijning van Jezus pas later – en door een andere auteur – aan het origineel is toegevoegd: op een moment dat er ook al kopieën van de oorspronkelijke ‘korte’ versie in omloop waren. Natuurlijk is het extreem onwaarschijnlijk dat iemand als Johannes Marcus deze klap op de vuurpijl te onbelangrijk vond om er zijn evangelie mee af te sluiten; hij zou immers de gebeurtenissen rond Jezus’ laatste dagen van zeer nabij hebben meegemaakt en bovendien als leerling en metgezel van diens vertrouweling Simon Petrus het fundament van de Blijde Boodschap – Jezus’ herrijzenis uit de dood, zijn daarop volgende verschijning en de tenhemelopneming als rechterhand (lees: zoon) van God – uit de eerste hand vernomen hebben. De meest waarschijnlijke conclusie is dan ook dat deze – al dan niet fictieve – Johannes Marcus niet de schrijver van het Marcusevangelie is geweest.

De Kruisafname, middenpaneel van een drieluik door Peter Paul Rubens (1577-1640), vervaardigd voor de kathedraal van Onze Lieve Vrouwe in Antwerpen. Rubens maakte het drieluik, waar hij ruim drie jaar aan werkte (van 1612 tot 1614) in opdracht van de Antwerpse Kolveniersgilde (een gewapende burgerwacht). Het drieluik, een altaarstuk, was onderdeel van een grote renovatie die de kathedraal na de onttakeling door de Beeldenstorm en het calvinistisch bewind in haar oude luister moest herstellen; het hangt nog altijd boven het altaar waarvoor het destijds bedoeld was. Op het paneel zien we hoe Jozef van Arimatea (links achter met baard), met speciale (en zeer uitzonderlijke) toestemming van de Romeinse prefect Pontius Pilatus, samen met Nikodemus (rechts op de ladder) en Johannes, Jezus’ jongste discipel en lieveling (in de rode mantel), het bebloede lichaam van hun Messias van het kruis halen. Links in het blauwe gewaad staat Maria, de moeder van Jezus. Zijn voeten rusten op de schouders van Maria Magdalena; de namen van de andere aanwezigen op het schilderij vermeldt zelfs de Bijbel niet. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In geen enkele bewaard gebleven kopie van de vier canonieke evangelieën wordt de naam van de schrijver vermeld. De toeschrijvingen aan bepaalde auteurs zouden vooral ontleend zijn aan de (omstreden) geschriften van Papias (ca. 60-130), de bisschop van Hiërapolis (het huidige Pamukkale in Zuidwest-Turkije) die vijf boeken schreef onder de titel: Verklaring van de Woorden des Heeren (Grieks: Λογίων Κυριακῶν Ἐξήγησις, Logion Kuriakon Exegesis). Van de originele werken is niets bewaard gebleven, en we weten alleen nog van hun bestaan omdat twee latere schrijvers eruit citeren: eerst door de kerkvader Irenaeus van Lyon (140-202) die Papias nog betrouwbaar achtte, en ruim een eeuw later door de eerdergenoemde Eusebius van Caesarea, auteur van de Historia Ecclesiastica (Kerkelijke Historie) en de belangrijkste adviseur in christelijke geloofszaken (en huisvriend) van Constantijn de Grote. Eusebius noemt in zijn Kerkelijke Historie Papias’ toeschrijvingen van twee van de vier evangelieën aan respectievelijk Johannes Marcus en Mattheüs. Toch lijkt Eusebius weinig te hebben opgehad met Papias werk, dat blijkbaar het leven en de predikingen van Jezus, de apostelen en de eerste christenen beschreef; hij zou die verhalen naar eigen zeggen hebben opgetekend uit de mond van hun tijdgenoten die Hiërapolis bezochten en ze tussen 95 en 120 hebben uitgewerkt. Eusebius beschuldigt Papias echter van millennalistische ketterij, en schrijft dat: “hij [Papias] er erg weinig van begrepen heeft”, en onwaarheden opdist waarmee hij eerbiedwaardige kerkvaders als Irenaeus om de tuin heeft geleid. En het bovenstaande is nog maar het topje van een enorme ijsberg waar het de authenticiteit van oude, al dan niet gecanoniseerde christelijke teksten betreft. In het geval van het slot van het Marcusevangelie kunnen we rustig spreken van vervalsing van het originele document, en in (vooral) deel III van De Beschaver, Godes Dienst, zult u nog veel meer voorbeelden tegenkomen van bewust door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders aangebrachte mystificaties, regelrechte leugens en propaganda en andere frauduleuze handelingen. Alles voor het goede doel: het creëren van een nieuwe religie, een in de loop der tijd steeds strakker georganiseerde heilsleer die bestemd moest zijn voor een zo groot mogelijk – dus vooral niet-Joods – publiek.

Hielbeen met nagel van een in de eerste eeuw n.C. gekruisigde man, in 1968 aangetroffen in een stenen grafkist in een tombe van de oude begraafplaats van de Tweede Tempel in Givat HaMitvar (het huidige Oost-Jeruzalem). Op de grafkist is de naam van de gekruisigde man gegraveerd: Yehohanan (Johannes) ben (zoon van) Hagkol; volgens de publicatie van de opgraving was Johannes tussen de 24 en 28 jaar oud toe hij werd gekruisigd, en het lichaam van zijn 3 à 4-jarige zoontje bleek in dezelfde sarcofaag bijgezet. Deze vondst was vijftig jaar lang het enige tastbare bewijs voor deze executiemethode die in het Romeinse rijk gereserveerd was voor opstandige slaven, piraten, rebellenleiders en staatsvijanden. Pas in 2018 werd een tweede vondst gepubliceerd van een skelet dat sporen van kruisiging zou vertonen, ditmaal gevonden in Noord-Italië (Rovigo, tussen Venetië en Bologna). Bron: The Times of Israel, zie ook dit artikel op Forbes.com. Klik op de foto voor hogere resolutie.

Als Jezus niet uit de dood zou zijn opgestaan, was hij zonder enige twijfel meteen in de vergetelheid geraakt: als een van de vele apocalyptische, vaak excentrieke Joodse predikers, sekteleiders en wonderdoeners die in het begin van de eerste eeuw de buitengebieden van het door de Romeinen bezette Galilea, Samaria en Judea in een bijna voortdurende staat van politieke en religieuze onrust hielden. Als zo’n prediker, tegenwoordig zouden we ze ‘sekteleider’ noemen, het te bont maakte en teveel aanhangers kreeg, stuurde de Joodse vazalkoning (in Jezus’ dagen Herodes Antipas, een zoon van bovengenoemde Herodes de Grote) een gewapende strafexpeditie naar het opstandige gebied die met harde hand korte metten maakte – het was dezelfde Herodes Antipas die Jezus’ mentor Johannes de Doper liet onthoofden (Marcus 6:17-29). Predikers met een al dan niet vermeend Messiaans aureool – zoals Jezus – werden per definitie als een bedreiging voor de gevestigde orde beschouwd, Joods en Romeins. Zij werden, doorgaans op last van de hogepriester, gearresteerd, voor het Sanhedrin gebracht en ter dood gebracht als ze volhardden in hun blasfemische opvattingen. Maar soms werd zo’n Messias dermate populair dat het Sanhedrin het zwaarste vonnis dat ze kon opleggen, steniging tot de dood erop volgt, niet afschrikwekkend genoeg vond – in andere gevallen wilden ze er domweg hun vingers niet aan wilden branden. Dan werd de verdachte overgedragen aan de prefect, de Romeinse gezaghebber die kon veroordelen tot een nóg afschrikwekkender straf: de marteldood aan het kruis, waarbij de veroordeelde met gepreide armen aan een paal met dwarsbalk werd gespijkerd. Als de dood was ingetreden, soms pas na enkele dagen, bleef het lijk als afschrikwekkend voorbeeld aan het kruis hangen, totdat het zover ontbonden was dat het er vanzelf vanaf viel. Als het zover was, werden de stoffelijke resten in de rivier gegooid of op de vuilnisbelt gestort, om te voorkomen dat een graf kon uitgroeien tot een bedevaartsoord. Van de duizenden mensen die in de loop van de Romeinse bezetting van Palestina in Jeruzalem werden gekruisigd, is zegge en schrijven één graf teruggevonden van iemand die aan een (olijfhouten) kruis moet zijn genageld, de spijker zat er nog in, en zelfs in Italië . Na de executie van de aanvoerder (en vaak ook zijn vertrouwelingen) was het probleem over het algemeen opgelost. De van zijn leiderschap beroofde tegenbeweging sloeg op de vlucht, viel uit elkaar of hield zich verder gedeisd. Het is dan ook buitengewoon uitzonderlijk (lees: tamelijk ongeloofwaardig) dat Jezus’ ontzielde lichaam door zijn vrienden van het kruis zou zijn gehaald en in een graf gelegd, zoals de evangelieën ons willen doen geloven.

Dat hogepriester Kajafas en de Joodse politiek-religieuze elites van Herodianen, Farizeeën en Sadduceeën (en daarmee het Sanhedrin) de Jezusbeweging als bedreiging ervoeren moge duidelijk zijn. Volgens de Bijbelse evangelieën (en vele andere christelijke geschriften) was Jezus fel gekant tegen de hooghartige betweterigheid, de vriendjespolitiek en de corruptie van deze zogenaamde ‘schriftgeleerden’, en stak hij zijn minachting voor hun handel en wandel niet onder stoelen of banken. Die animositeit bereikt haar hoogtepunt als Jezus omstreeks het jaar 30 aan de vooravond van Pesach naar Jeruzalem reist, als honderdduizenden pelgrims uit alle windstreken naar die stad komen om in de Tempel hun offers te brengen. Hij wordt binnengehaald door een enthousiaste menigte die hem verwelkomt als de Messias die eindelijk zijn kroon komt opeisen. Tijdens Pesach is het in Jeruzalem – ook tegenwoordig nog – een drukte van belang. De sfeer is altijd gespannen en de autoriteiten halen alles uit de kast om de orde te bewaken – in Jezus’ dagen evenzeer als vandaag de dag: destijds stonden Joodse milities, tempelwachters en Romeinse militairen op scherp, tegenwoordig zijn dat de Israëlische oproerpolitie en anti-terrorisme eenheden.

Ets van Rembrandt van Rijn uit 1635: Christus verjaagt de geldwisselaars uit de (Tweede)Tempel. Rechts op de achtergrond zien we de hogepriester (met kromstaf) en andere hoogwaardigheidsbekleders afkeurend toekijken hoe een woedende Jezus een eind maakt aan hun buitengewoon lucratieve bijverdienste: het voor veel geld verkopen van offerdieren en andere, meer wereldse zaken in de dagen rond Pesach, als talloze Joodse pelgrims zich in Jeruzalem verzamelen om in de Tempel hun offers te brengen. Als we de Bijbel mogen geloven is hiermee de breuk tussen Jezus en de Judaïsche instituties definitief. Vier dagen later wordt Jezus op last van de hogepriester gearresteerd en ondervraagd, en de volgende ochtend door de Joodse Hoge Raad, het Sanhedrin, ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt door de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus bekrachtigd en dezelfde dag nog wordt Jezus als vijand van de staat gekruisigd. Bron: Rijksmuseum Amsterdam. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

Zodra Jezus in Jeruzalem aankomt begint hij, althans volgens de Bijbel, meteen met het verstoren van de openbare orde. Hij begeeft zich naar de Tweede Tempel, die enkele decennia daarvoor op instigatie van vazalkoning Herodes de Grote niet alleen in oude luister is hersteld, maar eveneens uitgebreid met een koninklijk paleis en een kolossale voorhof met zuilengalerijen en ommuringen in Romeinse stijl. Het paleis en de voorhof zijn ook voor niet-Joden (gojim) toegankelijk, maar de eveneens ommuurde tempelhof met het offeraltaar en de tempel zelf mogen door gojim – op straffe des doods door onthoofding of steniging – niet worden betreden. Als de op-en-top Joodse Jezus van Nazareth in de voorhof aankomt, is deze in het kader van de aanstaande Pesachvieringen veranderd in een drukbezochte markt bomvol kramen, er worden offerdieren en etenswaren te koop aangeboden en er staan overal tafels van geldwisselaars; de hogepriester en zijn tempeldienaren verdienen grof geld aan deze markt: kraamhuur, smeergeld enzovoort. Jezus beschouwt het tafereel als heiligschennis, een corrupte gotspe. Hij ontsteekt in woede, grist een bundel touw uit een marktkraam en gebruikt deze als zweep waarmee hij de handelaars (en hun offerdieren) de stuipen op het lijf jaagt. Hij gooit de tafels van de geldwisselaars ondersteboven en rust niet voordat alle handelaars van de voorhof zijn weggevlucht. Daarmee is de breuk tussen Jezus en de Joodse religieuze elite compleet. Hogepriester Kajafas vaardigt een arrestatiebevel uit en ziet kans een van Jezus discipelen om te kopen: Judas Iskariot is bereid om Jezus in ruil voor dertig denarii (een denarius was het dagloon voor een gemiddelde arbeider) te verraden door hem op de wang te kussen als het arrestatieteam arriveert. Jezus wordt daarna voorgeleid voor het Sanhedrin, volgens het Marcusevangelie: “…den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden” (Marcus 14:53). Er worden tal van getuigen gehoord – die elkaar tegenspreken – en Jezus zelf doet er het zwijgen toe. Tenslotte vraagt de hogepriester hem rechtstreeks: “Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?” Waarop Jezus antwoordt: “Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter hand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.” (Marcus 14:61-62). Daarmee lijkt de zaak rond: “En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node? Gij hebt de gods lastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn. En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.” (Marcus 14:63-65). De volgende ochtend wordt hij naar de Romeinse prefect Pontius Pilatus gebracht, die hem vraagt: “Zijt Gij de Koning der Joden?”, waarop Jezus antwoordt: “Gij zegt het”. De Joodse priesters beschuldigen hem vervolgens van ‘vele zaken’, maar Jezus zwijgt opnieuw. Pilatus ‘verwondert zich’ daarover, en hij besluit de priesters voor de keus te stellen. Ter gelegenheid van Pesach mag hij een ter dood veroordeelde gevangene gratie verlenen, en hij laat de ‘verzamelde schare’ kiezen tussen Jezus en ‘Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had’; volgens het Marcusevangelie ‘wist hij dat de overpriesters Hem [Jezus] door nijd overgeleverd hadden’. Op Pilatus’ vraag of ‘zij willen dat ik u den Koning der Joden loslate, bewegen de overpriesters de schare dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten’. Pilatus probeert nog: “Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?” Het antwoord is luid en duidelijk: “Kruis Hem”. Pilatus weer: “Wat heeft Hij dan kwaads gedaan?” Opnieuw het antwoord: “Kruis Hem!” Dan geeft Pilatus toe: “willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.” (Marcus 15:1-15)

Volgens het Marcusevangelie doet Jezus er verder het zwijgen toe. Hij wordt overgeleverd aan ‘de krijgsknechten’, die hem een purperen mantel omgehangen – purper was destijds alleen voorbehouden aan de keizer – en een kroon van doornen op het hoofd drukken. Hij wordt met een rietstok op het hoofd geslagen, bespuugd, bespot en aanbeden als Koning der Joden. Daarna wordt hem de purperen mantel afgenomen, en deden ze hem ‘Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen’. Op het kruis wordt een bordje met vier letters gespijkerd: INRI; Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum, Jezus van Nazareth, Koning der Joden. Eenmaal gekruisigd wordt Jezus door de omstanders bespot en zelfs uitgedaagd: “Ha! Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, behoud Uzelven, en kom af van het kruis. En insgelijks ook de overpriesters, met de Schriftgeleerden, zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost; Zichzelven kan Hij niet verlossen. De Christus, de Koning Israëls, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruist waren, smaadden Hem.” (Marcus 15:29-32). Als hij zes uur aan het kruis heeft gehangen ‘werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe’. Pas dan, negen uur na de kruisiging, laat de schrijver van het Marcusevangelie Jezus nog één keer spreken: “En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?” – dit klinkt als een wanhoopskreet (Markus 15:34). Omstanders denken echter dat hij daarmee de profeet Elia aanroept: “En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Ziet, Hij roept Elias. En er liep een, en vulde een spons met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elias komt, om Hem af te nemen.” Maar het mag allemaal niet meer baten: “En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest.” (Markus 15:35-36). Op dat moment scheurt het binnenste Voorhangsel in de Tempel ‘van boven tot beneden’. Dit Voorhangsel bestaat uit een groot, aan vergulde pilaren opgehangen gordijn ‘van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk, met cherubim‘ (Exodus 36:35); het diende als afscheiding van het Heilige der Heiligen, de kamer waarin JHWH tussen zijn uitverkoren volk kon verkeren. Deze kubusvormige ruimte van 20 bij 20 bij 20 cubits mocht slechts eenmaal per jaar door een sterveling worden betreden: op Grote Verzoendag (Yom Kippoer, יום כיפור), als de hogepriester er het bloed van een offerlam rondsprenkelde en JHWH om vergeving van de zonden van het Joodse volk bad. De symboliek is duidelijk. Met de kruisdood heeft Jezus het ultieme offer gebracht: hij gaf zijn leven, verloste daarmee de mensheid van haar zonden en verzoende haar met JHWH, zijn (en onze) goddelijke Vader; het Heilige der Heiligen (lees: de hemel) is nu voor iedere sterveling bereikbaar geworden. Om dat te benadrukken gebeurt er volgens het Marcusevangelie meteen na het scheuren van het Voorhangsel nóg iets zeer opmerkelijks. Bij het kruis wordt de gestorven Jezus ondubbelzinnig erkend door een goj, een niet-Joodse heiden. De Romeinse centurion, commandant van het detachement dat de kruisiging heeft uitgevoerd, roept uit: “Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!” (Marcus 15:39), en maakt daarmee de weg vrij voor onbesneden niet-Joden om deze Kristos te volgen.

Twee pagina’s uit het Boek van Kells, rond het jaar 800 door Keltische monniken vervaardigd in de Ierse Abdij van Kells in Meath County, zetel van de legendarisch Hoge Koningen van Ierland, die vooral religieus-spirituele macht hadden; het ambt bestond al in het neolithicum en bleef bestaan tot aan de Engelse invasie in het begin van de 13e eeuw n.C. Het Boek van Kells is een uitzonderlijk rijk geïllustreerd manuscript met de in het Latijn vertaalde tekst van de vier evangelieën, in de illustraties worden christelijke symbolen ingebed in de veel oudere (heidense) Keltische tradities. Boven ziet u folio 27v, waarop de vier evangelisten symbolisch zijn afgebeeld, vanaf linksboven met de zon (en de klok) mee: Mattheüs als engel, Marcus als leeuw, Johannes als adelaar en Lucas als stier; ze zijn alle vier gevleugeld en dragen zonnehalo’s met kruisen, in het kader zijn tot Keltische knopen vervlochten slangen te zien. Onder ziet u folio 34r, een uit Keltische symbolen opgebouwde weergave van het Chi-Rho teken van Christus. Bronnen: The Book of Kells, Wikimedia Commons. Klik op de afbeeldingen voor hogere resoluties.

Over Jezus’ laatste woorden aan het kruis spreken de evangelieën elkaar tegen. Mattheüs volgt Markus, ook bij hem voelt Jezus zich door God verlaten, maar volgens Lucas luiden zijn laatste woorden voor hij sterft: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.” – daar spreekt geen wanhoop uit, maar vertrouwen (Lukas 23:46). En volgens Johannes, die zijn evangelie pas in de laatste jaren van de eerste eeuw n.C. optekende, sprak hij: “Het is volbracht”; hier lijkt Jezus opgelucht. Ook over de woorden van de centurion zijn de evangelisten het niet eens. Mattheüs volgt hier eveneens Marcus: de goj herkent Jezus als de zoon van God, maar volgens Lucas zei hij alleen: “Waarlijk, deze mens was rechtvaardig” (Lucas 23:47), en door Johannes wordt de centurion zelfs helemaal niet genoemd. Heel wat Bijbelgeleerden (en historici) hebben zich het hoofd gebroken over deze – en vele andere – tegenstrijdigheden, die bij zorgvuldige lezing van de evangelieën, canoniek of apocrief, onvermijdelijk aan het licht komen. In deel III, Godes Dienst, wordt daar veel dieper op ingegaan; hier wil ik mij beperken tot het vermelden van de meest waarschijnlijke oorzaken voor de inconsistenties die voorkomen in de teksten die door (veel) orthodoxe christenen tot op de dag van vandaag en van kaft tot kaft als Gods eigen woorden opgevat worden. Als dat zou kloppen, moet de conclusie zijn dat we te maken hebben met een almachtig warhoofd die zichzelf stelselmatig en op hoofdpunten voortdurend tegenspreekt – aan zo’n God heb je niets. Oftewel: de Bijbel, zowel het Joodse Oude Testament als het christelijke Nieuwe, kan onmogelijk Gods woord zijn. Het boek vertelt ons weliswaar de verhalen waarin JHWH – door christenen gemakshalve God genoemd – een hoofdrol speelt, maar het is zeker niet door Hem gedicteerd en net als elk ander geschrift gewoon mensenwerk. Nadat het Joodse volk, of beter, de twaalf stammen van Israël die zich de Familie van JHWH noemden (Hebreeuws: משפחתו של היהוה), rond 1200 v.C. met de hulp van hun God vanuit Egyptische slavernij naar het Beloofde Land Kanaän was geleid, droegen zij hun (religieuze) geschiedenis, het bijbehorende stelsel van normen en waarden, en alle andere relevante verhalen mondeling op volgende generaties over. Deze canon van het geheiligde verleden werd op hoogtijdagen gespeeld en voorgedragen door de barden, zorgvuldig opgeleide, geautoriseerde verhalenvertellers die hun functie pas zelfstandig mochten uitoefenen als ze alle verhalen woord voor woord uit het hoofd kenden; pas daarna kregen ze het recht er een eigen (lees: gemoderniseerde) draai aan te geven, en hadden ze de de plicht om hun kennis aan één of meer opvolgers over te dragen. Deze barden waren onderdeel van het stelsel van priesters en religieuze geleerden (zoals Jezus’ schriftgeleerden), die met elkaar – en doorgaans in samenspraak met het wereldlijk gezag van koning of keizer – inhoud gaven aan een levende ‘geloofsleer’, die zodoende in de loop der generaties voortdurend aan veranderende behoeften, inzichten en opvattingen werd aangepast.

Mozes toont de wetstafelen; ongesigneerd schilderij uit de noordelijke Nederlanden, gedateerd tussen 1600 en 1624. De tekst op de Stenen Tafelen is ontleend aan de protestantse Deux-Aesbijbel uit 1562, waarvan het Oude Testament is vertaald uit de Duitse Bijbelvertaling van Maarten Luther. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie. Een transcriptie van de tekst op de tafelen vindt u hier.

Kern van de Joodse geloofsleer was (en is) het verbond dat JHWH tijdens de uittocht uit Egypte met het volk van Israël liet vastleggen. Onderweg in de woestijn beveelt JHWH hun leider Mozes (Hebreeuws: Mosje, מֹשֶׁה; Arabisch: Moesa, موسى) Hem op de top de berg Sinaï te ontmoeten. Daar wordt Mozes veertig dagen lang door JHWH geïnstrueerd over de voorwaarden waaraan de Israëlieten moeten voldoen om de titel ‘Uitverkoren Volk’ te mogen dragen. Deze voorwaarden, de Tien Geboden, en JHWH’s nadere instructies en uitwerkingen die met elkaar de Mozaïsche Wet worden genoemd, vormen de de kern van het Joodse (en later ook christelijke, en nog weer later het islamitische) stelsel van normen en waarden waaraan iedere gelovige zich te houden heeft. oooo belangrijkste hoofdstukken van de Tenach, de boeken Exodus en Deuteronomium. De wetten worden tijdens de sessie op de Sinaï door JHWH persoonlijk samengevat en in twee grote platte stenen gegraveerd: de Stenen Tafelen met de Tien Geboden. De eerste drie daarvan luiden: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten” (statenvertaling van Exodus 20: 3-5). In klare taal betekent dit dat JHWH de Israëlieten verbiedt om andere goden dan Hemzelf te aanbidden, beelden van Hem of van Zijn schepselen te maken, en dat bij overtreding van die geboden ook de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen zullen worden gestraft – JHWH noemt zichzelf ‘ijverig’, wat in de 17e eeuw ‘jaloers’ betekende. oooo De auteurs van deze twee evangelieën, volgens (alweer) kerkvader Irenaeus de apostel Mattheüs Levi en de Griekse (lees: niet-Joodse) arts Lucas, moeten hun teksten ergens tussen 80 en 90 n.C. hebben opgeschreven – minstens 10 jaar na Marcus en onafhankelijk van elkaar. Volgens veel Bijbelgeleerden gebruikten zij dezelfde bron als Marcus, evenals het Marcusevangelie zelf; toch zijn er naast talloze overeenkomsten ook veel verschillen tussen deze drie teksten. als bron zouden hebben gebruikt – oooo Het was overigens niet Jezus, maar Paulus zelf die deze opmerkelijke leerstelling op eigen houtje aan het vroege christendom had toegevoegd. Deze zelfverklaarde apostel is rond het begin van de christelijke jaartelling geboren als Saul in de stad Tarsus, in de huidige Zuid-Turkse provincie Mersin, destijds de hoofdstad van de Romeinse provincie Cilicia. Deze grote havenstad is dermate belangrijk voor de economie van het rijk dat haar inwoners al bij hun geboorte het Romeinse burgerschap (civitas Romana) wordt verleend, met alle bijbehorende bevoegdheden (zoals het uitoefenen van erefuncties), rechten (zoals stemrecht en het recht op bezittingen) en vrijheden (zoals het sluiten van een rechtsgeldig huwelijk); Civitas Romana als geboorterecht gold destijds verder alleen voor inwoners van het Italische hartland. Saul werd geboren in een welgestelde Joodse familie, als volwassen man vestigde hij zich in Jeruzalem waar hij werd opgeleid tot rabbi. Saul heeft Jezus nooit ontmoet, en na diens kruisdood maakt hij zich verdienstelijk door te helpen bij het stenigen van achtergebleven aanhangers van deze in Joodse ogen blasfemische messias. Maar na drie jaar komt hij tijdens een van zijn reizen tot inkeer. Hij beweert een visioen te hebben gehad waarin God zelf hem opdroeg voortaan de leer van Zijn Zoon onder de heidenen te verkondigen, waarna Saul alles uit zijn handen liet vallen, zich voortaan Paulus noemde en hals over kop naar Turlije reisde en daar apostel voor christus werd. Hij schrijft daarover: “Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; en dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen. Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed; en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren.” (Galaten 1:13-17, statenvertaling) Even verderop benadrukt hij zijn goede bedoelingen nog eens: “Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilicië. En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judea, die in Christus zijn. Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte. En zij verheerlijkten God in mij.” (Galaten 1:20-24, statenvertaling). Nog altijd wordt Paulus beschouwd als veruit de belangrijkste apostel en voorvechter van christus, grondlegger van de geloofsleer, maar helaas is dat geschiedsvervalsing. Paulus ventte vooral zijn eigen, vaak rabiaat anti-Joodse opvattingen uit – tegenwoordig zouden we hem een verstokte antisemiet noemen – die vaak lijnrecht tegenover de leringen van Jezus zelf stonden. We mogen niet vergeten dat Jezus in de eerste plaats een Joodse leraar was, die weliswaar een radicale hervorming van het Judaïsme predikte, maar desondanks trouw bleef aan de kern van de leer: de Joodse wet zoals die destijds door JHWH aan Mozes was gegeven. Nergens in de Bijbel de enige en almachtige God en levend naar Zijn geboden. xxxx zoals Jezus immers zelf had bevolen: “Geef dan aan caesar terug wat van caesar is en aan God wat van God is” (zie Mattheüs 22:15-22; een uitleg vindt u hier). En, even verderop: xxxx; indachtig het bevel van Jezus zelf, dat zowel in het evangelie van Marcus als in dat van Mattheüs is vastgelegd. Joodse schriftgeleerden proberen hem te verleiden tot een controversiële uitspraak, door hem te vragen of het geoorloofd is om de Romeinse schatting te betalen met muntgeld, destijds getooid met het portret van de keizer (Augustus of Tiberius) en het opschrift ‘DIVI F(ilius)’, wat ‘zoon van een god’ betekent en dus in strijd is met de eerste twee van de tien geboden uit het Oude Testament: zo heeft Jezus dat immers bevolen nadat hij, vlak voor zijn kruisdood, de Joodse In een dispuut met de Farizeeën Een laatste detail maakt duidelijk dat het christendom onder Constantijn lang niet door alle bestuursorganen is geaccepteerd. Meteen na diens dood in 337 verleent de Senaat in Rome Constantijn officieel de status van godheid, net zoals ze dat deden bij al zijn voorgangers vanaf de oorspronkelijke keizer Augustus, die tijdens de geboorte van Jezus heerste.

Na Constantijns dood in 337 verdelen de broers het rijk onder elkaar, nadat ze alle andere familieleden die aanspraak konden maken op het keizerschap hebben laten ombrengen, en kort daarna zullen ze elkaar de tent uitvechten. De oudste broer wordt als Constantijn II augustus van het westen. De jongste krijgt na veel gehannes als Constans I de heerschappij over Italië, Romeins Afrika en de Balkan, aanvankelijk vanwege zijn jonge leeftijd onder voogdijschap van Constantijn II. De middelste wordt als Constantius II augustus van het oosten. Als goede zonen van hun vader zijn vooral Constantijn II en Constans niet tevreden met hun erfdeel, ze betwisten elkaar de heerschappij over (vooral) Italië en Afrika. Constantijn II valt met zijn leger Italië binnen, waar hij door zijn kleine broertje in een hinderlaag wordt gelukt en sneuvelt – Constans is daarmee de (nog maar net meerderjarige) augustus van het westen. Na verloop van tijd ontpopt hij zich tot een wrede en corrupte tiran, die aanstoot geeft door zijn homoseksualiteit (openlijk geconsumeerd met aantrekkelijke barbaarse gevangenen) en morbide martelpraktijken waar Nero nog wat van had kunnen leren, ook probeert hij de vervolging van christenen te hervatten. Begin 350 hebben veel soldaten er genoeg van. Constans’ macht wordt uitgedaagd door de (heidense) usurpator Magnentius, commandant van de speciale keizerlijke gardes (lijfwachten) die vechten onder de bescherming van Jupiter en Hercules en van Brits-Frankische (lees: barbaarse) afkomst. Tijdens een banket in Gallië wordt Magnentius door zijn officieren tot augustus uitgeroepen, waarmee Constans de bescherming van zijn formidabele lijfwacht verliest en moet vluchten voor zijn leven. Hij wordt achtervolgd door een moordcommando van Magnentius, opgespoord en een kopje kleiner gemaakt. Intussen heeft Constantius II als augustus van het oosten zijn handen meer dan vol. In Mesopotamië zijn de Romeinen weer eens in oorlog met hun erfvijand sinds mensenheugenis, het Perzische rijk, waar de laatste Parthische koning in 224 door een opstand was verpletterd en vervangen door een nieuwe, minstens even oorlogszuchtige dynastie, de Sassaniden. Als Constantius hoort van Magnentius’ staatsgreep in het westen, gevolgd door de moord op zijn broertje, besteedt hij het in toom houden van de barbaren uit het oosten verder uit aan zijn ceasar Constantius Gallus, de tweede zoon van Julius Constantius, een jongere halfbroer van Constantius’ vader Constantijn. Gallus en zijn jongere broer, de latere keizer Julianus II de Afvallige, zijn de enige familieleden die niet door de drie zonen van Fausta werden vermoord, toen zij na de dood van hun vader besloten het rijk voor zichzelf te houden – Gallus’ vader en oudste broer waren toen wel omgebracht. Om zich desondanks van de loyaliteit van zijn caesar te verzekeren, huwt Constantius zijn volle zuster (en Gallus’ halve nicht) Constantina aan hem uit. De augustus zelf steekt met een leger van 80.000 soldaten de Bosporus over om usurpator en moordenaar Magnentius uit te schakelen, wat tenslotte leidt tot een bloedige veldslag bij de stad Mursa Major (Osijek in het huidige Kroatië). In de veldslag laten 24.000 meest Gallische en Germaanse soldaten van Magnentius het leven, net als 30.000 legionairs van Constantius. Het gedecimeerde en gedemoraliseerde leger van Magnentius trekt zich westwaarts terug naar het westen; de usurpator verliest zijn steun en als hij twee jaar later opnieuw door Constantius tot een veldslag wordt gedwongen, nu bij Mons Seleucus (La Bâtie-Montsaléon in de Zuid-Franse Hoge Alpen), wordt hij definitief verslagen en stort hij zich in zijn zwaard. Daarmee heeft Constantius II het, net als zijn vader Constantijn, het tot onbetwist augustus van het hele rijk geschopt. Met één verschil: Constantius II is zijn hele leven een overtuigd aanhanger van het christendom gebleven, en als iemand de titel ‘eerste christelijke augustus’ verdient dan is hij het. xxxx

Als gevolg van deze hernieuwde godsdienstvrijheid kunnen de christelijke gemeenschappen nu eindelijk in alle openheid bovengronds komen en zich verder organiseren – in feite voor het eerst in hun ruim 250-jarige bestaan. Vrijwel meteen na de kruisdood en vermeende opstanding van Jezus (Hebreeuws: ישוע, Jesjoea of Jesjoe; Arabisch: عيسى, Isa; Grieks: Ἰησοῦς, Iēsous) van Nazareth begon een aantal van zijn volgelingen de leer ook buiten het Joodse hartland te verspreiden, zoals hun leermeester ze dat vlak voor zijn hemelvaart had bevolen: “Gaat dan heen en onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb” (Mattheüs 28:19, statenvertaling), of, in andere woorden: “En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen. Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.” (Marcus 16:15-16, statenvertaling). De volgelingen van Jezus’ leer die deze roep in eerste instantie volgden – in de christelijke Bijbel worden zij apostelen genoemd – predikten dat Jezus de Messias (Gezalfde, afgeleid van het Hebreeuwse woord Masjiach, משיח; Grieks: Christos, Χριστός; Latijn: Christus) was, de Zoon van God die had geleden, was gestorven en drie dagen later uit de dood verrezen om de zonden van de mensen op zich te nemen; zijn komst was in lang vervlogen tijden al door profeten uit de Joodse heilige geschriften (de Tenach, תנ”ך) voorspeld3. Indachtig de oproep tot wereldwijde verspreiding van Jezus’ boodschap belandt Simon Petrus, een van de oorspronkelijke twaalf discipelen, in Rome. Jacobus, een jongere broer (of neef) van Jezus preekt in Jeruzalem, en de drie jaar na Jezus’ hemelvaart bekeerde apostel Paulus – die de vermeende messias zelf nooit ontmoet heeft en voorafgaand aan zijn eigen bekering zelfs een fervent christenvervolger was – trekt eerst naar Cyprus en vervolgens naar het huidige Turkije, waar hij (in tegenstelling tot Petrus, Jacobus en de meeste ander apostelen) niet alleen Joden, maar ook onbesneden heidenen bekeert (zie verderop). Al deze predikers dopen nieuwe christenen, stichten gemeenschappen, onderwijzen, schrijven verhandelingen over het geloof – en maken onderling – vaak slaande – ruzie over inhoud en ware aard van de boodschappen die zij verkondigen. Dat laatste hoeft niet te verbazen. Jezus zelf was op en top Joods, net als zijn volgelingen en de eerste apostelen, en in het Judaïsme – dat veel meer is dan alleen een religie – zijn felle discussies omtrent de waarachtigheid van leerstellingen, de uitleg van heilige teksten, de Wet van Mozes en de bijbehorende mores al millennia lang eerder regel dan uitzondering – tot op de dag van vandaag.

Een van de grote geschilpunten tussen Jezus’ oorspronkelijke discipelen als Simon Petrus en Jacobus enerzijds en de latere bekeerling Paulus anderzijds betreft de toelating tot de christelijke doop. Petrus meent dat alleen besnedenen (lees: Joden) daar toegang toe kunnen hebben: wie tot christen gedoopt wil worden moet eerst in het Judaïsme zijn geïnitieerd en zich houden aan de Joodse wet – net als Jezus zelf. Paulus vindt dat maar onzin; in Klein-Azië doopt hij zowel onbesneden heidenen als besneden Joden en dat legt hem geen windeieren: zijn gemeenten groeien als kool. Jacobus bemiddelt vanuit Jeruzalem, waarna Petrus en Paulus ermee akkoord gaan dat ze het oneens zijn – waarmee de eerste scheuring binnen de christelijke gemeenschappen een feit is: Paulus doopt voornamelijk heidenen die de wet van Mozes niet volgen, omgedoopte Joden sluiten zich aan bij Jacobus in Jeruzalem of bij Simon Petrus in Rome.

De Grote Brand van Rome in 64 n.C., schilderij van Hubert Robert uit 1785. De toenmalige keizer Nero beschuldigt christenen ervan de brand te hebben aangestoken, en verordonneert een beleid van uitermate wrede vervolging van aanhangers van de Jezusbeweging, in Rome en daarbuiten. Veel van de oorspronkelijke apostelen van de nieuwe leer laten het leven, waaronder Simon Petrus, diens broer Andreas en Paulus. Bron: Wikimedia Commons. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In het jaar 60 bezoekt Paulus opnieuw Jeruzalem, waar hij wordt gearresteerd omdat hij een tot het christendom bekeerde, maar onbesneden heiden zou hebben meegenomen in de Joodse Tempel. De Romeinen nemen hem gevangen en transporteren hem naar Rome, waar hij twee jaar in huisarrest verblijft. Na de grote brand van Rome in 64, die door de toenmalige keizer Nero in de schoenen van de christenen wordt geschoven, breken felle vervolgingen uit. Christenen, van oorsprong Joods of niet, worden doodgemarteld, in de arena voor de leeuwen gegooid, gekruisigd of ’s nachts in brand gestoken om te dienen als straatverlichting; Nero staat in zijn strijdwagen overal bij en geniet met volle teugen. Paulus wordt onthoofd en Simon Petrus ondersteboven aan het kruis gespijkerd, in Jeruzalem is Jacobus inmiddels op instigatie van de Joodse hogepriester Ananus ben Ananus in het openbaar gestenigd. (Zie ook hieronder, en deel III; Godes Dienst, De Schriftgeleerde, voor de uiterst moeizame relatie tussen de eerste christenen en de Joodse priesters en notabelen van het sanhedrin, de rechtbank die tijdens de Romeinse bezetting tot aan de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel een groot deel van haar rechtsmacht kon behouden.) Na Nero’s dood in 68 worden de vervolgingen van christenen weliswaar minder extreem en grootschalig, maar in de eeuwen die volgen flakkeren ze, al naar gelang de luim van keizers en gouverneurs, toch regelmatig weer fel op. Desondanks werken ze averechts. Heel wat christenen zien de marteldood in naam van het geloof als dé manier om zich bij hun hemelse Vader en Zijn zoon te kunnen vervoegen, en daar ook nog eens een streepje voor te krijgen door hun gebleken aardse standvastigheid; martelaar worden is daarmee de snelste weg naar absolute heerlijkheid. Gelukkig is martelaarschap in de eerste eeuwen na christus niet de enige manier om je te verzekeren van een plaatsje in de hoogste regionen van het hiernamaals. Je kunt bijvoorbeeld ook afzien van alle aardse bezittingen en van materiële geneugten als lekker eten, sociaal contact, liggend slapen of seksueel verkeer, en daarmee een status van heilige verwerven. Zulke asceten en heremieten worden voorbeelden van hoe oprechte christenen hun zielenheil zeker stellen, en ze hebben een formidabele aantrekkingskracht op (vooral maar niet alleen) de ‘onderklassen’ van het Romeinse rijk: boeren, vissers, ambachtslieden, slaven en verschoppelingen. Overal, in oost, zuid en west, ontstaan christelijke gemeenschappen die tegen de verdrukking in groeien als kool, vaak onder leiding van charismatische predikers en activisten voor het geloof. Tussen de gemeenschappen onderling is echter veel onmin, vooral over de ware aard van Jezus de Christus en van de Heilige Geest die door God de Vader (JHWH) over de oorspronkelijke apostelen zou zijn uitgestort. Is Jezus vooral oneindig en goddelijk, of is hij door JHWH geschapen en dus eindig en (althans deels) menselijk en sterfelijk? En hoe zit het met de Heilige Geest, is dat nu een goddelijk deel van JHWH, of toch gewoon een schepsel? De ware aard van de heilige drievuldigheid van Vader, Zoon en Geest staat ter discussie en leidt tot felle debatten. Predikers, leiders van lokale gemeenschappen maar ook bisschoppen en andere prelaten worden door collega’s beschuldigd van ketterij en uit hun functie gezet of zelfs verbannen; sommigen worden later weer in ere hersteld, anderen sterven als verguisde afvalligen. In de eeuwen tussen Nero en Constantijns overwinning bij de Milvische Brug is er geen sprake van een eenvormige christelijke leer (orthodoxie), al is er wel degelijk sprake van een belangrijke overeenkomst tussen de verschillende stromingen en sekten: de zorg voor behoeftigen en armen waar de Romeinse staat en de heidense religieuze instellingen geen oog voor hebben; die door Jezus en zijn apostelen sterk aanbevolen zorgplicht – ook het verrichten van Goede Werken biedt uitzicht op een voorkeursbehandeling in het hiernamaals – verklaart waarschijnlijk waarom het christendom zo’n sterke aantrekkingskracht heeft op juist de onderklasse.

Als keizer Constantijn in 313 het christendom met het Edict van Milaan legitimeert en Jezus naar hetzelfde plan verheft als de andere goddelijke entiteiten die binnen het rijk vereerd worden (waaronder de keizer), spitsen de tegenstellingen binnen de kerk zich grofweg toe op twee lijnrecht tegenover elkaar staande opvattingen over de goddelijke aard van de Vader, de Zoon (Christus) en de Heilige Geest. De ene stroming, in het laatste kwart van de derde eeuw vooral geïnspireerd door Arius (ca. 250-ca. 336), de Noord-Afrikaanse (Berberse) Bijbelgeleerde en priester (presbyter, naar het Griekse ‘presbuteros’, πρεσβύτερος; ‘ouderling’) van Alexandrië (naar hem wordt deze leer het Arianisme genoemd), stelt dat zowel Jezus Christus (de Zoon) als de Heilige Geest door God (de Vader) geschapen zijn, en dus niet als oneindig (eeuwig), werkelijk goddelijk en zeker niet aan God gelijk kunnen worden beschouwd; er is een God, de aloude JHWH, en Jezus is weliswaar heilig en superieur, maar verder ook een niet-goddelijk schepsel en ondersgeschikt aan Gods wil. Die opvatting gaat in tegen de katholieke (afgeleid van het Griekse ‘katholikos’, καθολικός; ‘algemene’ of ‘universele’) leer van de Heilige Drievuldigheid, die stelt dat Vader, Zoon en Geest verschillende manifestaties van dezelfde Goddelijke substantie zijn – niet afzonderlijk geschapen, eeuwig, goddelijk en gelijkwaardig. Na de machtsgreep van Constantijn, die hem in 320 tot de enige augustus van het rijk maakt waardoor oost en west weer zijn verenigd onder één keizer, is het tijd om de eenheid binnen de kerk te herstellen. In 325 roept hij alle christelijke prelaten bij elkaar in Nicea, het huidige İznik in Turkije. Er komen 318 bisschoppen en presbyters uit alle windstreken opdagen, die onder leiding van Constantijn zelf meer dan een maand lang delibereren over de orthoxie van de christelijke leerstellingen. Tijdens dit eerste oecomenische concilie (afgeleid van het Griekse ‘oikumene’, Οικουμένη; ‘wereldwijd’ of ‘algemeen’, en het Latijnse ‘concilium’; ‘samenkomst’ of ‘vergadering’) worden de eveneens aanwezige Arius en zijn bondgenoten door de bisschoppen aan een kruisverhoor onderworpen, en uiteindelijk wordt een ‘Verklaring omtrent het Geloof’ uitgebracht, waarin staat: “Wij geloven in God de almachtige Vader, maker van al het zichtbare en onzichtbare. En in één Heer Jezus Christus, de enige die verwekt is uit de Vader, dat wil zeggen verwekt uit de substantie van de Vader, God uit God, licht uit licht,, ware God uit ware God, verwekt, niet geschapen, uit dezelfde substantie als de Vader, door wie alle dingen gemaakt zijn, in de hemel en op aarde; die voor ons mensen en onze verlossing op aarde kwam, ons vlees aannam en mens werd, die moest lijden en op de derde dag opstond uit de dood, ten hemel voer, en terug zal komen om te oordelen over de levenden en de doden. En in de Heilige Geest.” Na deze geloofsbelijdenis volgt een reeks van banvloeken, waarvan de eerste luidt: “De Katholieke en Apostolische kerk verdoemt degenen die zeggen dat ‘er een tijd was waarin Hij [de Zoon] niet bestond’, en ‘voor de verwekking bestond Hij niet’, en dat ‘hij ontstond uit uit het niet-bestaande’ of die beweren dat de Zoon van God van een andere substantie is”. Dit credo was kennelijk expliciet ontworpen om de leer van Arius te verwerpen. Slechts twee van de aanwezige bisschoppen weigeren de verklaring te ondertekenen; zij worden uit hun ambt gezet. Eerdergenoemde Eusebius, bisschop van Ceasarea (tussen het huidige Tel Aviv en Haïfa in Israël) en jarenlang kerkelijk raadsman van Constantijn, tekent schoorvoetend en schrijft ter rechtvaardiging een voorbehoud aan zijn gemeente, waarin hij stelt dat de anti-Ariaanse elementen in de verklaring alleen betekenen ‘dat de Zoon superieur is aan alle andere schepselen’; in de nasleep van het concilie wordt hij op grond daarvan door Constantijn verbannen, evenals Arius en enkele andere prelaten die niet strak genoeg in de leer zijn gebleken. De ‘consensus’ van Nicea haalt tijdelijk de druk van de ketel, maar al na een paar jaar laait het conflict weer op. Constantijn laat zich niet al te veel gelegen liggen aan de veroordeling van het Arianisme als ketterij – wellicht ook omdat veel tot het christendom bekeerde gemeenschappen in de Europese en Noord-Afrikaanse delen van het rijk, de van oorsprong Germaanse Gothen, Visigothen, Vandalen, Lombarden en Longobarden, Bourgondiërs en Sueven, zich bekeren tot Ariaanse vormen van het christendom. Na het concilie toont de keizer zich althans nogal ambivalent. Aan de ene kant bewerkstelligt hij dat Arius zich na een paar jaar alweer met de kerk verzoent en terugkeert naar Alexandrië. Ook de na het concilie wegens ketterij verbannen bisschop Eusebius van Nicomedia, een Ariaan van het eerste uur, wordt weer in genade opgenomen en keert terug naar zijn machtige positie als bisschop van Nicomedia en presbyter aan het keizerlijk hof – Eusebius is degene die Constantijn in 337 (op diens sterfbed) officieel tot christen zal dopen – na de dood van de keizer zal Eusebius alles uit de kast halen om het Arianisme alsnog tot de officiële doctrine van de kerk te maken. Maar naast de rehabilitatie van de Arianen vaardigt Constantijn in 333, zeven jaar na Nicea, zonder blikken of blozen een decreet uit waarin hij zonder omhaal stelt: “Aangezien Arius een discipel is van de boosaardigen en goddelozen, is het niet meer dan terecht dat hem dezelfde schande ten deel valt. (…) Mocht enig geschrift van Arius worden aangetroffen, dan moet het aan de vlammen worden prijsgegeven, zodat niet alleen de boosaardigheid van zijn onderricht vernietigd wordt, maar er ook niets overblijft dat aan hem kan doen herinneren. En ik verordonneer hierbij publiekelijk dat, wanneer er iemand ontdekt wordt die geschriften van Arius verstopt heeft en deze niet onmiddellijk aandraagt om in het vuur geworpen te worden, hij ter dood zal worden veroordeeld. Zodra iemand op dit misdrijf wordt betrapt zal de doodstraf worden voltrokken.”

Hoe het ook zij, het christelijk opportunisme van Constantijn heeft de kerk geen windeieren gelegd. Hij mag zich dan wel niet uit diep gevoelde religieuze overtuiging als eerste Romeinse augustus tot de leer van Jezus hebben bekeerd, maar hij was wel de laatste die ook nog heiden was. Nu de leer, hoe verdeeld ook, veilig aangenomen kon worden zonder het risico te lopen op enig moment gekruisigd of voor de leeuwen gegooid te worden, verspreidde het christendom zich als een olievlek over het rijk, in oost en west. xxxx

Joden, zowel in Judea als in de diaspora, beschouwen zich als de nakomelingen van de Israëlieten die volgens de Tenach (het boek Exodus) in opdracht van JHWH door hun leider Mozes (Hebreeuws: Mosje, מֹשֶׁה; Arabisch: Moesa, موسى) uit Egyptische slavernij naar het beloofde land Kanaän geleid, grofweg het huidige Israël inclusief de bezette gebieden op de westelijke oever van de Jordaan (Palestina). Onderweg naar het beloofde land moet Mozes zich op de top van de berg Sinaï bij JHWH vervoegen, waarna hij veertig dagen lang wordt geïnstrueerd over de wijze waarop de Israëlieten, het door JHWH uitverkoren volk, zich dient te gedragen. Deze instructies, bekend geworden als de Mozaïsche Wet, vormen de belangrijkste hoofdstukken van de Tenach, de boeken Exodus en Deuteronomium. De wetten worden tijdens de sessie op de Sinaï door JHWH persoonlijk samengevat en in twee grote platte stenen gegraveerd: de Stenen Tafelen met de Tien Geboden. De eerste drie daarvan luiden: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten” (statenvertaling van Exodus 20: 3-5). In klare taal betekent dit dat JHWH de Israëlieten verbiedt om andere goden dan Hemzelf te aanbidden, beelden van Hem of van Zijn schepselen te maken, en dat bij overtreding van die geboden ook de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen zullen worden gestraft – JHWH noemt zichzelf ‘ijverig’, wat in de 17e eeuw ‘jaloers’ betekende. Deze geboden vormen de kern van de conflicten die de Joodse nakomelingen van de Israëlieten veel later met hun Romeinse overheersers (en vele anderen) zullen hebben. Net als Gallië, Brittannië en de veroverde delen van Germanië kreeg ook Palestina na de Romeinse veroverovering een foedus, die naast vrijheid van godsdienst ook een grote mate van zelfbestuur regelde. Tijdens de geboorte van Jezus, omstreeks 5 v.C., werd het land de facto bestuurd door een Joodse vazalkoning, Herodes I de Grote (73-4 v.C.). Herodes had zijn koningstitel ontvangen van de Romeinse keizer Gaius Octavianus (bijgenaamd Augustus), uit dankbaarheid voor het neerslaan van een staatsgreep die – met hulp van de Parthen – moest leiden tot omverwerping van het Romeinse gezag in Judea en herstel van het oude Hasmonese koninkrijk. Herodes was een groot bewonderaar van de Romeinse cultuur (en architectuur), en onder zijn koningschap werd (onder andere) Jeruzalem voorzien van nieuwe vestingwerken, torens, een theater en een koninklijk paleis. Ook zorgde Herodes voor een grootschalige renovatie en sterke uitbreiding van de Tweede Joodse Tempel in Jeruzalem, die als Huis van JHWH een cruciale rol in de Joodse eredienst vervulde4. Tijdens het strakke bewind van de Romeinsgezinde (en hondstrouwe) Herodes deed de keizer niet moeilijk over het feit dat er in Judea geen beelden voor hem werden opgericht en zijn goddelijke status niet erkend werd; na Herodes dood in 5 n.C. verandert dat. In Judea breekt een strijd om zijn opvolging uit, Rome grijpt in door er een gewone provincie te maken en stelt een prefect aan die vanaf dat moment de scepter zwaait – tot ongenoegen van de Joodse priesterklassen. Dat leidt niet alleen tot religieuze onrust (Jezus van Nazareth is zeker niet de enige rondtrekkende wonderdoener die in die jaren rigoureuze verandering binnen de Joodse tradities beplijt), maar ook tot politieke woelingen – met JHWHs verbod op het aanbidden van andere goden als belangrijkste motief. De eerdergenoemde Joodse Opstand tussen 66 en 73 n.C., die leidt tot de verwoesting van Jeruzalem en de pas gerenoveerde Tweede Tempel, wordt tussen 115 en 117 gevolgd door de Kitosoorlog, gevoerd door Joden in de diaspora in Cyrenaica aan de kust van het huidige Libië die niet alleen de tempels van Hekate, Zeus, Apollon, Artemis (Grieks) en Isis (Egyptisch) verwoestten, maar ook Romeinse statussymbolen als het Caesareum (tempel voor keizerverering), de basilica (rechtbank en handelsgebouwen) en de thermen (badhuizen). Ook die opstand wordt neergeslagen, maar in 132 is het opnieuw raak als het onder leiding van Sjimon bar Kochba in Judea tot een grootschalige opstand komt. Belangrijke aanleiding voor deze revolte lijkt de bouw, twee jaar eerder, van een aan Jupiter gewijde tempel op de restanten van de Tweede Tempel in Jeruzalem – in opdracht van dezelfde keizer Hadrianus die in Brittannië de Muur van Hadrianus bouwde om de barbaarse Picten, voorouders van de Schotten, buiten te houden; Hadrianus verbood in 130 eveneens de ‘verminking van geslachtsdelen’ in het hele rijk, waarmee de besnijdenis werd bedoeld die eveneens deel uitmaakte van de door JHWH aan Mozes gedicteerde wetten. De opstand van Sjimon bar Kochba – veel van de rebellen beschouwen hem als de Messias – mondt uit in een guerilla-oorlog die pas na vier jaar definitief door Hadrianus kan worden gewonnen. Hij maakt korte metten. De oorlog heeft meer dan een half miljoen Joden het leven gekost en ook de Romeinse verliezen zijn torenhoog geweest. Van Sjimon bar Kochba wordt nooit meer iets vernomen; hij is kennelijk niet uit de dood opgestaan. Vijftig gefortificeerde steden en 985 dorpen in Judea worden met de grond gelijk gemaakt. De Romeinen zijn nu helemaal klaar met alles wat naar Judaïsme ruikt. Hadrianus verbiedt Joodse kernwaarden als besnijdenis en viering van de sabbat in het hele rijk. Talloze Joodse schriftgeleerden worden ter dood gebracht en boekrollen met heilige geschriften op de fundamenten van de Tempels in Jeruzalem verbrand. Op die fundamenten laat Hadrianus twee standbeelden oprichten: een van hemzelf en een van Jupiter. Judea wordt opgeheven en krijgt een nieuwe naam, Syria Palaestina, Jeruzalem wordt voortaan Aelia Capitolina genoemd. Joden mogen die stad op straffe des doods niet langer betreden. Zij zullen niet meer in opstand komen.

xxxx Jezus van Nazareth groeit op in een klein plattelandsdorp in Galilea, een landstreek ten noorden van de oorspronkelijke Tempelstaat Judea en ver weg van de religieuze en politieke woelingen in Jeruzalem. Net als zijn latere discipelen, volgelingen en de apostelen is hij Joods en van eenvoudige komaf. Jezus Zoals als het een goede Jood betaamt kwam hij eenmaal per jaar naar de stad voor de viering van Pesach, een feestdag waarbij de uittocht uit Egypte wordt herdacht – ondanks het verloren gaan van de Ark des Verbonds met daarin de Stenen Tafelen werden de oude rituelen ook in de Tweede Tempel ongewijzigd uitgevoerd Na deze Joodse opstanden is niet alleen het schisma tussen Joden en Romeinen compleet, maar ook dat tussen christenen en Joden – er kan tenslotte maar een Messias zijn. Tweedverwoest. ctavianus Augustus’ opvolgers Tiberius, Caligula en Nero Die geboden stonden niet alleen op gespannen voet met de Romeinse opvatting dat de keizer een goddelijke status bezit (en dus als zodanig geëerd moet worden), maar ook met de vrijheid van godsdienst die het aanbidden van goden als Baal, Jupiter, Apollo, Nehalennia of Sol overal elders in het rijk toestond. Die onderlinge tegenspraak leidde voortdurend tot onvrede tussen het politieke gezag en de religieuze elites in Judea en omringende gebieden waar het Judaïsme de facto een vrijwel absolute godsdienstige norm vertegenwoordigde. Die Stenen Tafelen vormden een tastbare bevestiging van het contract tussen de Israëlieten, de nakomelingen van aartsvader Abraham (Hebreeuws: Avraham, אַבְרָהָם) en JHWH: wie zich aan de Tien Geboden hield kon rekenen op Gods bescherming, wie dat niet deed werd (zwaar) gestraft – de Tenach geeft talloze voorbeelden, die bijvoorbeeld Linnaeus tweeënhalf millennium later inspireerden bij het schrijven van zijn Gerechtigde Wrake Gods. Terwijl Mozes xxxx niet alleen de bijna zes eeuwen eerder door de Assyrische koning Nebukadnezar II verwoeste tempel van Salomo in Jeruzalem opnieuw had opgebouwd (de Tweede Tempel) maar ook tot zijn dood hondstrouw was gebleven aan de Romeinse keizer Gaius Octavianus (Augustus). Herodes had daarmee verschillende (en vaak rivaliserende) religieuze stromingen, zoals de Farizeeën en Sadduceeën, de wind in de zeilen gegeven. Daarnaast waren er nog andere stromingen binnen het jodendom actief (zoals de Essenen), en preekten verschillende wonderdoeners (waaronder Jezus van Nazareth) elk hun eigen versie van het ware geloof in JHWH. (zie ook deel III, Godes Dienst, De Farizeeër).xxxx

Toen de kerstening van Noord-Europa aan het einde van de zesde eeuw door paus Gregorius de Grote (of de Goede) gestructureerd ter hand werd genomen, werd deze strategie niet volledig losgelaten, maar wel aangepast aan het nieuwe doel: religieuze onderwerping als aanvulling op militaire verovering. Zo schreef Gregorius in juni van het jaar AD 601 een brief met instructies aan Augustinus, destijds hoofd van de missie in het Engelse Kantelberg (Canterbury): “De tempels van de idolen van dat volk moeten zo weinig mogelijk worden verwoest, maar de [heidense] beelden die zich binnen bevinden moeten verwoest worden. Laat hem [de missionaris] gezegend water nemen, er deze tempels mee besprenkelen, er altaren bouwen en relikwieën plaatsen. Omdat, als deze tempels goed gebouwd zijn, het noodzakelijk is dat zij veranderd zullen worden van de cultus van de demonen naar de dienst aan de ware God opdat, als het volk deze tempels niet verwoest ziet, zij hun vergissing vanuit het hart opgeven en, de ware God erkennend en vererend op de plaats waar zij het gewoon zijn, in goed vertrouwen samenkomen.” De instructies kwamen er in grote lijnen op neer dat de oude riten en cultusplaatsen een christelijke invulling moesten krijgen, maar verder min of meer intact moesten blijven: “Omdat zij de gewoonte hebben veel vee als offer voor demonen te slachten, moet hun in ruil een andere plechtigheid voor deze gewoonte gegeven worden. En zo, op de dag van de inwijding [van de kerk] of de gedenkdagen van de heilige martelaren, wier relikwieën er geplaatst zijn, laat hen dan rond de uit tempels gevormde kerken hutten van boomtakken bouwen en de plechtigheid met godsdienstige feesten vieren.” De heidense geesten en goden moesten dan wel veranderen in christelijke entiteiten – zo werd de voormalige vruchtbaarheidsgodin Nehalennia veranderd in Maria, moeder Gods, Sterre der Zee en beschermvrouwe van zeelieden – maar hun feesten en rituele vieringen konden met een christelijke invulling blijven bestaan: “Laat hen niet aan de duivel offeren. En laat hen dieren slachten om God te eren voor hun voedsel en lof brengen aan de Schenker van alle dingen voor hun verzadiging opdat, terwijl door hen bepaalde uiterlijke vreugden worden bewaard, zij makkelijker in staat zijn te delen in de innerlijke vreugde”, zo schreef Gregorius. Op die manier werden de Germaanse lenterituelen, die van oudsher waren gericht op het afsmeken van een vruchtbaar nieuw groeiseizoen en in Germanië gepaard gingen met een groot vuur waarin het oude werd verbrand om plaats te maken voor het nieuwe, gekerstend tot het paasfeest waarmee de opstanding van Christus werd gevierd. De grote vuren bleven bestaan (op veel plaatsen op het Nederlandse en Duitse platteland tot op de dag van vandaag), net als de oude Germaanse symbolen voor vruchtbaarheid (de haas) en het nieuwe leven (eieren en kuikentjes). De oude Lichtfeesten in de donkere dagen rond midwinter, waarmee de de demonen van de duisternis met wild geraas werden verjaagd om plaats te maken voor de terugkeer van het licht (en daarmee de vruchtbaarheid), leven in heel Europa voort in talloze variaties van het Sinterklaasfeest (inclusief zwarte Pieten en andere demonen; meestal niet geschikt voor kinderen). In veel boerendorpen in Oost- en Noord-Nederland bestaat nog altijd het midwinterhoornblazen. In de nachten tussen midwinter en Driekoningen wordt een lange hoorn van berkenhout aangeblazen boven de waterput, waardoor het geluid enorm wordt versterkt en tot in de wijde omgeving kan doordringen. En ook het misbaar dat de dagen rond onze moderne jaarwisseling nog altijd kenmerkt, met vuurwerk, vreugdevuren en op het platteland van Noord-Nederland het carbidschieten, is gebaseerd op oeroude gebruiken waarmee de winterse duisternis symbolisch werd verjaagd om ruimte te maken voor een nieuwe lente met haar leven brengende zonlicht.

Bonifatius velt de aan Donar (Ðor) gewijde eik in Geismar, een grensboom tussen het al deels gekerstende Hessen en het nog heidense Nedersaksen; de leider van de onthutste groep heidenen links, de man met het mes, is een Germaanse druïde, de ‘opvolger’ van de sjamaan van eerdere jagersverzamelaar-culturen. Duitse schoolplaat uit het begin van de 20e eeuw naar een schilderij van Heinrich Maria von Hess uit 1834/44. Bron: ABC Net (Australië). Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

De eerste christelijke missionarissen, die vanaf het begin van de zevende eeuw Noord-Europa binnentrokken, bouwden hun kerken steevast op de traditionele cultusplaatsen van de heidenen, ontmoetingscentra die vaak al duizenden jaren in gebruik waren. De aanvankelijk behoedzame dwang van Gregorius de Goede werd na de bekering van de Frankische koningen al snel aangevuld met rigoureuzer methoden. In de hagiografie van de Ierse missionaris Bonifatius (Mooi Aangezicht), die in de eerste helft van de achtste eeuw onder de Friezen en Chatten in het noorden van het Frankische rijk werkte, staat beschreven hoe hij op een aan de Germaanse god Donar gewijde cultusplaats op de grens van Hessen en Nedersaksen een heilige eik omhakte, om daarmee aan te tonen dat zijn God machtiger was dan Donar; het hout gebruikte hij om een aan de apostel Petrus gewijde kapel te bouwen op de plaats waar de boom en de altaren hadden gestaan. We kunnen met een gerust hart aannemen dat dergelijke daden voor de heidense Friezen bij Dokkum een motief vormden om de inmiddels hoogbejaarde missionaris in 754 alsnog dood te slaan – al valt niet uit te sluiten dat ordinaire roof van de voorraad miswijn en de gouden kruizen die Bonifatius en zijn delegatie bij zich droegen daarbij eveneens een rol hebben gespeeld.

Hoe het ook zij, het vermoorden van missionarissen betekent slechts uitstel van executie. Bonifatius’ opvolger Liudger slaagt er al aan het einde van de achtste eeuw in om de Friezen van het huidige Noord-Nederland (Drenthe, Groningen en Friesland) tot het christendom te bekeren. Van Liudger is bekend dat hij zonder scrupules heidense tempels met de grond gelijk maakte, zoals op het eiland Helgoland waar hij rond 785 de heiligdommen en gewijde bronnen van de Germaanse god van de rechtspraak Fosite verwoestte en vervolgens kerstende. Het is dan ook vast niet toevallig dat veel middeleeuwse kerken in Noord-Nederland gebouwd zijn op terpen en wierden, die het hart vormden van de lokale gemeenschappen. In Drenthe, bijvoorbeeld in Anloo of Odoorn, werd een aantal van die kerken gebouwd van (of gefundeerd op) veldkeien die hoogstwaarschijnlijk ooit deel uitmaakten van hunebedden, steencirkels of andere prehistorische bouwwerken, die al sinds de Nieuwe Steentijd (~ 7500 jaar voor heden) in gebruik waren geweest5 (zie fotobijlage Het Gekerstend Hunebed).

Het frontispice van Linnaeus’ Flora Lapponica, uitgegeven door Salomon Schouten in Amsterdam (1737), verbeeldt een landschap waarin tal van aspecten van de Saami cultuur zijn terug te vinden. Op de voorgrond zien we een in traditionele dracht gestoken figuur die een sjamaantrommel bespeelt; hij heeft de gelaatstrekken van Linnaeus zelf. Helemaal vooraan is een tweede sjamaantrommel met stok afgebeeld, rechts ernaast groeit een Linnaeusklokje. Bron: Researchgate. Klik op de afbeelding voor hogere resolutie.

In de 21e eeuw begint God, nu in de oude vorm van Groot Mysterie, zelfs weer in de schepping terug te keren. Hij blijkt wel degelijk te dobbelen, althans volgens de kosmoloog, wiskundige en fysicus Stephen Hawking (1942-2018): “Einstein had het fout toen hij zei: ‘God dobbelt niet.’ De bestudering van zwarte gaten doet vermoeden dat God niet alleen met dobbelstenen speelt, maar dat hij ons soms in verwarring brengt door ze te gooien waar wij ze niet kunnen zien.” Ook Hawking: “Ik ben niet religieus in de normale zin. Ik geloof dat het universum beheerst wordt door de wetten van de wetenschap. Die wetten werden misschien bepaald door God, maar God grijpt niet in om deze wetten te breken”. Op een vraag of het universum door God geschapen was, antwoordde hij met een wedervraag: “Als er ooit een Schepper was, wie heeft dan die Schepper geschapen?” Het Groot Mysterie leeft kennelijk, en is zelfs in de harde natuurwetenschappen nog altijd onderwerp van discussie.

De Groenlandse sjamaan Angaangaq Angakkorsuaq Lyberth tijdens een ceremonie op en rond het hunebed van Balloo in Drenthe (2011), onder het motto: “Het Leven zelf is een ceremonie die het waard is om gevierd te worden met een ceremonie.” Foto: Josien Krosenbrink (Miste). Klik op de foto voor hogere resolutie.

“Zie je nou wel?”, zeggen de laatste sjamanen als die harde wetenschappers opnieuw een stukje mysterieuze werkelijkheid weten bloot te leggen. Want ze zijn er nog steeds, de overlevende heidenen die zich wisten te handhaven in de laatste resten wildernis aan de randen van onze beschaving. De laatste tientallen jaren komen ze weer tevoorschijn om hun stem te laten horen: met waarschuwingen aan het adres van de moderne (lees vooral: westerse) en inmiddels wereldwijd dominante beschavingen met hun drang naar eeuwige groei en opvattingen over hoe het menselijk leven moet worden ingericht om die groei te bewerkstelligen en behouden. Deze laatste min of meer authentiek gebleven heidenen op Aarde willen niet langer lijdzaam toezien hoe hun traditionele waarneming van de natuurlijke loop der dingen en van hun oorspronkelijke plaats daarin steeds verder verdwijnt in de altijd hongerige maag van wat wij beschaving noemen. Zij zien hoe hun ooit wilde leefgebieden steeds verder worden opgeslokt door mijnbouw, oliewinning, houtkap en plantages, of door duurzame projecten als waterkrachtcentrales of zonneparken. Zij willen niet worden opgeslokt in die vaart der volkeren, en voorspellen intussen: “Pas als de laatste boom geveld is zullen jullie ontdekken dat je geld niet kunt eten”. Het zijn deze, en andere wijsheden van de laatste sjamanen op (onze) Aarde die in de volgende hoofdstukken van De Beschaver een belangrijke rode draad zullen vormen.

❉❉❉


1. De Zweedse etnograaf Ernst Mauritz Manken beschrijft deze Anders Nilsson in zijn monografie over de trommels van de Saami (Die Lappische Zaubertrommel: Eine Ethnologische Monographie, 1938): “Anders Nilsson Pont die woont in de buurt van Sorsele maar daar nooit naar de kerk gaat”.

2. Deze Gesta Hammaburgensis Ecclaesiae Pontificum, een belangrijke bron voor de Scandinavische geschiedenis tussen het optreden van de eerste missionarissen in 788 en de jaren waarin Adam deze kronieken schreef, van 1073 tot 1076.

3. In de protestants-christelijke Bijbel is de Tenach opgenomen als het Oude Testament, zij het dat de boeken (hoofdstukken) daar in een andere volgorde staan; in de rooms-katholieke Bijbel zijn er ook nog zeven hoofdstukken aan toegevoegd. De boeken van het Nieuwe Testament, vier evangeliën, handelingen en brieven van apostelen en de openbaring van Johannes, worden in Joodse tradities beschouwd als ketterij (en dus zeker niet als heilige geschriften). Pas in 367 n.C., dertig jaar na de dood van keizer Constantijn de Grote, worden ze officieel aan de canonieke christelijke Bijbel toegevoegd. Zie ook deel III, Godes Dienst, De Schriftgeleerde.

4. De Eerste Tempel, volgens de Bijbel gebouwd door koning Salomo (Hebreeuws: שְׁלֹמֹה), zoon en opvolger van David, was bijna zes eeuwen eerder door de Assyrische koning Nebukadnezar II verwoest. Daarbij was de Ark des Verbonds verloren gegaan, een volgens nauwkeurige instructies van JHWH aan Mozes gebouwde gouden kist die de Stenen Tafelen (de Getuigenis) bevatte (zie Exodus 25:10-21). Deze Ark moest worden geplaatst in een aparte ruimte van de tempel, het Heilige der Heiligen, waar alleen de hogepriester toegang had. In de Tweede Tempel, gebouwd na terugkeer van het Joodse volk uit de Babylonische ballingschap, bleef het Heilige der Heiligen weliswaar leeg, maar de regel dat alleen de hogepriester haar mocht betreden bleef van kracht.

5. Onder Nederlandse archeologen bestaat consensus over het feit dat megalithische bouwwerken als hunebedden in de laatste fase van het neolithicum (Nieuwe Steentijd) in onbruik raakten. Zij baseren die stelling op het feit dat ze bij opgravingen van hunebedden alleen aardewerk van de Trechterbekercultuur aantroffen, en niet van de latere culturen die vanaf zo’n 4500 jaar voor heden ontstonden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat deze plekken daarmee ook hun functie van ontmoetings- en/of cultusplaats voor de verschillende gemeenschappen in de regio verloren. Een berg opeengestapelde enorme veldkeien (Drents: ‘stienbult’ of ‘stienbarg’) zal hoe dan ook in alle tijden tot de verbeelding hebben gesproken. Zie ook deel II, Omwenteling, De Voedseltemmer.

 

❁❁❁

Verder kijken en meer lezen:

Presentatie van prof. Erik Verlinde over de wetten van Isaac Newton, Albert Einstein en Stephen Hawking, en zijn eigen nieuwe hypothesen rond informatie, zwaartekracht, donkere materie en donkere energie waarin de klassieke natuurkunde en kwantummechanica met elkaar verbonden worden. Studium Generale Delft: A New View on Gravity and the Cosmos (2018, Engelstalig).

Voor wie bovenstaande presentatie boven de pet gaat, is er een in lekentaal geschreven ABC over de zwaartekrachtshypothese van prof. Erik Verlinde: Elastisch Universum; Abc van de baanbrekende ideeën van Erik Verlinde, door sterrenkundige en wetenschapsjournalist George van Hal (NewScientist).

Stephen Hawking: A Brief History of Time. Een publieksvriendelijk geschreven overzicht van nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten over ruimtetijd, zwarte gaten, wormgaten, de geschiedenis van het universum en veel meer. In het Nederlands vertaald onder de titel: Een Korte Geschiedenis van de Tijd.

Brian Greene: The Fabric of the Cosmos: Space, Time, and the Texture of Reality is eveneens een zeer toegankelijk boek over de tot op heden ontraadselde geheimen van de kosmos en de Theorie van Alles. In het Nederlands vertaald als: De Ontrafeling van de Kosmos, Over de Zoektocht Naar de Theorie van Alles.

❁❁❁

 

Samenvatting door Arnold Jan Scheer van zijn documentaire Wild Geraas (2016), over de voorchristelijke oorsprong van het Sinterklaasfeest. Met veel kabaal, duistere demonen, oorspronkelijke Zwarte Pieten en het gebruik van de roe.

Carolus Linnaeus: Reis door Lapland 1732 (Iter Lapponicum). Nederlandse vertaling van de dagboeken die Linnaeus bijhield op zijn reizen door Sápmi (Lapland), met een inleiding van vertaler Ger Meesters. Redactie: Jeanette van Leeuwen.

Carolus Linnaeus: Systema Naturae 1735. Facsimile van de eerste editie, met een Engelstalige inleiding en een vertaling van de ‘Observationes’ (waarnemeningen) waarop Linnaeus zijn indeling van de levende (en minerale) soorten op Aarde baseerde.

Carolus Linnaeus: Systema Naturae 1758. Facsimile van de tiende editie, die het ultieme fundament vormt voor de moderne classificatie van het leven op Aarde: 847 pagina’s in het Latijn.

❁❁❁

Virtuele reconstructie van de Tweede Joodse Tempel na de grootschalige renovatie en uitbreiding, geïnitieerd door koning Herodes de Grote, begonnen rond 10 v.C. en pas in 64 n.C. geheel voltooid. Al zo’n vijf jaar na de voltooiïng zal de Romeinse legerleider en latere keizer Titus deze tempel tijdens de Joodse Opstand weer met de grond gelijkmaken; tegenwoordig rest alleen nog het onderste gedeelte van de westelijke muur (de Klaagmuur), en staat op de plaats van de tempel één van de belangrijkste heiligdommen van de Islam: de met een gouden koepel getooide Rotskoepelmoskee.

Yosef ben Mattijahu, beter bekend als Flavius Josephus (37-100), was een Joods-Romeinse geschiedschrijver en hagiograaf. Tijdens de Joodse Opstand (oorlog) van 66-70 is hij aanvankelijk een van de rebellenleiders in Galilea, die zich tijdens de Romeinse strafexpeditie van Vespasianus terugtrekken in het vestingstadje Yodfat (Jotapata). Het stadje wordt 47 dagen lang door de Romeinen belegerd en valt door verraad; 40.000 opstandelingen worden vermoord of plegen zelfmoord, 1200 vrouwen en kinderen worden als slaaf verkocht. Josephus ontspringt de dans en wordt gevangengenomen. Hij overleeft door zich in te likken bij Vespasianus, wordt vrijgelaten en vertrekt naar Rome; de rest van zijn leven houdt hij zich bezig met het beschrijven van de Joodse geschiedenis onder Romeins gezag. Josephus kiest weliswaar onvoorwaardelijk partij voor de Romeinen – in Joodse (en veel christelijke) kringen wordt hij beschouwd als collaborateur, verrader en overloper – maar zijn geschiedschrijving vormt toch een unieke aanvulling op de Bijbelse geschiedenis uit het Nieuwe Testament. Het oudste (onvolledige) manuscript is een Latijnse vertaling uit de 6e of 7e eeuw, in de 16e eeuw wordt ook een (volledige) Griekse tekst teruggevonden. Het werk van Josephus geldt als een belangrijke bron voor de geschiedenis van het Judaïsme onder Romeins gezag en de kinderjaren van het christendom. In 2015 verscheen een vertaling van Josephus’ verzamelde werken in modern Nederlands online, met uitgebreide toelichtingen en context.

Publius Cornelius Tacitus (ca. 56-117) was een Romeinse consul, geschiedschrijver en redenaar, wiens werk een belangrijke bron vormt voor zowel de politieke en militaire geschiedenis van Rome als van de zeden en gewoonten van de Germaanse (buur)volken. Zijn Historiae (Histories, vijf delen in Engelse vertaling) is een kroniek van de politieke en militaire perikelen vanaf de dood van Nero tot en met het neerslaan van de Joodse en Germaanse opstanden. De Germania (De Origine et Situ Germanorum, Over de Oorsprong en Gewoonten der Germanen) is een etnografisch werk over de overeenkomsten en verschillen tussen de Germaanse culturen binnen en buiten het rijk, waarin ook de Bataven en de Friezen aan bod komen.

Het levenswerk van de Amerikaanse hoogleraar Bart D. Ehrman bestaat uit het ontrafelen van de geschiedenis van de vroegste vormen van christendom, zoals die zich meteen na de kruisiging van Jezus over het Romeinse rijk verspreidden. In zijn boeken analyseert hij niet alleen de Nieuw-Testamentische Bijbelboeken, maar ook apocriefen als bijvoorbeeld de evangelieën van Thomas, Judas en Maria Magdalena of de Handelingen van de apostel Paulus en de Openbaring van Simon Petrus. Hij ontmaskert vervalsingen en latere toevoegingen, opzettelijk aangebrachte wijzigingen en andere propagandistische trucs die na vier eeuwen tot een dominante orthodoxie leidden: de Rooms-Katholieke kerk. Ehrmans werk is (uiteraard) controversieel, en slechts één van zijn boeken is in het Nederlands vertaald: De evolutie van de Bijbel: wie veranderde de tekst van de Bijbel en waarom?

Holger Kersten en Elmar R. Gruber: Het Jezus-Complot, Het Bedrog Rond de Lijkwade. Zoektocht naar de oorsprong en omzwervingen van de Lijkwade van Turijn, een van de belangrijkste (en meest omstreden) relikwieën van de Rooms-Katholieke kerk. Het zou de doek zijn geweest waarin Jezus na de kruisafname werd gewikkeld, en er is de ‘afdruk’ van een gekruisigde man in te ontwaren. De auteurs betogen dat een weliswaar ernstig gewonde Jezus nog leefde toen hij in de met mirre en aloë doordrenkte doek werd gewikkeld – een methode die in het Romeinse leger standaard werd toegepast om ernstig gewonde soldaten van de dood te redden. Toen een van de (weliswaar niet gewonde) auteurs de methode op zichzelf toepaste, bleef eveneens een afdruk van zijn lichaam in de doek achter. Spannend boek dat alleen nog tweedehands of in het Engels te verkrijgen is.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.